De werkneemster was in dienst bij de Rijksuniversiteit Groningen (RUG) als assistant professor op basis van een tijdelijk contract dat niet werd verlengd na 31 januari 2024. Zij vorderde een billijke vergoeding wegens ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever. Het hof bevestigt dat de werkgever een ruime beoordelingsvrijheid heeft bij het niet verlengen van een tijdelijk contract, mits het besluit redelijk is en niet in strijd met goed werkgeverschap.
De RUG had kritiek op het onderzoeksvoorstel van de werkneemster en vond dat onvoldoende progressie was geboekt om het contract om te zetten in een vast dienstverband. De werkneemster had zelf om duidelijkheid gevraagd en was op de hoogte van de beoordelingscriteria. Het hof oordeelt dat de RUG redelijk heeft gehandeld en dat het niet verlengen geen sanctie was voor een klokkenluidersmelding of een inbreuk op academische vrijheid.
De werkneemster voerde meerdere bezwaren aan, waaronder schending van het R&O-beleid en onvoldoende herplaatsingsinspanningen, maar deze werden verworpen. De beslissing van het hof bevestigt dat het niet verlengen van het contract niet het gevolg was van ernstig verwijtbaar handelen van de RUG, waardoor de vordering tot billijke vergoeding wordt afgewezen.