ECLI:NL:GHARL:2025:4744

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
31 juli 2025
Publicatiedatum
31 juli 2025
Zaaknummer
21-000593-24
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake gewapende woningovervallen en wederrechtelijke vrijheidsberoving met TBS-maatregel

In deze zaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 31 juli 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Noord-Nederland. De verdachte is veroordeeld voor het medeplegen van twee gewapende woningovervallen en wederrechtelijke vrijheidsberoving. De rechtbank had eerder een gevangenisstraf van negen jaren opgelegd, met de maatregel van terbeschikkingstelling (TBS) met verpleging van overheidswege. Het hof bevestigt de veroordeling, maar wijzigt de bewijsgronden en de kwalificatie van de feiten. De verdachte ontkent betrokkenheid bij de overvallen, maar het hof oordeelt dat de bewijsvoering, waaronder stemherkenning door verbalisanten, voldoende is om tot een veroordeling te komen. De vorderingen van benadeelde partijen worden deels toegewezen, met schadevergoedingen voor materiële en immateriële schade. Het hof legt de verdachte de verplichting op om de schade aan de benadeelde partijen te vergoeden, vermeerderd met wettelijke rente. De uitspraak benadrukt de ernst van de feiten en de impact op de slachtoffers, en de noodzaak van een TBS-maatregel gezien het recidiverisico van de verdachte.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000593-24
Uitspraak d.d.: 31 juli 2025
Tegenspraak
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 29 januari 2024 met het parketnummer 18-328928-22 in de strafzaak inzake de verdachte

[verdachte] ,

geboren te [land] op [geboortedag] 1992,
thans verblijvende in de [PI] te [plaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het gerechtshof van 20 september 2024, 3 juli 2025 en 31 juli 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het gerechtshof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, inhoudende dat het gerechtshof:
  • de verdachte ter zake van de onder 1, 2 en 3 aan hem ten laste gelegde feiten zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren, met aftrek van de periode die de verdachte heeft doorgebracht in voorarrest, en daarnaast zal opleggen de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege (TBS);
  • de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] deels zal toewijzen, tot het volledige bedrag van de gevorderde materiële schade en tot een bedrag van € 9.500,00 ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en de verdachte hoofdelijk aansprakelijk zal stellen;
  • de vordering voor het overige zal afwijzen;
  • de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] deels zal toewijzen, tot het volledige bedrag van de gevorderde materiële schade en tot een bedrag van € 9.500,00 ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en de verdachte hoofdelijk aansprakelijk zal stellen;
  • de vordering voor het overige zal afwijzen;
  • de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] deels zal toewijzen, tot een bedrag van € 19.200,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en de verdachte hoofdelijk aansprakelijk zal stellen;
  • de vordering voor het overige zal afwijzen;
  • de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] deels zal toewijzen, tot een bedrag van € 19.200,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en de verdachte hoofdelijk aansprakelijk zal stellen;
  • de vordering voor het overige zal afwijzen.
Het gerechtshof heeft verder kennisgenomen van hetgeen de verdachte en zijn raadsman, mr. J-J. Lieftink, hebben aangevoerd en hetgeen mr. D.N. de Jonge, de advocaat van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] , naar voren heeft gebracht op de zitting in hoger beroep van 3 juli 2025.

Het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht

Het hoger beroep is gericht tegen het hierboven genoemde vonnis van de rechtbank. In dat vonnis heeft de rechtbank:
  • de verdachte ter zake van de onder 1, 2 en 3 aan hem ten laste gelegde feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren, met aftrek van de periode die de verdachte heeft doorgebracht in voorarrest, en daarnaast opgelegd de TBS-maatregel met bevel tot verpleging van overheidswege;
  • de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] deels toegewezen, tot een bedrag van € 9.500,00 ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en de verdachte hoofdelijk aansprakelijk gesteld;
  • de benadeelde partij [benadeelde partij 1] voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering;
  • de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] deels toegewezen, tot een bedrag van € 9.500,00 ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en de verdachte hoofdelijk aansprakelijk gesteld;
  • de benadeelde partij [benadeelde partij 2] voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering;
  • de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] deels toegewezen, tot een bedrag van € 19.200,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en de verdachte hoofdelijk aansprakelijk gesteld;
  • de vordering van [benadeelde partij 3] voor het overige afgewezen;
  • de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] deels toegewezen, tot een bedrag van € 19.200,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en de verdachte hoofdelijk aansprakelijk gesteld;
  • de vordering van [benadeelde partij 4] voor het overige afgewezen.
Het gerechtshof merkt op dat in het vonnis van de rechtbank in feit 3 van de tenlastelegging als pleegperiode is opgenomen “in de periode van 7 tot en met 8 december”. Zo is de tenlastelegging op dit punt na toewijzing van de vordering aanpassing omschrijving tenlastelegging op 23 juni 2023 inderdaad komen te luiden. Het gerechtshof leest de pleegperiode verbeterd als:
in de periode van 7 tot en met 8 december 2022.De verdachte is hierdoor niet geschaad in zijn verdedigingsbelang
.
Het gerechtshof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft beslist en zal het vonnis van de rechtbank (ECLI:NL:RBNNE:2024:211) bevestigen, behalve voor zover het betreft de beslissingen op de vorderingen van enkele benadeelde partijen en de daarmee samenhangende oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ten aanzien van dit onderdeel van het vonnis komt het gerechtshof tot een andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre zal het vonnis van de rechtbank dan ook worden vernietigd.
Het gerechtshof is van oordeel dat de rechtbank voor het overige op juiste wijze heeft beslist. Wel zal het gerechtshof het vonnis met aanvulling en verbetering van de bewijsgronden en met verbeterde lezing van de kwalificatie bevestigen. Het gerechtshof overweegt hiertoe het volgende.
Aanvulling van de bewijsgronden, naar aanleiding van de in hoger beroep gevoerde bewijsverweren van de verdediging
De verdachte heeft ook in hoger beroep ontkend zich schuldig te hebben gemaakt aan de drie feiten die aan hem zijn ten laste gelegd. In het verlengde daarvan heeft de verdediging integrale vrijspraak bepleit.
Feit 1
Ter zake van de onder 1 ten laste gelegde woningoverval in [plaats] heeft de verdediging onder meer het volgende aangevoerd:
“Cliënt ontkent een van de overvallers te zijn. Ondanks dat het dossier feiten en omstandigheden bevat die erop zouden kunnen duiden dat cliënt een rol heeft gespeeld, ontbreekt het aan hard en direct bewijs op basis waarvan met voldoende zekerheid kan worden gesteld dat client een van die vier overvallers is geweest.
In ieder geval ontbreekt de beslissende schakel dat kan worden vastgesteld dat cliënt een van de overvallers is. Het dossier bevat dan ook onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om te komen tot een bewezenverklaring van het onder feit
1 tenlastegelegde. Standpunt van de verdediging is dat cliënt daarvan dient te worden vrijgesproken.
Belangrijk is dat uit het dossier van een directe betrokkenheid van client bij de overval niet blijkt. Client is door niemand specifiek herkend van de beelden. Op de plaats delict is geen DNA aangetroffen van cliënt.
Er is geen link tussen de vermeende tipgever en cliënt. Er is geen link tussen de aangever en cliënt. Er is geen buit bij cliënt aangetroffen. Er zijn verder geen getuigen of slachtoffers die de naam van cliënt noemen. Tijdens de overval straalt de vermeende gsm van cliënt niet uit op de PD. Kortom er is geen enkele aanwijzing dat cliënt die nacht in dat huis is geweest”.
De verdediging heeft voorts onder meer aangevoerd dat uit de verklaring die de medeverdachte [medeverdachte 1] heeft afgelegd bij de raadsheer-commissaris blijkt dat het niet de verdachte is geweest, maar een andere “vierde man” die samen met de medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] verantwoordelijk is voor de woningoverval in [plaats] .
