ECLI:NL:GHARL:2025:4348

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
15 juli 2025
Publicatiedatum
15 juli 2025
Zaaknummer
23/2194 t/m 23/2196
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake navorderingsaanslagen IB/PVV 2013 tot en met 2015 en terbeschikkingstellingsregeling

In deze zaak gaat het om het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland, waarin navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor de jaren 2013 tot en met 2015 zijn opgelegd. De belanghebbende heeft een navorderingsaanslag ontvangen voor een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 150.002 in 2013, € 129.141 in 2014 en € 139.132 in 2015, met daarbij in rekening gebrachte belastingrente. De Inspecteur heeft de navorderingsaanslagen gehandhaafd, waarop belanghebbende in beroep is gegaan. De Rechtbank heeft de navorderingsaanslag voor 2013 verminderd, maar de aanslagen voor 2014 en 2015 gehandhaafd. Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld, waarbij zij aanvoert dat de onroerende zaak niet ter beschikking is gesteld in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001, en dat er dus geen sprake is van resultaat uit een werkzaamheid. Het Hof heeft vastgesteld dat de onroerende zaak de facto ter beschikking is gesteld aan [naam5] BV, en dat de Inspecteur de huurinkomsten terecht als resultaat uit een werkzaamheid heeft aangemerkt. Het hoger beroep van belanghebbende is ongegrond verklaard.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummers BK-ARN 23/2194 tot en met 23/2196
uitspraakdatum: 15 juli 2025
Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 15 mei 2023, nummers ARN 22/466 tot en met 22/468, ECLI:NL:RBGEL:2023:2738, in het geding tussen belanghebbende en
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Kantoor Doetinchem(hierna: de Inspecteur)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende is over het jaar 2013 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 150.002. Daarbij is een bedrag aan belastingrente in rekening gebracht van € 6.291.
1.2.
Aan belanghebbende is over het jaar 2014 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 129.141 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 6.158. Daarbij is een bedrag aan belastingrente in rekening gebracht van € 2.784.
1.3.
Aan belanghebbende is over het jaar 2015 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 139.132 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 7.749. Daarbij is een bedrag aan belastingrente in rekening gebracht van € 3.341.
1.4.
De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 27 oktober 2021 de navorderingsaanslagen en de daarmee samenhangende beschikkingen belastingrente gehandhaafd.
1.5.
Belanghebbende is tegen de uitspraken van de Inspecteur in beroep gekomen. De rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) heeft bij uitspraak van 15 mei 2023 de navorderingsaanslag IB/PVV 2013 verminderd tot een navorderingsaanslag naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 139.336, de daarmee samenhangende beschikking belastingrente dienovereenkomstig verminderd, de navorderingsaanslagen IB/PVV 2014 en 2015 gehandhaafd, een proceskostenvergoeding toegekend van € 837 en het griffierecht van € 49 vergoed.
1.6.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.7.
De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.8.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 mei 2025 te Arnhem. Belanghebbende en haar echtgenoot zijn verschenen, bijgestaan door [naam1] en [naam2] . Namens de Inspecteur zijn verschenen [naam3] en [naam4] . De zaken met de nummers 23/2182 tot en met 23/2184 en 23/2194 tot en met 23/2196 zijn gezamenlijk behandeld. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en ingebracht. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2.Vaststaande feiten

