ECLI:NL:GHARL:2025:6357

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
14 oktober 2025
Publicatiedatum
14 oktober 2025
Zaaknummer
200.321.538
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Verwijzing na Hoge Raad
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Eindarrest na verwijzing van de Hoge Raad inzake rekening- en verantwoordingsplicht tussen Fuera Internacional S.A. en Greenway Finance B.V. en Greenway Consultancy B.V.

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 14 oktober 2025 een eindarrest gewezen na verwijzing door de Hoge Raad. De zaak betreft een geschil tussen Fuera Internacional S.A., een vennootschap naar Colombiaans recht, en de Nederlandse vennootschappen Greenway Finance B.V. en Greenway Consultancy B.V. over de rekening- en verantwoordingsplicht met betrekking tot de samenwerking bij de verwerking van risicovol afval in Afrika. Fuera Internacional S.A. had hoger beroep ingesteld tegen eerdere uitspraken van de rechtbank Zeeland-West-Brabant en het gerechtshof 's-Hertogenbosch. Het hof heeft vastgesteld dat partijen een samenwerkingsovereenkomst hadden waarbij de winst uit projecten gelijkelijk zou worden verdeeld, terwijl verliezen voor rekening van Greenway c.s. zouden komen. Het hof heeft geoordeeld dat Fuera Internacional S.A. niet voldoende bewijs heeft geleverd dat Greenway c.s. hun verplichtingen niet zijn nagekomen. De vorderingen van Fuera Internacional S.A. zijn afgewezen, met uitzondering van een bedrag dat Greenway c.s. aan Fuera Internacional S.A. verschuldigd zijn, dat is verrekend met een tegenvordering van Greenway Consultancy. Het hof heeft de proceskosten ten laste van Fuera Internacional S.A. gesteld, aangezien zij grotendeels in het ongelijk is gesteld.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.321.538/01
zaaknummer Hoge Raad: 21/03702, gerechtshof 's-Hertogenbosch: 200.274.866/01,
rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg: 350240
arrest na verwijzing van 14 oktober 2025
gewezen
in de hoofdzaakvan
de vennootschap naar Colombiaans recht
Fuera Internacional S.A.,
die is gevestigd in Bogotá, D.C. (Colombia),
die hoger beroep heeft ingesteld,
en bij de rechtbank optrad als eiseres in conventie, verweerster in reconventie,
hierna:
FISA,
advocaat: mr. J.A. van de Hel, die kantoor houdt in Amsterdam,
tegen

1.[geïntimeerde1] ,

die woont in [woonplaats1] ,
2.
Greenway Finance B.V.,
3.
[geïntimeerde3] Greenway Consultancy B.V.,
die zijn gevestigd in Rhoon, gemeente Alblasserwaard,
4.
Fuera International B.V.,
die is gevestigd in Bergen op Zoom,
geïntimeerden,
die bij de rechtbank optraden als gedaagden in conventie, en gedaagde sub 3 als eiseres in reconventie,
hierna gezamenlijk:
[geïntimeerde1] c.s.,
advocaat: mr. O.L. van der Pol, die kantoor houdt in Haarlem.

1.Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
Voor het verloop van de procedure in hoger beroep verwijst het hof naar zijn tussenarrest van 27 augustus 2024. [1] Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
  • de akte na (tussen)arrest van [geïntimeerde1] c.s. van 17 september 2024
  • de akte na tussenarrest van FISA van 3 december 2024
  • de akte overlegging nadere producties van [geïntimeerde1] c.s. van 8 september 2025
  • de akte overlegging aanvullende productie van FISA van 24 september 2025
  • de brief van FISA van 11 september 2025 waarbij de ontbrekende producties (45-47) behorende bij de akte van FISA na tussenarrest alsnog zijn overgelegd
  • het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 24 september 2025 is gehouden.
1.2.
Na afloop van de mondelinge behandeling hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen en heeft het hof een datum voor arrest bepaald.