Van de betrokkenheid van de verdachte blijkt evenmin, dan wel onvoldoende concreet uit de tapgesprekken waarop de medeverdachte [medeverdachte 4] figureert, gelet op de verklaring en uitleg die [medeverdachte 4] daarover heeft gegeven in zijn verklaring bij de raadsheer-commissaris, aldus de verdediging.
De verdachte ontkent verder de persoon te zijn die als “ [naam] ” figureert in een Telegram-gesprek.
Over deze onderdelen van het bewijsverweer van de verdediging overweegt het gerechtshof het volgende.
Het gerechtshof is van oordeel dat hetgeen door de verdachte en de verdediging is aangevoerd wordt weerlegd door de inhoud van de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen. Het gerechtshof heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen - bezien in onderlinge samenhang en in onderling verband met elkaar - en aan de duiding die de rechtbank daar vervolgens aan heeft gegeven in de bewijsoverweging over de woningoverval in [plaats] .
Gelet op die bewijsmiddelen en die bewijsoverweging acht het gerechtshof de verklaring die de medeverdachte [medeverdachte 1] heeft afgelegd bij de raadsheer-commissaris, alsmede de verklaring die de medeverdachte [medeverdachte 4] heeft afgelegd bij de raadsheer-commissaris, niet geloofwaardig, voor zover het betreft de door de verdediging aangevoerde aspecten van de zaak. Het gerechtshof zal die verklaringen daarom niet volgen. Die verklaringen vinden geen ondersteuning in de inhoud van het strafdossier en worden weerlegd door de inhoud van de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen, wederom: in onderlinge samenhang en in onderling verband met elkaar bezien.
Het gerechtshof voegt aan het voorgaande nog toe dat uit de verklaring die de medeverdachte [medeverdachte 4] bij de raadsheer-commissaris aflegde wel een bevestiging vormt van het oordeel dat de verdachte de zogenoemde “ [naam] ” is, zoals de rechtbank heeft overwogen. Toen de raadsheer-commissaris namelijk [medeverdachte 4] confronteerde met een telefoongesprek van 16 december 2022 waarin hij spreekt over de aanhouding en de raadsheer-commissaris hem vroeg wie hij bedoelde met [naam] , antwoordde hij dat [verdachte] is meegenomen. Vervolgens bevestigde hij dat hij [verdachte] op dat moment dus ‘ [naam] ’ noemde.
Ook de ontkenning van de verdachte dat hij degene is die als “ [naam] is aangeduid in Telegram-communicatie acht het gerechtshof ongeloofwaardig, gelet op de inhoud van die Telegram-communicatie, onder meer over beelden die zijn uitgezonden in het programma Opsporing Verzocht, en gelet op de onderzoeksresultaten die betrekking hebben op een door de verdachte gebruikt telefoonnummer.
De enkele omstandigheid dat een communicatiemiddel, zoals een telefoonnummer en/of een Telegram-account, kán zijn gebruikt door andere personen dan de verdachte doet hieraan niet af. Dat is immers een niet meer dan louter theoretische speculatie van de verdediging, die geen concrete ondersteuning vindt in de inhoud van het strafdossier. Het gaat er niet om dat die communicatiemiddelen gebruikt kunnen zijn door anderen, maar of dat daadwerkelijk zo is gebeurd op een voor deze zaak relevant moment. Voor dit laatste ontbreken voldoende concrete aanwijzingen in het strafdossier.
De enkele - door de verdediging aangevoerde - omstandigheid dat het telefoonnummer dat blijkens het strafdossier in gebruik was bij de verdachte nimmer is uitgepeild in de buurt van de plaats delict doet evenmin ter zake. Daaruit blijkt immers niet meer dan dat die telefoon daar toen niet is geweest. Dat houdt niet in dat de verdachte daar dan evenmin is geweest.
De stemherkenning
Het gerechtshof overweegt het volgende over het bewijsverweer van de verdediging dat zich richt tegen het stem vergelijkend onderzoek in de zaak door de verbalisant [verbalisant 1] , dat volgens de verdediging op meerdere punten niet voldoet aan de in jurisprudentie van dit gerechtshof gestelde betrouwbaarheidseisen en eisen van deskundigheid en dat volgens de verdediging dient te leiden tot het uitsluiten van de processen-verbaal van verbalisant [verbalisant 1] van 22 december 2022 en 21 februari 2023 van het bewijs.
Het gerechtshof heeft onderkend dat de nodige behoedzaamheid is geboden bij het toekennen van bewijswaarde aan stemherkenning door een verbalisant. Het volgende is daarbij van belang.
In het opsporingsonderzoek is gebruik gemaakt van het opsporingsmiddel "opnemen van
vertrouwelijke communicatie met een technisch hulpmiddel" (OVC). Dat technische hulpmiddel was in het kader van een lopend politieonderzoek reeds voorafgaande aan het aan de verdachte ten laste gelegde feit aangebracht in de auto van de medeverdachte [medeverdachte 1] . Bij de weergave van de aldus opgenomen en afgeluisterde communicatie heeft de politie beschreven welke stemmen zijn herkend door opsporingsambtenaren. Ten aanzien van deze stemherkenningen zijn ambtsedige processen-verbaal opgemaakt.
Het gerechtshof verwijst naar de conclusie van de advocaat-generaal bij het parket van de Hoge Raad van 7 maart 2023,
ECLI:NL:PHR:2023:274 (https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:PHR:2023:274&keyword=%22ECLI:NL:PHR:2023:274%22)waarin onder meer het volgende is opgenomen:
“Bij de beoordeling van het middel kan het volgende over de redengevendheid van het resultaat van stemvergelijking worden vooropgesteld.
Net als bij het herkennen van gezichten, zijn mensen van nature in staat tot het herkennen van stemmen. “
In onze dagelijkse contacten met vrienden, kennissen en collega’s maken wij immers doorlopend met succes gebruik van die mogelijkheid”, aldus professor [naam] in zijn bijdrage aan het rechtspsychologisch handboek
Routes van het recht(2017).
De mogelijkheid van stemherkenning is een gevolg van het feit dat wat betreft de onderscheidende kenmerken van stemgeluid de variaties
tussenverschillende individuen voldoende groot zijn en de variaties
binnenéén individu voldoende klein. Over de betrouwbaarheid van sprekeridentificatie aan de hand van een stemvergelijking tussen enerzijds de herinnering aan het stemgeluid van een spreker, en anderzijds een aangeboden prikkel, bijvoorbeeld een gesprek in levende lijve, de stem van een spreker over de telefoon of in een geluidsopname, kunnen - zo begrijp ik [naam] - moeilijk algemene uitspraken worden gedaan. De betrouwbaarheid van de herkenning hangt af van veel uiteenlopende systeem- en schattingsvariabelen. Mensen zijn in elk geval geneigd om hun vaardigheid op dat vlak te overschatten. Een belangrijke variabele is wel de mate waarin de luisteraar bekend is met het stemgeluid van de spreker. En hoewel [naam] kritische kanttekeningen plaatst bij sprekeridentificatie door opsporingsambtenaren, merkt hij ook op dat sprekeridentificaties bij het uitluisteren en verbaliseren van de resultaten van telefoontaps, betrekkelijk zelden wordt betwist en dat slechts in een fractie van de gevallen die formeel worden betwist en voor spraakonderzoek zijn aangeboden aan het NFI of TMFI, steun wordt gevonden voor een onjuiste identificatie.”
