Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.[geïntimeerde1] ,
[geïntimeerde2] ,
1.De procedure bij het hof
- Een brief van mr. Ibn El Kadi van 17 oktober 2024 met producties, namelijk een video-opname en een transcriptie van het gesprek met mevr. [naam1]
- Een conclusie na getuigenverhoor van de dochter en een antwoordmemorie na getuigenverhoor van de zoon
- Een brief van mr. Ibn El Kadi van 5 december 2024
2.De kern van de zaak
3.Het oordeel van het hof
U vraagt mij waarom mevrouw zoveel vertrouwen in mij had. Dat heb ik nooit aan haar gevraagd, ik kan alleen maar zeggen dat ik haar al vanaf eind jaren 70 ken. Een vertrouwensband bouw je op. Of ik een persoonlijke band met haar had? Ik heb altijd een behoorlijke afstand gehouden, dat wilde ik zelf ook. Ik heb al die jaren een zakelijke band gehad met mevrouw, maar ook met haar zoon en haar dochter en met [naam6] , de man van [appellante] . Ik was accountant van alle drie, mijn kantoor deed werkzaamheden zoals jaarstukken opmaken, adviseren en aangiftes doen, maar ik onderhield de contacten. Als je dat niet zakelijk houdt, dan werkt het niet goed. Ik kwam niet bij iedereen op alle verjaardagen. Alleen de laatste jaren feliciteerde ik mevrouw wel met haar verjaardag, omdat ik het belangrijk vond om die aandacht aan haar te besteden.
U vraagt mij of ik nu nog een zakelijke band heb met [de zoon] . Nee, die is 4 jaar terug geëindigd, in 2020 dus. Met welk doel ik bij erflaatster kwam -2016, 2017- dat was om haar bij te staan bij zakelijke dingen, een stukje adviseren en ook de aangifte IB. De fiscalist van [appellante] en [naam6] , een naamgenoot van meester De Weerd, wilde een schenking realiseren. Ook het CAK speelde een rol bij de eigen bijdrage, die bewoners in een verzorghuis moeten betalen.
Op de vraag of ik reden had om te vermoeden dat mevrouw [naam2] onder druk werd gezet om aan [de zoon] te schenken: nee, dat vermoeden heb ik niet.
U vraagt mij hoe mijn moeder zich voelde over de schenking die zij in december 2017 had gedaan: ze voelde zich opgelucht, omdat ze vond dat ze iets moest doen om ons te bedanken. Ze voelde het als een soort van ereschuld. Ze heeft zelfs aan mijn vrouw gemeld dat het een pak van haar hart was, en dat ze blij was dat ze het had gedaan.
De geestestoestand van mijn schoonmoeder in de periode voor de schenking in 2017 zou ik omschrijven als: heel kien, dit totdat ze veel blaasontsteking kreeg. Als ze een blaasontsteking kreeg was ze warriger, als het over was dan was ze weer helder van geest. Ik kan niet meer precies zeggen wanneer ze die blaasontstekingen had. [de zoon] en ik gingen altijd met ons twee naar haar toe. Eén keer niet, toen moest [de zoon] geopereerd worden. We hebben ook wel eens onze kleinzoon meegenomen en dat vond ze erg leuk. De laatste drie maanden van haar leven zijn we wel twee keer in de week naar haar toe gegaan. In die tijd zat ze alleen maar in haar stoel en kon ze de radio niet eens meer bedienen. Later lag ze alleen maar op bed.
(…) of ik nu per e-mail uitgenodigd was door [geïntimeerde2] om te tekenen nadat [de zoon] en mijn schoonmoeder de schenkingsovereenkomst hadden getekend: nee, zo is het niet gegaan. Mam en [geïntimeerde2] hadden al getekend en de vraag was of ook [de zoon] en ik een handtekening wilden zetten. Nadat dat mailtje van [geïntimeerde2] binnenkwam, heeft [de zoon] een kopie uitgedraaid en hebben wij allebei getekend. Of ik weet waarom ik werd uitgenodigd om te tekenen? Mijn schoonmoeder zei altijd dat het voor ons tweeën was.
2. BENOEMING GEVOLMACHTIGDE
vermogensrechtelijke handelingeneindigt
: ‘De vraag of een volmacht is verleend en, zo ja, met welke inhoud, dient te worden beantwoord aan de hand van de maatstaven van art. 3:33 en Pro 3:35 BW. Het komt daarbij derhalve aan, kort gezegd, op hetgeen partijen (de volmachtgever en de gevolmachtigde) over en weer hebben verklaard en over en weer uit elkaars gedragingen en verklaringen hebben mogen begrijpen, waarbij in het bijzonder van belang is de verklaring of gedraging waarbij de volmacht is verleend’, terwijl bij een opdracht of last aansluiting gezocht moet worden bij het zogenaamde Haviltexcriterium. Dat laatste is hier minder van belang, omdat uit het levenstestament geen positieve
verplichtingtot het doen van een gift op grond van een last blijkt. Verder is van belang dat het opstellen van een levenstestament op een bepaald moment niet uitsluit dat de volmachtgever
nadienzijn of haar wensen en verlangens aanvult door middel van (stilzwijgende of uitdrukkelijke) verklaringen richting de vertrouwenspersoon en dat die wensen en verlangens een richtsnoer kunnen zijn voor het handelen van de vertrouwenspersoon.
ijze van verdeling van de nalatenschap dan wel beheersregeling