Verzoeker was toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (wsnp) bij vonnis van 9 april 2024. De rechtbank beëindigde de regeling tussentijds op 30 juni 2025 wegens benadeling van schuldeisers, het ontstaan van nieuwe schulden en schending van de inlichtingenplicht. Verzoeker ging hiertegen in hoger beroep met het verzoek om vernietiging van het vonnis of verlenging van de regeling.
Tijdens de procedure bleek dat verzoeker impulsief had gehandeld door werkzaamheden te verrichten in ruil voor een oude keuken, zonder dit aan de bewindvoerder te melden, waardoor schuldeisers werden benadeeld voor een bedrag van €3.000. Ook was sprake van een vaststellingsovereenkomst met zijn voormalige werkgever die leidde tot een lager inkomen en minder afdracht aan de boedel, wat een benadeling van €1.276 opleverde. Daarnaast had verzoeker zijn inlichtingenplicht niet volledig nageleefd.
Het hof erkent dat deze tekortkomingen een tussentijdse beëindiging van de regeling rechtvaardigen, maar acht de bijzondere omstandigheden – het impulsieve handelen door een aandoening en het ontbreken van professionele hulp – reden om verzoeker een laatste kans te bieden. Verzoeker heeft inmiddels een stabiele situatie en is bereid zijn verplichtingen na te komen.
Het hof verlengt daarom de looptijd van de schuldsaneringsregeling met negen maanden tot uiterlijk 9 juli 2026, of korter als de boedelachterstand van €4.276 wordt ingelopen. Verzoeker moet zich strikt houden aan zijn verplichtingen en professionele hulp inschakelen voor zijn aandoening. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank vernietigd.