Blijkens het politieonderzoek in deze zaak gaat het om het resultaat van stemvergelijking door de verbalisant [verbalisant 1] tussen enerzijds het stemgeluid van diverse sprekers dat is vastgelegd in audio-opnames van vertrouwelijke communicatie in een rijdend voertuig (OVC-gesprekken), en anderzijds het stemgeluid van de doelspreker. Voor dat laatste heeft de verbalisant [verbalisant 1] geput uit het feit dat hij de verdachte [verdachte] op de tap(gesprekken) heeft horen praten, waarbij de verdachte meerdere malen zijn achternaam en voornaam heeft genoemd, alsmede het feit dat hij, verbalisant [verbalisant 1] , kort met de verdachte [verdachte] heeft gesproken bij het transport vanaf het cellencomplex te [plaats] naar het cellencomplex te [plaats] . Tijdens het terugluisteren van twee OVC-gesprekken van 12 juli 2022 herkent verbalisant [verbalisant 1] overduidelijk de stem van de verdachte [verdachte] . [1]
De stemherkenning wordt ondersteund door de concrete inhoud van de OVC-gesprekken en is - alhoewel uiterst belangrijk - ook overigens bij lange na niet het enige feit dat redengevend is. De stemherkenning vindt verder verankering in de inhoud van de overige gebezigde bewijsmiddelen.
Voor zover het bewijsverweer er mede toe strekt dat het NFI het betwiste materiaal niet bruikbaar heeft geacht voor een vergelijkend spraakonderzoek met zich brengt dat ook een stemherkenning door verbalisanten niet mogelijk zou zijn, gaat dat verweer er ten onrechte aan voorbij dat een stemherkenning door opsporingsambtenaren van andere aard is dan een forensisch vergelijkend spraakonderzoek waarbij een uitgebreide auditief-akoestische analyse van het betwiste onderzoeksmateriaal met referentiemateriaal
plaatsvindt en waarbij geen beroep wordt gedaan op voorafgaande bekendheid met het stemgeluid van de doelspreker. [2]
Op grond van het bovenstaande, bezien in onderling verband en in samenhang met de inhoud van het overige bewijsmateriaal, acht het gerechtshof de stemherkenning door de verbalisant [verbalisant 1] betrouwbaar en bruikbaar om te kunnen bijdragen aan het bewijs.
De - casuïstische - jurisprudentie waar de raadsman op heeft gewezen geeft het gerechtshof geen aanleiding tot het vormen van een ander oordeel over dit aspect van de strafzaak van de verdachte. Elke strafzaak dient te worden beoordeeld op haar eigen merites.
Feiten 2 en 3
Ter zake van de onder 2 ten laste gelegde woningoverval in [plaats] en de daarmee gepaard gaande wederrechtelijke vrijheidsberoving van de in die woning aanwezige personen (feit 3) heeft de verdediging onder meer het volgende aangevoerd:
“Cliënt ontkent een van de overvallers te zijn. Ondanks (dat) het dossier feiten en omstandigheden bevat die erop zouden kunnen duiden dat cliënt een rol heeft gespeeld, ontbreekt het aan hard bewijs op basis waarvan met volledige zekerheid kan worden gesteld wie de overvallers zijn. In ieder geval ontbreekt de beslissende schakel op basis waarvan met zekerheid kan worden vastgesteld dat cliënt een van de overvallers is. Het dossier bevat dan ook onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om te komen tot een bewezenverklaring van het onder feit 2 en feit
3 tenlastegelegde. Standpunt van de verdediging is dat cliënt daarvan dient te worden vrijgesproken”.
Voor zover de verdediging hiertoe heeft aangevoerd dat het de vraag is in hoeverre de verklaringen die de medeverdachte [medeverdachte 5] heeft afgelegd betrouwbaar en volledig zijn en in hoeverre de verklaringen die de getuige [getuige] heeft afgelegd betrouwbaar zijn, sluit het gerechtshof zich aan bij hetgeen de rechtbank heeft overwogen over de betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte 5] en [getuige] , voor zover die door de rechtbank zijn gebruikt voor het bewijs.
Anders dan de verdediging heeft aangevoerd, ziet het gerechtshof geen aanleiding om te twijfelen aan het gebruiken van Snapchat-communicatie voor het bewijs en aan de duiding die de rechtbank vervolgens aan die Snapchat-communicatie heeft gegeven in de bewijsoverweging over de woningoverval in [plaats] . De enkele omstandigheid dat het door de politie onderzochte Snapchat-account volgens de verdediging door meerdere mensen is gebruikt doet hieraan niet af, mede gelet op de inhoud van de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang en in onderling verband met elkaar bezien.
Uit die bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte behoorde tot de groep van personen die gebruik maakte van het Snapchat-account. Het gaat er niet om dat dit account tevens gebruikt kan zijn door anderen, maar of dat daadwerkelijk zo is gebeurd op een voor deze zaak relevant moment. Voor dit laatste ontbreken voldoende concrete aanwijzingen in het strafdossier.
Anders dan de verdediging heeft aangevoerd, is niet ontlastend voor de verdachte dat de signalementen die door de aangevers zijn gegeven volgens de verdediging op geen enkel punt overeenkomen met de kenmerken van de verdachte. Het gerechtshof stelt vast dat enkel het signalement dat [slachtoffer 1] aan de politie heeft verstrekt met betrekking tot dader 4 is gebruikt voor het bewijs. Van dat signalement - en ook van de signalementen die door [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zijn verstrekt aan de politie - kan niet worden gezegd dat het
op geen enkel puntovereenkomt met de kenmerken van de verdachte [verdachte] .
Evenmin is ontlastend de omstandigheid dat geen DNA van de verdachte is aangetroffen op de buit of op de kleding die bij de woningoverval is gebruikt. Hetgeen de verdediging heeft aangevoerd met betrekking tot de mastgegevens heeft evenmin een voor de verdachte ontlastend karakter. Die enkele omstandigheden doen naar het oordeel van het gerechtshof namelijk niets af aan het overige - voor de verdachte belastende - bewijs, zoals daarvan blijkt uit de inhoud van de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen, wederom: in onderlinge samenhang en in onderling verband met elkaar bezien.
Gelet op het bovenstaande verwerpt het gerechtshof de bewijsverweren van de verdediging.
Overige aanvulling van de bewijsgronden
Het gerechtshof gebruikt ter zake van de feiten 2 en 3 tevens voor het bewijs de integrale inhoud van het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisant [verbalisant 2] van
19 december 2022. [3]
Daaruit blijkt dat de medeverdachte [medeverdachte 5] de persoon met de (bij)naam [bijnaam] kent onder de namen [verdachte] en [verdachte] . Tevens blijkt daaruit dat [medeverdachte 5] in een verhoor heeft verklaard dat er goederen waren achtergebleven in zijn woning aan [adres] in [plaats] waar ze niet aan mochten komen. Daaronder was ook een tasje van [bijnaam] , waarover [naam] , die ook aanwezig was in de woning, nog een grapje maakte. Dit tasje betrof een beige tasje met een soort Schots ruit motief. Op 19 december 2022 keek de verbalisant [verbalisant 2] in de fouillering van verdachte [verdachte] en hij trof daarin aan een beige tasje met een geruit motief (het gerechtshof begrijpt, gelet op de bijgevoegde foto-afdruk op pagina 1181: een Schots ruit motief (tartan).
Verbetering van de bewijsgronden
Het gerechtshof gebruikt, anders dan de rechtbank heeft gedaan, niet voor het bewijs de verklaring die de getuige [getuige] op 2 juni 2023 heeft afgelegd bij de rechter-commissaris (bewijsmiddel 9 bij de feiten 2 en 3, op pagina 34 van het vonnis van de rechtbank). In dit verhoor is [getuige]
uitsluitendals getuige in de zaak van [medeverdachte 5] gehoord. Dit verhoor kan daarom geen bewijs vormen in de zaak van de verdachte.
Het gerechtshof begrijpt het bewijsmiddel van de eigen waarneming van de rechtbank op de zitting (bewijsmiddel 10 bij de feiten 2 en 3, op pagina 34 van het vonnis van de rechtbank) aldus dat de in dat bewijsmiddel als “verdachte” aangeduide persoon is: de medeverdachte [medeverdachte 6] . Dat blijkt namelijk uit de weergave van datzelfde bewijsmiddel in het vonnis in de zaak van de medeverdachte [medeverdachte 5] .
Verbeterde lezing van de kwalificatie
In het vonnis van de rechtbank is het onder 1 bewezen verklaarde feit als volgt gekwalificeerd:
“diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en terwijl de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak”.