2.1.
Belanghebbende is in gemeenschap van goederen gehuwd met [de partner] (hierna: haar partner). Zij houden middellijk alle aandelen in [naam5] BV (hierna: [naam5] BV). Tot 2007 hield [naam5] BV alle aandelen in [naam6] BV (hierna: [naam6] BV). Tot 2007 was laatstgenoemde vennootschap eigenaar van de onroerende zaak [adres] te [plaats1] (hierna: de onroerende zaak).
2.2.
In 2007 is de onroerende zaak overgedragen aan belanghebbende en haar partner in privé. Bovendien worden vanaf dat moment de aandelen in [naam6] BV – via Stichting Administratiekantoor [naam7 ] (hierna: de STAK) – middellijk gehouden door de vijf kinderen – destijds in de leeftijd van 15 tot 28 jaar – van belanghebbende en haar partner
.Belanghebbende en haar partner zijn de bestuurders van de STAK. De kinderen hebben geen leidinggevende rol in de bedrijfsvoering van [naam6] BV.
2.3.
In de onderhavige jaren wordt de onroerende zaak door belanghebbende en haar partner (grotendeels) verhuurd aan [naam6] BV. Belanghebbende heeft de huurovereenkomsten zowel als verhuurder als huurder ondertekend. De huurprijs bedraagt € 150.000 (2013 en 2015) en € 120.000 (2014) per jaar. Een klein deel van de onroerende zaak wordt door belanghebbende en haar partner verhuurd aan [naam5] BV voor € 6.000 per jaar.
2.4.
De onroerende zaak wordt door [naam6] BV verhuurd aan derden voor feesten en evenementen. Daarbij heeft [naam5] BV het recht om voor [naam6] BV de catering te verzorgen tegen een vergoeding die een bepaald percentage bedraagt van de door [naam6] BV gerealiseerde omzet uit verhuur en catering. Alleen met toestemming van [naam5] BV kan [naam6] BV de catering door derden laten plaatsvinden tegen betaling van een vergoeding aan [naam5] BV.
2.5.
In de onderhavige jaren is bij [naam6] BV geen personeel in dienst. Voor werkzaamheden, zoals het eerste contact met gasten, offertetrajecten en facturering, wordt personeel ingehuurd van [naam5] BV. Op de facturen van [naam6] BV is het mailadres vermeld van [naam5] BV (info@ [naam5] .nl). [naam6] BV en [naam5] BV hebben sinds 2017 dezelfde website. Bij de werving van personeel door [naam5] BV wordt in de advertenties verwezen naar [naam6] BV.
2.6.
Vanaf de herstructurering in 2007 (zie 2.2) tot en met 2018, met uitzondering van 2011, heeft [naam6] BV verliezen geleden. De persoonlijke houdstermaatschappij van belanghebbende en haar partner ( [naam8] BV) heeft een zogenoemde instandhoudingsverklaring afgegeven, waarin is bepaald dat de financiële ondersteuning van [naam6] BV ook na de herstructurering zal worden voorgezet.
2.7.
Belanghebbende en haar partner hebben de onroerende zaak in 2022 overgedragen aan een derde. De bedrijfsactiviteiten van [naam6] BV zijn eveneens overgedragen aan deze derde. De huurovereenkomsten met [naam6] BV zijn beëindigd. Vanaf 2026 zal één van de kinderen de aandelen in [naam5] BV overnemen.
2.8.
Belanghebbende heeft in haar ingediende aangiften IB/PVV 2013 tot en met 2015 geen resultaat uit terbeschikkingstelling als bedoeld in artikel 3.92 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet IB) aangegeven.
2.9.
De Inspecteur heeft de aanslagen IB/PVV 2013 tot en met 2015 in overeenstemming met de ingediende aangiften opgelegd.
2.10.
De Inspecteur heeft in 2019 een boekenonderzoek ingesteld bij verschillende vennootschappen van belanghebbende en haar partner. De bevindingen van dit onderzoek zijn aanleiding geweest tot het opleggen van de onderhavige navorderingsaanslagen IB/PVV 2013 tot en met 2015. Bij het vaststellen van deze navorderingsaanslagen heeft de Inspecteur het standpunt ingenomen dat de door belanghebbende en haar partner genoten huurinkomsten ter zake van de onroerende zaak moeten worden aangemerkt als resultaat uit een werkzaamheid als bedoeld in artikel 3.94 in verbinding met artikel 3.92 Wet IB (terbeschikkingsstellingsregeling (hierna: tbs-regeling)). De correcties zijn als volgt berekend:
(€)
2013
2014
2015
Huur
156
126
156
Afschrijving
- 16.250
- 16.250
- 16.250
Canon/erfpacht
- 29.937
- 31.171
-31.665
Onderhoudskosten
- 3.462
- 6.902
Financieringslasten
- 9.053
- 8.492
- 7.930
Subtotaal
100.76
66.625
93.253
Tbs-vrijstelling
- 12.091
- 7.995
- 11.190
Resultaat
88.669
58.63
82.063
Belanghebbende is voor de helft eigenaar van de onroerende zaak zodat de Inspecteur de helft van voornoemd resultaat aan haar heeft toegerekend.
2.11.
Ter zitting van de Rechtbank heeft belanghebbende verklaard dat de feitelijke situatie in de onderhavige jaren nauwelijks verschilt van de situatie tot 2007 toen [naam6] BV – met daarin de onroerende zaak – nog als dochtermaatschappij van [naam5] BV werd geëxploiteerd.
2.12.
De Rechtbank heeft de Inspecteur in het gelijk gesteld. De Rechtbank heeft in haar uitspraak – kort gezegd – overwogen dat [naam6] BV economisch bezien geen zelfstandige betekenis heeft, dat [naam5] BV feitelijk gebruik maakt van de onroerende zaak, dat [naam6] BV niet meer dan een intermediair functie vervult en dat belanghebbende en haar partner de onroerende zaak feitelijk, direct of indirect, aan [naam5] BV ter beschikking stellen. Volgens de Rechtbank leidt dit tot de conclusie dat de onroerende zaak is aan te merken als een ter beschikking gesteld vermogensbestanddeel in de zin van artikel 3.92, lid 1, letter a Wet IB en dat de huurinkomsten daarom in de navorderingsaanslagen terecht als resultaat uit een werkzaamheid in aanmerking zijn genomen.

