Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
12 juli 2024.
Hoge Raad
De schuldenares is in 2020 toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling met een looptijd van drie jaar. Na afloop van deze termijn verleende de rechtbank geen schone lei vanwege toerekenbare tekortkomingen. Het hof verlengde vervolgens de regeling met 24 maanden en bepaalde dat de schuldenares gedurende de verlenging alleen het bewindvoerderssalaris hoefde te betalen totdat de boedelachterstand was ingelopen, waarna de reguliere afdrachtverplichting weer zou gelden.
De Hoge Raad oordeelt dat de verlenging van de regeling en de daarbij geldende verplichtingen niet beperkt hoeven te zijn tot het ongedaan maken van de tekortkomingen, maar ook rekening mogen houden met het belang van de schuldeisers. Het hof heeft echter nagelaten een evenwichtige motivering te geven over de hoogte van de afdrachtverplichting tijdens de verlenging, vooral wanneer het inkomen boven het vrij te laten bedrag aanzienlijk hoger is dan het in het aflossingsplan genoemde bedrag.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof Amsterdam en verwijst de zaak naar het hof Den Haag voor een nieuwe beoordeling waarbij een zorgvuldige afweging tussen de belangen van schuldenares en schuldeisers moet worden gemaakt. De schuldenares blijft verplicht zich aan alle overige verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling te houden.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof Amsterdam en verwijst de zaak naar het hof Den Haag voor herbeoordeling van de verlenging en afdrachtverplichting.