Mede gelet op de bewezenverklaring van de rechtbank ter zake van dit feit, waarin het woord “geweld” is gevolgd door “ en bedreiging met geweld” leest het gerechtshof de kwalificatie van feit 1 verbeterd als:
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van gewelden bedreiging met geweldtegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en terwijl de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.
In het vonnis van de rechtbank zijn de onder 2 en 3 bewezen verklaarde feiten als volgt gekwalificeerd:
“Eendaadse samenloop van:
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen
en
medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden.”
Het gerechtshof stelt vast dat de rechtbank ter zake van deze strafbare feiten eendaadse samenloop heeft benoemd in de kwalificatie. Mede gelet op de verschillende rechtsbelangen die worden beschermd door de wetsartikelen ter zake van de hierboven genoemde strafbare feiten, hetgeen duidt op meerdaadse samenloop, zal het gerechtshof de kwalificatie van de feiten 2 en 3 als volgt verbeterd lezen:
Het onder 2 bewezen verklaarde feit levert op:
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Het onder 3 bewezen verklaarde feit levert op:
medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden, meermalen gepleegd.

Oplegging van straf en maatregel

Strafmotivering
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de omstandigheden waaronder die feiten zijn begaan, mede gelet op de persoon van de verdachte, zoals daarvan uit het onderzoek op de zitting is gebleken.
Ten aanzien van de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten heeft het gerechtshof in het bijzonder acht geslagen op:
  • de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;
  • het gegeven dat door de gewelddadige overval in de woning van [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en de daarmee gepaard gaande diefstal financiële schade, grote angst, ernstige overlast en (bij één van de slachtoffers) letsel is veroorzaakt. Bij deze overval is met geweld de deur van de woning opengetrapt en zijn de slachtoffers met vuurwapens bedreigd. Ook is er geweld toegepast en is één van de slachtoffers met tie-wraps vastgebonden op de grond. Vervolgens hebben de verdachten de hele woning doorzocht en hebben zij zeer veel dure goederen, waaronder tassen, riemen, sieraden en horloges en een groot geldbedrag weggenomen. Op het moment van de overval was [slachtoffer 5] zwanger. Uit de door haar op de zitting van de rechtbank
uitgesproken slachtofferverklaring blijkt welke grote gevolgen de overval in hun woning op haar en haar echtgenoot heeft gehad. De slachtoffers zijn in hun woning onder andere met vuurwapens bedreigd door meerdere mannen met gezichtsbedek-king. Voor de slachtoffers is dit uiterst beangstigend geweest. Na de overval hebben zij last gehad van slaapproblemen en ervaarden zij veel spanning. Bovenal is hun gevoel van privacy en veiligheid in hun eigen woning sterk aangetast.
Naar algemeen bekend is, kunnen met name de slachtoffers van een woningoverval hiervan lang nadelige gevolgen ondervinden, nu zij zich in een voor hen vertrouwde omgeving niet langer veilig kunnen voelen. Dit heeft zich ook daadwerkelijk voorgedaan bij de slachtoffers van deze gewelddadige woningoverval, zoals onder meer óók blijkt uit de onderbouwing en de toelichting daarop die door de advocaat van de benadeelde partijen is gegeven ter zake van hun vorderingen tot schadevergoeding. Ook in de omgeving kan een dergelijke woningoverval een grote impact hebben;
  • de omstandigheid dat de verdachte zich daarvan kennelijk geen enkele rekenschap heeft gegeven en heeft gehandeld zonder enig respect voor het welzijn en het eigendomsrecht van een ander;
  • de rol van de verdachte - als medepleger - ter zake van de bewezen verklaarde bijzonder gewelddadige en bedreigende woningoverval aan [adres] in [plaats] (feit 2 subsidiair) en de daarmee gepaard gaande wederrechtelijke vrijheidsberoving van de drie in die woning aanwezige personen (feit 3).
In de woning die in die nacht is overvallen bevonden zich drie personen: te weten [slachtoffer 1] , zijn vriendin [slachtoffer 2] , en zijn moeder [slachtoffer 3] , die destijds
73 jaar oud was. Met het oog op het verkrijgen van de sleutel van een kluis waar veel geld in zou liggen, hebben de overvallers de slachtoffers vastgebonden met duct-tape en tiewraps en urenlang vastgebonden gehouden, bedreigd met een vuurwapen en overgoten met vloeistof onder de bedreiging dat [slachtoffer 1] in brand gestoken zou worden. Uit de op de zitting van de rechtbank door aangever [slachtoffer 2] voorgedragen slachtofferverklaring en uit de onderbouwing van en toelichtingen op de vorderingen tot schadevergoeding blijkt dat de woningoverval veel impact heeft gehad op [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] . Zij hebben doodsangsten uitgestaan en ondervinden nog steeds zeer nadelige psychische gevolgen van de woningoverval. Ze zijn angstig en wantrouwend geworden en voelen zich niet meer vrij en veilig in hun eigen huis.
Naar algemeen bekend is, kunnen met name de slachtoffers van een woningoverval hiervan lang nadelige gevolgen ondervinden, nu zij zich in een voor hun vertrouwde omgeving niet langer veilig kunnen voelen. Dit heeft zich ook daadwerkelijk voorgedaan bij de slachtoffers van deze zeer gewelddadige woningoverval, zoals hierboven nader omschreven. Ook in de omgeving kan een dergelijke woningoverval een grote impact hebben;
 het gegeven dat door de gewelddadige overval in de woning van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] daarnaast financiële schade, ernstige overlast en letsel is veroorzaakt bij de slachtoffers;
  • de omstandigheid dat de verdachte zich daarvan kennelijk geen enkele rekenschap heeft gegeven en heeft gehandeld zonder enig respect voor het welzijn en het eigendomsrecht van een ander;
  • de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Ter zake van het misdrijf van een gewelddadige overval in een woning kan in beginsel - aan de dader - een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren worden opgelegd. Als straf vermeerderende factoren kunnen daarbij in de beschouwing worden betrokken:
- kwetsbare slachtoffers;
- omvang schade;
- (aard en ernst) letsel;
- samenwerkingsverband;
- professionele werkwijze;
- recidive;
- soort wapen/voorwerp.
Met uitzondering van recidive hebben de hierboven genoemde wegingsfactoren in de visie van het gerechtshof een strafverzwarende uitwerking, waarvan met name het dreigen met geweld in de vorm van vuurwapengebruik tegen de destijds zwangere [slachtoffer 5] , alsmede het bedreigen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] met een vuurwapen en het (kennelijk) bedreigen van [slachtoffer 1] met waterboarden dan wel verdrinking en met het dreigen [slachtoffer 1] in brand te steken en het vastbinden en knevelen.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het gerechtshof in het bijzonder acht geslagen op:
  • het de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 27 mei 2025. Daaruit blijkt onder meer dat de verdachte eerder niet is veroordeeld ter zake van het plegen van een soortgelijk delict als de bewezen verklaarde feiten. Wél is hij veroordeeld ter zake van het plegen van andersoortige strafbare feiten, waaronder fraudedelicten, geweldsdelicten en overtredingen van de Wet wapens en munitie en de Opiumwet, welke veroordelingen onherroepelijk zijn;
  • de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.
Het gerechtshof heeft wat betreft de op te leggen strafsoort en hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de straffen die in gevallen vergelijkbaar met de onderhavige zaak
- inclusief de weging van de persoonlijke omstandigheden - worden opgelegd.
Het gerechtshof heeft er tevens rekening mee gehouden dat de bewezen verklaarde feiten de verdachte in verminderde mate toe te rekenen zijn, op grond van de inhoud van de hieronder nader te bespreken rapporten over de persoon van de verdachte.
De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat - in geval van bewezenverklaring van de feiten 1, 2 en 3 én oplegging van een gevangenisstraf in combinatie met de TBS-maatregel - de duur van de gevangenisstraf beperkt zou moeten blijven tot zes jaren. De raadsman van de verdachte heeft in het kader van dit door hem gevoerde strafmaatverweer geen zodanig bijzondere of relevante feiten of omstandigheden aangevoerd dat het gerechtshof de oplegging van de door de raadsman bepleite strafmodaliteit aangewezen acht.
