ECLI:NL:GHARL:2025:5865

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
24 september 2025
Publicatiedatum
24 september 2025
Zaaknummer
Wahv 200.352.077/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
artikel 13a, tweede lid, Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen proceskostenvergoeding in Mulderzaak wegens snelheidsovertreding

De betrokkene werd bij een inleidende beschikking gesanctioneerd voor 30 km/u te hard rijden op een autosnelweg buiten de bebouwde kom. De kantonrechter wijzigde de feitcode naar 26 km/u te hard rijden en stelde de sanctie vast op €276,00. De betrokkene stelde hoger beroep in tegen de toegewezen proceskostenvergoeding, omdat de kantonrechter een te lage wegingsfactor (0,25) toepaste in plaats van 0,5 zoals gebruikelijk in Mulderzaken.

Het hof oordeelde dat de kantonrechter onvoldoende had gemotiveerd waarom de zaak een lagere wegingsfactor verdiende, aangezien de zaak zich niet onderscheidde van andere Mulderzaken. Het hof vernietigde daarom het besluit over de proceskostenvergoeding en stelde deze vast op €833,69, waarbij het de juiste wegingsfactoren toepaste voor de verschillende proceshandelingen.

De beslissing benadrukt het belang van een zorgvuldige motivering bij het bepalen van de proceskostenvergoeding en bevestigt de vaste jurisprudentie rondom de wegingsfactor in Mulderzaken. De advocaat-generaal werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten aan de betrokkene.

Uitkomst: Het gerechtshof stelt de proceskostenvergoeding vast op €833,69 en vernietigt het eerdere besluit van de kantonrechter.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.352.077/01
CJIB-nummer
: 257844520
Uitspraak d.d.
: 24 september 2025
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Limburg van 22 november 2024, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats 2] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard, de feitcode en de omschrijving van de gedraging gewijzigd in “WM026 - 26 kilometer per uur harder rijden dan mag op een autosnelweg buiten de bebouwde kom” en de sanctie vastgesteld op een bedrag van € 276,00. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 542,75.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 334,- voor: “WM030 - 30 km per uur harder rijden dan mag op een autosnelweg buiten de bebouwde kom (verkeersbord A1)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 12 mei 2023 om 08.50 uur op de Rijksweg A2 in Weert met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De kantonrechter heeft de feitcode en de omschrijving van de gedraging gewijzigd in
“WM026 - 26 kilometer per uur harder rijden dan mag op een autosnelweg buiten de bebouwde kom” en de sanctie vastgesteld op een bedrag van € 276,00.
3. In hoger beroep voert de gemachtigde van de betrokkene aan dat de kantonrechter bij de toekenning van een proceskostenvergoeding ten onrechte de wegingsfactor 0,25 in plaats van 0,5 heeft toegepast.
4. De kantonrechter heeft in dit verband, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 9 september 2022 [1] , overwogen dat gelet op de geringe bewerkelijkheid en complexiteit van de zaak in combinatie met het geringe financiële belang de wegingsfactor 0,25 (zeer licht) wordt toegepast.
5. De betrokkene is met de wijziging van de feitcode en het sanctiebedrag inhoudelijk (gedeeltelijk) in het gelijkgesteld. De kantonrechter heeft terecht een proceskostenvergoeding toegekend. Met betrekking tot de hoogte daarvan overweegt het hof dat het uitgangspunt is dat de wegingsfactor van een Mulderzaak waarbij de betrokkene inhoudelijk in het gelijk wordt gesteld 0,5 (gewicht van de zaak = licht) is.
6. Het begrip ‘gewicht van de zaak’ dient te worden opgevat als het belang en de ingewikkeldheid van de in administratief beroep of in de (hoger) beroepsfase als geheel voorliggende geschilpunten. Daarbij dient te worden gekeken naar de aard van de zaak, waaronder begrepen het soort zaak, de omvang van het dossier en het onderwerp van geschil. Het gaat daarbij - met het oog op een uniforme en voorspelbare toepassing van het recht - om het gewicht van een zaak, zoals deze zich doorgaans voordoet. De meeste Mulderzaken zijn feitelijk en juridisch gezien vrij eenvoudig van aard. Dit komt tot uitdrukking in vorengenoemde vaste jurisprudentie in Mulderzaken. [2]
7. Naar het oordeel van het hof heeft de kantonrechter onvoldoende gemotiveerd waarom een wegingsfactor van 0,25 wordt toegepast. Uit de motivering van de kantonrechter blijkt niet waarom de onderhavige zaak zich onderscheidt van andere Mulderzaken, waarin de wegingsfactor 0,5 is. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen voor zover daarbij is beslist op het verzoek om een proceskostenvergoeding, en doen wat de kantonrechter had behoren te doen.
8. Aan het indienen van het administratief beroepschrift en het beroepschrift bij de kantonrechter dienen twee punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 647,- en voor het beroep € 907,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Omdat zowel de inleidende beschikking als de beslissing van de officier van justitie zijn bekendgemaakt voor 31 december 2023, past het hof op deze proceshandelingen niet de factor, genoemd in artikel 13a, tweede lid, van de Wahv (nieuw) toe.
9. De proceskosten in hoger beroep komen eveneens voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het hoger beroepschrift dient één punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het beroep € 907,-. In deze fase, waarin de betrokkene slechts in het gelijk wordt gesteld voor wat betreft de hoogte van de proceskostenvergoeding, wordt de wegingsfactor 0,25 (gewicht van de zaak = zeer licht) toegepast. Nu de beslissing van de kantonrechter na 31 december 2023 is bekendgemaakt en gelet op het bepaalde in het arrest van dit hof van 11 september 2025 [3] wordt het bedrag van de in hoger beroep gemaakte kosten op grond van artikel 13a, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wahv vermenigvuldigd met factor 0,25.
10. Het hof zal de advocaat-generaal, gelet op het voorgaande, aldus veroordelen in de proceskosten tot een bedrag van in totaal € 833,69 (= (1 x € 647,- x 0,5) + (1 x € 907,- x 0,5) + ( 1 x € 907,- x 0,25 x 0,25)).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter, voor zover daarbij is beslist op het verzoek om een proceskostenvergoeding;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 833,69.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van Swart als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.

Voetnoten

2.vgl. het arrest van het hof van 20 juni 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4173