Conclusie
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod" en onder 2 “
medeplegen van: om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden en te bevorderen, zich of een ander gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden en drie weken met aftrek van het voorarrest.
De middelen
De bewijsconstructie van het hof
1. hij op 4 maart 2016 in Nederland opzettelijk heeft vervoerd een hoeveelheid van ongeveer één kilogram van een materiaal bevattende cocaïne.
“Ten aanzien van de feiten 1 en 2
Het beoordelingskader
In onze dagelijkse contacten met vrienden, kennissen en collega’s maken wij immers doorlopend met succes gebruik van die mogelijkheid”, aldus prof. Broeders in zijn bijdrage aan het rechtspsychologisch handboek
Routes van het recht(2017). [2] De mogelijkheid van stemherkenning is een gevolg van het feit dat wat betreft de onderscheidende kenmerken van stemgeluid de variaties tussen verschillende individuen voldoende groot zijn en de variaties binnen één individu voldoende klein. Over de betrouwbaarheid van sprekeridentificatie aan de hand van een stemvergelijking tussen enerzijds de herinnering aan het stemgeluid van een spreker, en anderzijds een aangeboden prikkel, bijvoorbeeld een gesprek in levende lijve, de stem van een spreker over de telefoon of in een geluidsopname, kunnen – zo begrijp ik Broeders – moeilijk algemene uitspraken worden gedaan. De betrouwbaarheid van de herkenning hangt af van veel uiteenlopende systeem- en schattingsvariabelen. Mensen zijn in elk geval geneigd om hun vaardigheid op dat vlak te overschatten. Een belangrijke variabele is wel de mate waarin de luisteraar bekend is met het stemgeluid van de spreker. En hoewel Broeders kritische kanttekeningen plaatst bij sprekeridentificatie door opsporingsambtenaren, [3] merkt hij ook op dat sprekeridentificaties bij het uitluisteren en verbaliseren van de resultaten van telefoontaps, betrekkelijk zelden worden betwist en dat slechts in een fractie van de gevallen die formeel worden betwist en voor spraakonderzoek zijn aangeboden aan het NFI of TMFI, steun wordt gevonden voor een onjuiste identificatie. [4]
(…)zij het dat het hof aan de stemherkenning geen doorslaggevende betekenis heeft toegekend, maar is de bewijswaarde beoordeeld in het licht van de overige – hierna te noemen – feiten en omstandigheden.”). Ik acht ’s hofs oordeel dat de stemherkenning door de verbalisant voldoende betrouwbaar kan worden geacht om te kunnen bijdragen aan het bewijs dan ook niet-onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
“Oplegging van de straf
NJ2017/400 m.nt. Reijntjes, als volgt:
dat hij blijkens de Justitiële Documentatie van 17 mei 2021 in het verleden herhaaldelijk is veroordeeld, ook ter zake van de Opiumwet” is, gelet op het voorgaande, niet zonder meer begrijpelijk. Voormeld uittreksel biedt daarvoor immers geen steun. Het middel klaagt daarover terecht.
Het eerste middel
Slotsom