De - casuïstische - jurisprudentie waar de raadsman op heeft gewezen geeft het gerechtshof daar geen aanleiding toe. Zoals eerder genoemd dient elke strafzaak te worden beoordeeld op haar eigen merites.
Ook overigens is het gerechtshof niet gebleken van dergelijke feiten of omstandigheden.
Het gerechtshof heeft tevens gelet op overschrijding van de redelijke termijn in de fase van hoger beroep, nu het gerechtshof niet binnen zestien maanden nadat de verdachte hoger beroep heeft ingesteld tot een uitspraak is gekomen. De overschrijding bedraagt bijna twee maanden. Gezien deze geringe mate van overschrijding zal het gerechtshof - behoudens de constatering van het verzuim - daaraan geen verdere gevolgen verbinden.
Het gerechtshof heeft anderszins wel rekening gehouden met het tijdsverloop, in die zin dat het al ruim 31 maanden geleden is dat de strafbare feiten zich hebben voorgedaan en dat de verdachte in die tijd in onzekerheid heeft verkeerd over de uitkomst van deze strafzaak.
Op grond van het bovenstaande en uit een oogpunt van normhandhaving en vergelding acht het gerechtshof - alles afwegend - passend en geboden de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren, met aftrek van de periode die de verdachte heeft doorgebracht in voorarrest. In de duur van de op te leggen gevangenisstraf heeft het gerechtshof verdisconteerd dat het gerechtshof, zoals hieronder nader uiteengezet, tevens de TBS-maatregel zal opleggen. Dit laatste leidt tot een minder lange duur van de gevangenisstraf dan het gerechtshof zou hebben opgelegd wanneer geen TBS-maatregel zou zijn gevolgd.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Motivering van de TBS-maatregel
Het gerechtshof is van oordeel dat naast de gevangenisstraf de TBS-maatregel moet worden opgelegd. Het gerechtshof stelt voorop dat aan de volgende wettelijke vereisten moet zijn voldaan, wil aan een verdachte op grond van de artikelen 37a en 37b van het Wetboek van Strafrecht (Sr) de maatregel TBS met bevel tot verpleging kunnen worden opgelegd.
In de eerste plaats dient bij de verdachte ten tijde van het begaan van het strafbare feit sprake te zijn van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. Het betreffende feit moet in de tweede plaats een misdrijf zijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, dan wel behoren tot één der misdrijven zoals specifiek in de wet (artikel 37a eerste lid, onder 1 Sr) vermeld. In de derde plaats dient de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel te eisen.
Ten slotte kan een dergelijke maatregel enkel worden opgelegd nadat de strafrechter zich een met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies heeft doen overleggen van ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, waaronder een psychiater, die de verdachte hebben onderzocht.
Het gerechtshof stelt vast dat aan de hierboven genoemde voorwaarden voor oplegging van TBS is voldaan. Het gerechtshof heeft voorts in het bijzonder gelet op de volgende over de verdachte opgemaakte rapporten.
 Het rapport van 27 oktober 2023, opgemaakt door [naam] , psychiater/supervisor, en [naam] , psychiater/supervisant, met als voornaamste onderzoeksbevindingen en conclusies:
Betrokkene lijdt aan een stoornis in het gebruik van cannabis en aan een anderegespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met antisociale trekken.Ten tijde van het ten laste gelegde (indien bewezen) was dat ook het geval.Beïnvloedde de eventuele psychische stoornis, verstandelijke handicap en/of psycho-geriatrische aandoening onderzochte's gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde?Betrokkene ontkent het ten laste gelegde en wil hier verder niet inhoudelijk op ingaan. Wij kunnen hier derhalve geen gefundeerde uitspraken over doen.De vragen vier tot en met zeven kunnen niet onderbouwd beantwoord worden.12. OVERLEG MEDE RAPPORTEUROp 9 en 23 oktober 2023 heeft overleg plaatsgevonden met mede rapporteur, [naam]. Zij gaf aan de bovengenoemde stoornissen ook te zien. De vragenlijsten waren niet per se heel sociaal wenselijk ingevuld en uit het testonderzoek kwam ernstige persoonlijkheidspathologie naar voren. De intelligentie was zeker niet zwakbegaafd. Overwegingen rondom het wel adviseren van wel of geen maatregel is besproken, maar mw. [naam] was nog bezig was met de uitvoering van het onderzoek.
 Het rapport van 13 november 2023, opgemaakt door drs. [naam] , GZ-psycholoog, met als voornaamste onderzoeksbevindingen en conclusies:
Betrokkene is lijdende aan een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische, paranoïde en dwangmatige trekken, alsmede een matige stoornis in cannabisgebruik.Deze stoornissen waren er ook ten tijde van het ten laste gelegde.Waarschijnlijk is dat de antisociale en narcistische kernovertuigingen en leefregels van de verdachte die voortkomen uit diens antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische, paranoïde en dwangmatige trekken, zijn denken, voelen en handelen in enige mate hebben gestuurd.Advies is het ten laste gelegde niet volledig toe te rekenen aan betrokkene.(opmerking gerechtshof: op pagina 24 van haar rapport heeft [naam] dit advies nader geduid als:in verminderde mate toe te rekenen).Er is een hoog recidiverisico voor gewelddadig gedrag, in het geval dat betrokkene geen behandeling en begeleiding krijgt voor zijn persoonlijkheidsproblematiek en verslavingsproblematiek.Er is matig tot hoog recidiverisico bereikbaar, in het geval dat betrokkene zich langdurig laat begeleiden en behandelen.Interventieadvies
Vanuit het hoge recidiverisico en het advies om het tenlastegelegde in verminderde mate toe te rekenen is forensische zorg geïndiceerd met behandeling en begeleiding van de persoonlijkheidsproblematiek en verslavingsproblematiek. Vanuit het ingeschatte hoge risico op recidive met een geweldsdelict is een hoog intensieve aanpak van de risicofactoren voor recidive geïndiceerd vanuit het Risk-Need-Responsivity model dat in de Nederlandse forensische zorg wordt gehanteerd.
Bij deze combinatie van stoornissen is doorgaans een hoge mate van externe structurering van belang om kans van slagen te hebben indien geen sprake is van een zeer sterke intrinsieke motivatie. Bij betrokkene is sprake van een beperkte motivatie tot verandering, al gaf betrokkene weer dat hij pro-sociale plannen heeft voor de toekomst. Tegelijkertijd gaf hij aan dat hij tevreden is met zijn leven, geen problemen ervaart en regels onbelangrijk vindt. Dit onderstreept het belang van een stevige stok achter de deur teneinde betrokkene te blijven motiveren voor verandering. De geschiedenis van betrokkene laat hierbij zien dat betrokkene is gerecidiveerd ten tijde van een voorwaardelijke straf en dat ook een voorwaardelijke straf met een reclasseringstoezicht en vanuit daar ambulante behandelverplichting niet heeft geleid tot het gewenste resultaat.
Naar mening van ondergetekende moet daarom worden gekeken naar een steviger kader dan het kader van een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf.
Hierbij valt te denken aan een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbenemende maatregel (GVM) na een gevangenisstraf, alsook aan een terbeschikkingstelling (TBS). Betrokkene gaf aan dat hij niet onder de indruk is van detentie en regels onbelangrijk vindt. Tijdens de huidige detentie kreeg betrokkene meerdere rapporten voor positieve urinecontroles, bezit van contrabande en verbleef hij in een isoleercel na vermoeden van contrabande op cel. Daarom is ondergetekende van mening dat een GVM met detentie als extra justitiële stok achter de deur mogelijk onvoldoende dreiging voor betrokkene geeft, waardoor de kans beperkt is dat het behandeltraject ditmaal wel slaagt. Omdat behandeling van betrokkene noodzakelijk is om het recidiverisico te verminderen en geen andere alternatieven ter beschikking staan, moet daarom bij betrokkene naar mening van ondergetekende worden gedacht aan het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling.