3.Geschil

3.1.
In geschil is of de navorderingsaanslagen IB/PVV 2013 tot en met 2015 terecht zijn opgelegd.
3.2.
Belanghebbende stelt in hoger beroep dat de onroerende zaak niet ter beschikking is gesteld in de zin van artikel 3.92 Wet IB, zodat geen sprake is van een resultaat uit een werkzaamheid. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.
3.3.
Partijen zijn ter zitting overeengekomen dat als belanghebbende in het gelijk wordt gesteld, het resultaat uit een werkzaamheid voor ieder jaar de helft van € 4.000, ofwel € 2.000 bedraagt.
3.4.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en van de Inspecteur, en tot vermindering van de navorderingsaanslagen IB/PVV 2013 tot en met 2015
.De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4.Beoordeling van het geschil

Ter beschikking stellen
4.1.
Als belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden wordt onder meer aangemerkt het rendabel maken van vermogensbestanddelen door deze al dan niet tegen vergoeding rechtens dan wel in feite, direct of indirect aan een vennootschap ter beschikking te stellen waarin de belastingplichtige of een met hem verbonden persoon een aanmerkelijk belang heeft (artikel 3.92, lid 1, letter a Wet IB).
4.2.
In de parlementaire geschiedenis is met betrekking tot het hiervoor genoemde artikellid opgemerkt dat het begrip ‘ter beschikking stellen’ ruim moet worden uitgelegd, [1] en dat daarbij een economische benadering past. [2] In dat verband is onder meer het volgende opgemerkt:
"De ruime formulering ‘ter beschikking stellen’ is bewust gekozen om tot uitdrukking te brengen dat een economische benadering is beoogd. De civielrechtelijke vorm waarin de vermogensbestanddelen ter beschikking worden gesteld, bijvoorbeeld verhuur of (ver)bruikleen, is derhalve voor de beoordeling niet van wezenlijk belang. Van belang is met name of de aanmerkelijkbelanghouder de facto vermogen beschikbaar stelt aan de vennootschap." [3]
“In artikel 3.91 en 3.92 Wet IB 2001 is de zinsnede ‘rechtens dan wel in feite, direct of indirect ter beschikking stellen’ opgenomen. Zoals ook in de toelichting op deze zinsnede is opgemerkt, is deze formulering gekozen om zeker te stellen dat de toepassing van de terbeschikkingstellings- regeling niet kan worden ontgaan door de enkele tussenschakeling van een derde. Dat vereist een materiële beoordeling van de vraag in hoeverre sprake is van twee geheel verschillende economische relaties of dat de derde feitelijk niet meer is dan een intermediair zodat het economische belang feitelijk bij de belastingplichtige berust.” [4]
4.3.
Gelet op de hiervoor vastgestelde feiten acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende en haar partner de onroerende zaak de facto ter beschikking hebben gesteld aan [naam5] BV. Het Hof heeft daarbij de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking genomen:
( i) Belanghebbende en haar partner zijn eigenaar van de onroerende zaak, houden middellijk alle aandelen in [naam5] BV en hebben – als bestuurders van de STAK – zeggenschap over [naam6] BV, de huurder van de onroerende zaak (2.1 en 2.2);
(ii) [naam6] BV heeft geen personeel in dienst en huurt voor al haar werkzaamheden personeel in van [naam5] BV (zie 2.5);
(iii) [naam5] BV heeft het recht om voor [naam6] BV de catering te verzorgen tegen een vergoeding die een bepaald percentage bedraagt van de door [naam6] BV gerealiseerde omzet uit de catering, alsmede uit de verhuur (zie 2.4);
