De betrokkene stelde hoger beroep in tegen een beslissing van de kantonrechter inzake een sanctie opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De advocaat-generaal vernietigde de inleidende beschikking, waardoor de betrokkene zijn beoogde resultaat behaalde. Hierdoor verklaarde het hof het hoger beroep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang.
Het geschil betrof ook de toekenning van een proceskostenvergoeding. Het hof volgde het arrest van de Hoge Raad van 24 juni 2025, waarin werd verduidelijkt dat de vermenigvuldigingsfactor uit artikel 13a, tweede lid, van de Wahv alleen niet toegepast wordt in bijzondere gevallen waarbij het bedrijfsmodel van de gemachtigde voldoet aan specifieke kenmerken zoals no cure no pay en overcompensatie van proceskostenvergoeding.
De gemachtigde van de betrokkene voerde aan dat zijn werkelijke kosten de standaardvergoeding ruimschoots overstijgen en verzocht om individuele beoordeling zonder toepassing van de factor. Het hof oordeelde echter dat het bedrijfsmodel niet aannemelijk was gemaakt en dat de factor daarom wel toegepast moest worden. Uiteindelijk werd een proceskostenvergoeding van €606,94 toegekend aan de betrokkene.
Het arrest werd gewezen door mr. Wijma en uitgesproken in een openbare zitting te Leeuwarden op 11 september 2025.