Ondergetekende heeft overwogen of een terbeschikkingstelling met voorwaarden voldoende druk oplevert om te blijven meewerken aan voorwaarden. Betrokkene zei pro-sociale wensen te hebben voor de toekomst, maar uit geen wens om niet meer in aanraking te komen met justitie. Hij gaf aan de afgelopen jaren vooral genoten te hebben van het leven en zei geen problemen te ervaren. Wanneer gekeken wordt naar het strafblad is betrokkene de afgelopen jaren meermaals in aanraking gekomen met justitie voor een verscheidenheid aan delicten. Daarnaast is betrokkene bekend met het meermaals schenden van voorwaarden en niet nakomen van afspraken. Vanuit de zeer beperkte motivatie van betrokkene om een behandeling te volgen en het ontbreken van ziektebesef en ziekte-inzicht is het hierbij naar mening van ondergetekende niet mogelijk om aan betrokkene de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden op te leggen, omdat de kans van slagen als beperkt wordt ingeschat.
Ondergetekende meent dat de optie van TBS met dwangverpleging de enige optie is om betrokkene te bewegen tot gedragsverandering en daarmee te komen tot het verlagen van het recidiverisico.
Als zodanig adviseert betrokkene tot het opleggen van een TBS met dwangverpleging, waarbij een plaatsing in een dubbeldiagnose kliniek met een hoge zorgintensiteit en met een hoog beveiligingsniveau als passend wordt geschat.
In een actualisering van 20 februari 2025 ter zake van haar bovengenoemde rapport heeft psycholoog [naam] aangegeven geen reden te zien om haar eerdere bevindingen en conclusies te herzien. Dit standpunt heeft zij bevestigd en nader toegelicht op de zitting in hoger beroep van 3 juli 2025. In haar nadere toelichting op die zitting heeft [naam] daarnaast onder meer verklaard dat passend bij de stoornis van de verdachte is dat hij zowel zijn handelingen kan plannen en (volgens planning uitvoeren), als impulsief kan handelen. Dat is in het algemeen zo bij die stoornis, aldus [naam] .
In een actualisering van 20 februari 2025 ter zake van haar bovengenoemde rapport heeft psychiater [naam] aangegeven wél reden te zien om haar eerdere bevindingen en conclusies te herzien. Aanleiding daartoe is dat [naam] in haar tweede onderzoek meer collaterale informatie heeft. Daarnaast bleek de persoonlijkheidspathologie tijdens de gesprekken in het tweede onderzoek forser aanwezig dan tijdens het eerdere onderzoek. Confrontatie met dossierinformatie leverde ofwel ontkenning ofwel bagatellisering van de informatie op. [naam] is daarbij vervolgens in de kern tot dezelfde conclusies gekomen als psycholoog [naam] .
Het gerechtshof acht de hierboven aangehaalde conclusies in de rapporten en de gronden waarop deze berusten navolgbaar en verenigt zich met die conclusies. Op grond van de inhoud van deze rapporten rekent het gerechtshof de verdachte de hiervoor bewezen verklaarde feiten in verminderde mate toe en legt het gerechtshof op de TBS-maatregel.
De - casuïstische - jurisprudentie waar de raadsman op heeft gewezen geeft het gerechtshof geen aanleiding tot het vormen van een ander oordeel over deze aspecten van de strafzaak van de verdachte.
De maatregel van terbeschikkingstelling met een bevel tot verpleging van overheidswege
wordt opgelegd ter zake van de feiten 1, 2 en 3. Deze feiten betreffen telkens misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De totale duur van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.
Het gerechtshof zal op grond van het voorgaande de terbeschikkingstelling van de verdachte gelasten met een bevel tot verpleging van overheidswege.
Vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2]
Anders dan de verdediging heeft aangevoerd, is - gelet op de onderbouwing van de vorderingen door en namens de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] - naar het oordeel van het gerechtshof niet op alle aspecten van de vorderingen van die benadeelde partijen sprake van een onevenredige belasting van het strafgeding. Integendeel: de meeste posten van die vorderingen zijn heel wel te beoordelen en dat zal het gerechtshof hieronder daarom doen.
Aan de verdediging kan wel worden toegegeven dat het bij de gevorderde materiële schade gaat om veel schadeposten, maar dat is op zichzelf niet een onevenredige belasting van het strafgeding. De schadeposten zijn overzichtelijk en voorzien van concrete onderbouwing opgevoerd. De stelling van de verdediging dat de verdachte bij een beoordeling van de vorderingen door het gerechtshof ernstig wordt benadeeld ten opzichte van verdachten die niet in hoger beroep zijn gegaan, kan het gerechtshof niet volgen. Het is notabene de verdachte zelf die de strafzaak en daarmee ook de gehandhaafde vorderingen van de benadeelde partijen aan het gerechtshof ter beoordeling heeft voorgelegd. Wat de uitkomst van de beoordeling door het gerechtshof vervolgens is, behoort dan ook tot een - niet te onderschatten - risico dat de verdachte over zichzelf heeft afgeroepen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

De benadeelde partij [benadeelde partij 1] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van materiële schade ten bedrage van € 79.091,51 en immateriële schade ten bedrage van € 10.000,00. Daarnaast is de wettelijke rente gevorderd.
De vordering is bij het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht deels toegewezen. Deze benadeelde partij heeft zich onverkort en binnen de grenzen van de eerste vordering opnieuw gevoegd in de strafzaak in hoger beroep, waardoor het gerechtshof de gehele vordering opnieuw moet beoordelen.
Met betrekking tot de gevorderde
materiële schadeoverweegt het gerechtshof als volgt.
De door de benadeelde partij opgevoerde schadeposten die zijn terug te voeren op de door hem bij de politie aangeleverde lijst van weggenomen goederen komen naar het oordeel van het gerechtshof voor toewijzing in aanmerking. Het gerechtshof ziet geen reden om te twijfelen aan de juistheid van die opgave bij de politie. Het gaat om een concrete opgave die bovendien wordt ondersteund door zich in het dossier bevindende afgeluisterde gespreken van de verdachten en door de waarneming van verbalisanten die de verdachten op camerabeelden met meerdere tassen zien vertrekken. Het gerechtshof zal die posten, meestal met een correctie wegens afschrijving, toewijzen, uitgaande van de aanschafwaarde.
De reden van dit laatste is dat het er bij schadevergoeding om gaat dat de benadeelde partij zoveel mogelijk in de toestand wordt gebracht waarin deze zou hebben verkeerd indien de schadeveroorzakende gebeurtenis zou zijn uitgebleven.
Met betrekking tot de posten
woning, verhuizing, opslag, beveiliging en aquarium(in totaal € 13.723,15) is het gerechtshof van oordeel dat verdere behandeling van het daarop ziende deel van de vordering zou leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding, omdat beoordeling daarvan een nadere feitelijke onderbouwing van het causale verband zou vergen. De benadeelde partij zal in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. Het betreffende deel van de vordering kan alleen worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.
De post
geldbedrag van € 14.000,00. Het bedrag is door de benadeelde partij aan de politie opgegeven en wordt (zelfs tot een hoger bedrag) ondersteund door afgeluisterde gesprekken. Het gerechtshof zal een bedrag van € 14.000,00 toewijzen.
De post
Macbookvan € 2.348,00 is voldoende concreet onderbouwd. Omdat de Macbook was aangeschaft op 5 november 2021 houdt het gerechtshof rekening met een afschrijving van 10%, zodat wordt toegewezen een bedrag van € 2.113,20.
De post
gestolen designertassen en sieradenis gesplitst verschillende onderdelen:
Louis Vuitton. Het gaat hier om 24 items die blijkens de overgelegde bonnen zijn aangeschaft voor een totaalbedrag van € 23.111,00 in de periode van 1 januari 2020 tot en met 26 maart 2022. Het gerechtshof zal voor de totale post een afschrijving van 15% toepassen, zodat wordt toegewezen een bedrag van € 19.644,35.