iv) Alleen met toestemming van [naam5] BV kan [naam6] BV de catering door derden laten plaatsvinden tegen betaling van een vergoeding aan [naam5] BV (zie 2.4);
v) Vanaf de herstructurering in 2007 heeft [naam6] BV behoudens één jaar structureel verlies geleden (zie 2.6);
vi) De houdstermaatschappij van belanghebbende en haar partner ( [naam8] BV) heeft een zogenoemde instandhoudingsverklaring afgegeven, waarin is bepaald dat de financiële ondersteuning van [naam6] BV ook na de herstructurering zal worden voortgezet (zie 2.6); en
vii) De feitelijke situatie in de onderhavige jaren verschilt volgens de verklaring van belanghebbende nauwelijks van de situatie tot de herstructurering in 2007, toen [naam6] BV – met daarin de onroerende zaak – nog via [naam5] BV werd geëxploiteerd (zie 2.11).
4.4.
Vorenstaande feiten en omstandigheden brengen mee dat aan het tussenschakelen van [naam6] BV geen of weinig reële praktische en economische betekenis toekomt
.Gelet op de economische benadering van het begrip ‘ter beschikking stellen’ (zie 4.2) is het gevolg daarvan dat de onroerende zaak de facto ter beschikking is gesteld aan [naam5] BV. Dat [naam6] BV de onroerende zaak niet heeft onderverhuurd aan [naam5] BV en van [naam5] BV ook geen vergoeding ontvangt, doet – anders dan belanghebbende betoogt – daaraan niet af. Dit betekent, overeenkomstig het oordeel van de Rechtbank, dat sprake is van het ter beschikking stellen van een vermogensbestanddeel aan een vennootschap in de zin van artikel 3.92, lid 1, letter a Wet IB.
4.5.
De omstandigheid dat belanghebbende en haar partner met betrekking tot de onroerende zaak huurovereenkomsten met [naam6] BV hebben gesloten en niet met [naam5] BV, doet aan deze conclusie niet af gelet op de economische benadering die aan de tbs-regeling ten grondslag ligt. Ook de omstandigheid dat de herstructurering in 2007 heeft plaatsgevonden met het oog op de bedrijfsopvolging, doet – anders dan belanghebbende betoogt – niet eraan af dat sprake is van een terbeschikkingstelling in de zin van artikel 3.92, lid 1, letter a Wet IB. De Inspecteur heeft de inkomsten uit verhuur van de onroerende zaak dan ook terecht als resultaat uit een werkzaamheid in aanmerking genomen. Tussen partijen is overigens niet in geschil dat de door belanghebbende en haar partner ter zake van de verhuur van de onroerende zaak overeengekomen en betaalde huurprijs zakelijk is. De navorderingsaanslagen zijn daarom terecht aan belanghebbende opgelegd.
Belastingrente
4.6.
De hoger beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de in rekening gebrachte bedragen aan belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden daartegen aangevoerd. Nu de navorderingsaanslagen worden gehandhaafd, dienen ook de in rekening gebrachte bedragen aan belastingrente te worden gehandhaafd.
SlotsomHet hoger beroep van belanghebbende slaagt niet.

5.Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten of van het griffierecht.

6.Beslissing

Het Hof verklaart het hoger beroep van belanghebbende ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, voorzitter, mr. V.F.R. Woeltjes en mr. F. van Horzen, in tegenwoordigheid van mr. J. Hollander als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2025.
De griffier, De voorzitter,
(J. Hollander) (A.J.H. van Suilen)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.TK 1999-2000, 26 727, nr. 89, p. 10.
2.TK 1999-2000, 26 727, nr. 17, p. 99.
3.TK 1999-2000, 26 727, nr. 17, p. 99
4.TK 2000-2001, 27 466, nr. 6, p. 89.