Dior. Dit betreft 7 items die blijkens overgelegde bonnen een totale aanschafwaarde van € 10.170,00 hebben en zijn verkregen in maart 2022. Het gerechtshof houdt rekening met een afschrijving van 5% en zal dus toewijzen € 9.661,50.
Cartier (zonne)brillen. Dit betreft 8 brillen waarvan de meeste zijn aangeschaft in 2021.
De totale aanschafwaarde is € 9.181,00. Het gerechtshof houdt rekening met een afschrijvingspercentage van 10, zodat het gerechtshof deze post zal toewijzen een bedrag van € 8.262,90.
Burberry en Gucci tassen en accessoires. Deze post ziet op 4 items met een totaalbedrag van € 2.168,00. De benadeelde partij heeft deze posten niet met aankoopbonnen of andere (betalings)bewijzen onderbouwd. Het gerechtshof zal dit deel van de vordering daarom afwijzen.
Met betrekking tot de gevorderde
immateriële schadestelt het gerechtshof vast dat niet in geschil is dat de benadeelde partij op andere wijze, zoals bedoeld in artikel 6:106 aanhef en onder b BW, in de persoon is aangetast. De aard en ernst van het onder 1 bewezen verklaarde feit en de daarmee gepaard gaande schending van persoonlijkheidsrechten van de benadeelde partij zijn zodanig dat die aantasting kan worden aangenomen.
De benadeelde partij heeft dus recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding. Gevorderd is een bedrag van € 10.000,00. De verdediging heeft naar het oordeel van het gerechtshof in onvoldoende mate dragende inhoudelijke argumenten aangedragen ter betwisting van het door de rechtbank toegewezen bedrag van € 9.500,00. Het gerechtshof zal, net als de rechtbank, een bedrag van € 9.500,00 toewijzen. De benadeelde partij vorderde dit bedrag eerder zelf bij een medeverdachte. Dat er nu een iets hoger bedrag is gevorderd verklaart de benadeelde partij met tijdsverloop, nog altijd voortdurende last van de gevolgen en andere zaken waarin een iets hogere vergoeding zou zijn toegekend. Het gerechtshof gaat hierin niet mee. Wat dan precies zou zijn veranderd, is onvoldoende toegelicht en het tijdsverloop wordt ondervangen door het doorlopen van de wettelijke rente.
Het voorgaande betekent dat het gerechtshof zal toewijzen:
Materiële schade € 53.681,95
Immateriële schade
€ 9.500,00
Totaal € 63.181,95
Uit het onderzoek op de zitting is het gerechtshof aldus voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot voornoemd bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 juli 2022 tot aan de dag van algehele voldoening.
De verdachte is jegens de benadeelde partij niet tot vergoeding van dit bedrag gehouden, voor zover zijn mededader(s) het bedrag reeds heeft/hebben voldaan.
Gelet hierop dient de verdachte, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de hierboven genoemde benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het gerechtshof de maatregel van artikel 36f Sr opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

De benadeelde partij [benadeelde partij 2] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van materiële schade ten bedrage van € 92.247,01 en immateriële schade ten bedrage van € 10.000,00. Daarnaast is de wettelijke rente gevorderd.
De vordering is bij het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht deels toegewezen. Deze benadeelde partij heeft zich onverkort en binnen de grenzen van de eerste vordering opnieuw gevoegd in de strafzaak in hoger beroep, waardoor het gerechtshof de gehele vordering opnieuw moet beoordelen.
Met betrekking tot de gevorderde
materiële schadeoverweegt het gerechtshof als volgt.
De door de benadeelde partij opgevoerde schadeposten die zijn terug te voeren op de bij de politie aangeleverde lijst van weggenomen goederen komen naar het oordeel van het gerechtshof voor toewijzing in aanmerking. Het gerechtshof ziet geen reden om te twijfelen aan de juistheid van die opgave bij de politie. Die lijst bevat ook de door benadeeldes partner vermiste goederen en zoals hiervoor al overwogen, wordt veel daarvan ondersteund door afgeluisterde gesprekken en door een waarneming van verbalisanten. Daar komt nog bij dat de verdachten blijkens de afgeluisterde gesprekken verwachtten een “Rolie” aan te treffen; er zou “zo anderhalve ton aan horloges” zijn.
De post
Bedrijfslocatie(€ 4.212,95) ziet op kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt omdat zij haar bedrijf niet langer op dezelfde plaats durfde uit te oefenen en zij zich daarom genoodzaakt zag haar bedrijf te verhuizen. Het gerechtshof is van oordeel dat verdere behandeling van dit deel van de vordering zou leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding, omdat beoordeling daarvan een nadere feitelijke onderbouwing van het causale verband zou vergen. Nader onderzoek hiernaar zou een aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting vergen. Een dergelijke aanhouding van het onderzoek beschouwt het gerechtshof als een onevenredige belasting van de strafzaak, De benadeelde partij zal in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. Het betreffende deel van de vordering kan alleen worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.
De post
gestolen sieraden en horloges(€ 818,00) is niet onderbouwd met aankoopbewijzen of andere (betalings)bewijzen. Het gerechtshof zal dit deel van de vordering daarom afwijzen.
De post
Rolexis door de benadeelde partij uitvoerig onderbouwd. Allereerst heeft zij een aankoopbewijs overgelegd. Verder heeft de benadeelde partij concreet onderbouwd dat het Rolex horloge toen het van haar werd gestolen een waarde had van € 87.136,06. Het is naar het oordeel van het gerechtshof een feit van algemene bekendheid dat Rolex horloges inderdaad fors in waarde kunnen stijgen.
Tegen de concrete en feitelijke onderbouwing van de waardevermeerdering (toegespitst op exact het type horloge dat de benadeelde partij had gekocht en dat van haar is gestolen) heeft de verdediging niets ingebracht. Daarmee staat voor het gerechtshof vast dat het horloge toen het werd gestolen de gestelde waarde vertegenwoordigde. Het gerechtshof zal daarom een bedrag van € 87.136,06 toewijzen.
Met betrekking tot de gevorderde
immateriële schadestelt het gerechtshof vast dat niet in geschil is dat de benadeelde partij op andere wijze, zoals bedoeld in artikel 6:106 aanhef en onder b BW, in de persoon is aangetast. De aard en ernst van het onder 1 bewezen verklaarde feit en de daarmee gepaard gaande schending van persoonlijkheidsrechten van de benadeelde partij zijn zodanig dat die aantasting kan worden aangenomen. De benadeelde partij heeft dus recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding. Gevorderd is een bedrag van € 10.000,00. De verdediging heeft naar het oordeel van het gerechtshof in onvoldoende mate dragende inhoudelijke argumenten aangedragen ter betwisting van het door de rechtbank toegewezen bedrag van € 9.500,00. Het gerechtshof zal, net als de rechtbank, een bedrag van € 9.500,00 toewijzen. De benadeelde partij vorderde dit bedrag eerder zelf bij een medeverdachte. Dat er nu een iets hoger bedrag is gevorderd verklaart de benadeelde partij met tijdsverloop, nog altijd voortdurende last van de gevolgen en andere zaken waarin een iets hogere vergoeding zou zijn toegekend. Het gerechtshof gaat hierin niet mee. Wat dan precies zou zijn veranderd, is onvoldoende toegelicht en het tijdsverloop wordt ondervangen door het doorlopen van de wettelijke rente.
Het voorgaande betekent dat het gerechtshof zal toewijzen:
Materiële schade € 87.136,06
Immateriële schade
€ 9.500,00
Totaal € 96.636,06
Uit het onderzoek op de zitting is het gerechtshof aldus voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot voornoemd bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 juli 2022 tot aan de dag van algehele voldoening.
De verdachte is jegens de benadeelde partij niet tot vergoeding van dit bedrag gehouden, voor zover zijn mededader(s) het bedrag reeds heeft/hebben voldaan.
Gelet hierop dient de verdachte, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de hierboven genoemde benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het gerechtshof de maatregel van artikel 36f Sr opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]

De benadeelde partij [benadeelde partij 3] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van materiële schade ten bedrage van € 8.465,00 en immateriële schade ten bedrage van € 15.000,00. Daarnaast is de wettelijke rente gevorderd. Ter zitting in eerste aanleg heeft de benadeelde partij zijn vordering ter zake de materiële schade verlaagd naar € 4.232,50.
De vordering is bij het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht deels toegewezen. De benadeelde partij heeft zich binnen de grenzen van de eerste vordering opnieuw gevoegd in de strafzaak in hoger beroep, waardoor het gerechtshof de vordering opnieuw moet beoordelen.
Met betrekking tot de gevorderde
immateriële schadestelt het gerechtshof vast dat niet in geschil is dat de benadeelde partij op andere wijze, zoals bedoeld in artikel 6:106 aanhef en onder b BW, in de persoon is aangetast. De aard en ernst van de onder 2 en 3 bewezen verklaarde feiten en de daarmee gepaard gaande schending van persoonlijkheidsrechten van de benadeelde partij zijn zodanig dat die aantasting kan worden aangenomen.
De benadeelde partij heeft dus recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding.
De raadsman van de verdachte heeft in onvoldoende mate onderbouwd op grond van welke concrete feiten en/of omstandigheden de immateriële schade beperkt zou moeten blijven tot een bedrag van € 12.500,00. De - casuïstische - jurisprudentie waar de raadsman op heeft gewezen geeft het gerechtshof daar geen aanleiding toe. Elke vordering dient te worden beoordeeld op haar eigen merites.
Uit het onderzoek op de zitting is het gerechtshof - mede gelet op de onderbouwing van de vordering - voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder
2 en 3 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot het bedrag van de gevorderde materiële en immateriële schade. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering geheel zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 december 2022 tot aan de dag van algehele voldoening.
Gelet hierop dient de verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de hierboven genoemde benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
De verdachte is jegens de benadeelde partij niet tot vergoeding van dit bedrag gehouden, voor zover zijn mededader het bedrag reeds heeft voldaan.
Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het gerechtshof de maatregel van artikel 36f Sr opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4]

De benadeelde partij [benadeelde partij 4] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van materiële schade ten bedrage van € 8.465,00 en immateriële schade ten bedrage van € 15.000,00. Daarnaast is de wettelijke rente gevorderd. Ter zitting in eerste aanleg heeft de benadeelde partij zijn vordering ter zake de materiële schade verlaagd naar € 4.232,50.
De vordering is bij het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht deels toegewezen. De benadeelde partij heeft zich binnen de grenzen van de eerste vordering opnieuw gevoegd in de strafzaak in hoger beroep, waardoor het gerechtshof de vordering opnieuw moet beoordelen.
Met betrekking tot de gevorderde
immateriële schadestelt het gerechtshof vast dat niet in geschil is dat de benadeelde partij op andere wijze, zoals bedoeld in artikel 6:106 aanhef en onder b BW, in de persoon is aangetast. De aard en ernst van de onder 2 en 3 bewezen verklaarde feiten en de daarmee gepaard gaande schending van persoonlijkheidsrechten van de benadeelde partij zijn zodanig dat die aantasting kan worden aangenomen.
De benadeelde partij heeft dus recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding.
De raadsman van de verdachte heeft in onvoldoende mate onderbouwd op grond van welke concrete feiten en/of omstandigheden de immateriële schade beperkt zou moeten blijven tot een bedrag van € 10.000,00. De - casuïstische - jurisprudentie waar de raadsman op heeft gewezen geeft het gerechtshof daar geen aanleiding toe. Elke vordering dient te worden beoordeeld op haar eigen merites.
Uit het onderzoek op de zitting is het gerechtshof - mede gelet op de onderbouwing van de vordering - voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 en
3 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot het bedrag van de gevorderde materiële en immateriële schade. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering geheel zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 december 2022 tot aan de dag van algehele voldoening.
Gelet hierop dient de verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de hierboven genoemde benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
De verdachte is jegens de benadeelde partij niet tot vergoeding van dit bedrag gehouden, voor zover zijn mededader het bedrag reeds heeft voldaan.
Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het gerechtshof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het gerechtshof heeft gelet op de artikelen 36f, 37a, 37b, 47, 57, 63, 282 en 312 van het Wetboek van Strafrecht. Deze wettelijke voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
9 (negen) jaren.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelast dat de verdachte
ter beschikking wordt gestelden beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 63.181,95 (drieënzestigduizend honderdeenentachtig euro en vijfennegentig cent) bestaande uit
€ 53.681,95 (drieënvijftigduizend zeshonderdeenentachtig euro en vijfennegentig cent) materiële schade en € 9.500,00 (negenduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van
€ 7.796,05 (zevenduizend zevenhonderdzesennegentig euro en vijf cent) bestaande uit
€ 7.296,05 (zevenduizend tweehonderdzesennegentig euro en vijf cent) materiële schade en € 500,00 (vijfhonderd euro) immateriële schadeaf.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 63.181,95 (drieënzestigduizend honderdeenentachtig euro en vijfennegentig cent) bestaande uit € 53.681,95 (drieënvijftigduizend zeshonderdeenentachtig euro en vijfennegentig cent) materiële schade en € 9.500,00 (negenduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 146 (honderdzesenveertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 12 juli 2022.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 96.636,06 (zesennegentigduizend zeshonderdzesendertig euro en zes cent) bestaande uit
€ 87.136,06 (zevenentachtigduizend honderdzesendertig euro en zes cent) materiële schade en € 9.500,00 (negenduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van
€ 1.318,00 (duizend driehonderdachttien euro) bestaande uit
€ 818,00 (achthonderdachttien euro) materiële schade en € 500,00 (vijfhonderd euro) immateriële schadeaf.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 96.636,06 (zesennegentigduizend zeshonderdzesendertig euro en zes cent) bestaande uit
€ 87.136,06 (zevenentachtigduizend honderdzesendertig euro en zes cent) materiële schade en € 9.500,00 (negenduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 157 (honderdzevenenvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 12 juli 2022.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] ter zake van het onder 2 en 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 19.232,50 (negentienduizend tweehonderdtweeëndertig euro en vijftig cent) bestaande uit € 4.232,50 (vierduizend tweehonderdtweeëndertig euro en vijftig cent) materiële schade en
€ 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 3] , ter zake van het onder 2 en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 19.232,50 (negentienduizend tweehonderdtweeëndertig euro en vijftig cent) bestaande uit € 4.232,50 (vierduizend tweehonderdtweeëndertig euro en vijftig cent) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 31 (eenendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 8 december 2022.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] ter zake van het onder 2 en 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 19.232,50 (negentienduizend tweehonderdtweeëndertig euro en vijftig cent) bestaande uit € 4.232,50 (vierduizend tweehonderdtweeëndertig euro en vijftig cent) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 4] , ter zake van het onder 2 en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 19.232,50 (negentienduizend tweehonderdtweeëndertig euro en vijftig cent) bestaande uit € 4.232,50 (vierduizend tweehonderdtweeëndertig euro en vijftig cent) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 31 (eenendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 8 december 2022.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door
mr. L.T. Wemes, voorzitter,
mr. H.J. Deuring en mr. E.W. van Weringh, raadsheren,
in tegenwoordigheid van H. Kingma, griffier,
en op 31 juli 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken

Voetnoten

1.Proces-verbaal van bevindingen van 22 december 2022 van verbalisant [verbalisant 1] , pagina 1303 en verder van het politieonderzoek.
2.Vgl. de conclusie van de advocaat-generaal bij het parket van de Hoge Raad van 19 november 2019, ECLI:NL:PHR:2019:1183.
3.Pagina’s 1180 en 1181 van het politie-onderzoek.