2.De verdere beoordeling van het geschil

Het resterende geschilpunt
2.1.
Voor een goed begrip van dit eindarrest memoreert het hof dat in het tussenarrest van 27 augustus 2024 onder meer het volgende is vastgesteld en beslist ten aanzien van hetgeen tussen partijen heeft plaatsgevonden.
2.2.
FISA stelde haar internationaal erkende kwalificaties in het transport van risicovol afval ter beschikking, waaronder haar (algemene aansprakelijkheids-)verzekering alsmede de ISO-certificaten op haar naam. [geïntimeerde1] c.s., ervaren in verwerking van gevaarlijk afval, brachten hun referentieprojecten en hun relaties met eventuele opdrachtgevers uit hun (omvangrijke) netwerk in Afrika in. Zo zijn partijen met elkaar gaan samenwerken bij de inschrijving op aanbestedingen in Afrika voor de verwerking van risicovol afval. Dit heeft geleid tot de contracten met CBA en Zesco, waarbij [geïntimeerde1] c.s. als uitvoerders de vrije hand kregen van FISA. Per project zou de winst 50/50 worden verdeeld (50% als beloning voor FISA’s inbreng). Eventuele verliezen zouden volledig bij [geïntimeerde1] c.s. blijven.
2.3.
Het hof had nadere informatie nodig om te kunnen beoordelen of [geïntimeerde1] c.s. eventuele met de projecten behaalde winsten tegen de afspraken in hebben nagelaten aan FISA af te dragen. Ter begroting van de aanspraak van FISA op haar deel van de eventuele winst, is daarom aan [geïntimeerde1] c.s. opgedragen het hof te voorzien van een met facturen onderbouwd overzicht van de kosten die zij stellen te hebben gemaakt bij de uitvoering van de projecten, resulterend in twee berekeningen waarbij de kosten in mindering worden gebracht op de ontvangen betalingen en die daarmee als resultaat een verlies dan wel een bedrag aan winst weergeven.
2.4.
[geïntimeerde1] c.s. hebben aan die opdracht voldaan bij akte na tussenarrest. FISA heeft daarop gereageerd bij haar akte na tussenarrest. Partijen hebben vervolgens bij akte nadere producties ingediend en hun standpunten tijdens de mondelinge behandeling nader toegelicht.
2.5.
Het hof zal beslissen dat de vorderingen van FISA worden afgewezen en dat FISA nog een bedrag is verschuldigd aan Greenway Consultancy. Hierna licht het hof dit oordeel toe, waarbij het hof opmerkt dat het ook in het vervolg ter zake van enige aansprakelijkheid van [geïntimeerde1] c.s., net zoals [geïntimeerde1] c.s. zelf in de stukken hebben gedaan, geen onderscheid zal maken ten aanzien van FISA’s wederpartij(en) en simpelweg zal uitgaan van (hoofdelijkheid van) [geïntimeerde1] c.s.
De beoordeling
2.6.
Ter beantwoording van de vraag of [geïntimeerde1] c.s. tegen de afspraken in hebben nagelaten winst aan FISA af te dragen, en zo ja, welk bedrag, hebben [geïntimeerde1] c.s. na het tussenarrest rekening en verantwoording afgelegd ter zake van de kosten die in mindering moeten worden gebracht op de door CBA en Zesco betaalde bedragen.
2.7.
Het hof stelt voorop dat de reikwijdte van de rekening- en verantwoordingsplicht afhangt van de rechtsverhouding tussen [geïntimeerde1] c.s. en FISA en de omstandigheden van het geval.
2.8.
In dat verband acht het hof relevant dat tussen partijen sprake was van een samenwerkingsovereenkomst waarbij [geïntimeerde1] c.s. de vrije hand kregen in de uitvoering van de projecten. De winst zou bij helfte met FISA worden gedeeld, terwijl eventuele verliezen voor rekening van [geïntimeerde1] c.s. zouden blijven. Dat er daarbij (specifieke) afspraken zijn gemaakt ter zake van, bijvoorbeeld, het tijdstip en de wijze van afleggen van rekening en verantwoording is gesteld noch gebleken. Pas in oktober 2017 – naar aanleiding van het
due diligenceonderzoek ten behoeve van de in FISA geïnteresseerde Chinese partij(en) – verlangde FISA een indicatie van [geïntimeerde1] c.s. van de opbrengst van de projecten. Die ‘verantwoording’ was daarmee klaarblijkelijk extern gemotiveerd en dus niet gebaseerd op eerdere afspraken tussen partijen en verwachtingen daarover van FISA; tussen partijen verliepen de zaken tot die tijd immers (juist) informeel, zoals uiteengezet in het tussenarrest.
2.9.
Op 1 november 2017 heeft [geïntimeerde1] per e-mail een indicatie gegeven van de winst in het CBA-project: “
Amigo, this is at deepest we could get. If your edgy (…) friends want to verify the invoices they are very welcome to visit and inspect. General speaking:
Revenue incl local invoicing Euro 702.336
Cash Out costs as per administration Euro 622.369
Gross Margin +/- Euro 80.000
The Gross margin is excl on site and project management.
Pls confirm receipt of: Local invoices[etc., hof]
.
Hope this will do (…).”
2.10.
[geïntimeerde1] heeft eveneens – volgens FISA ook in november 2017 – een indicatie gegeven van hoe het Zesco-project er toen voor stond. Uit het dossier noch anderszins is gebleken dat FISA op een ander moment om verdergaande rekening en verantwoording heeft verzocht. Met de eerste beslaglegging door FISA in juni 2018 werd de zaak vervolgens op scherp gezet. Ten aanzien van het Zesco-project geldt dat dat project nog in uitvoering was tot na de eerste beslaglegging in juni 2018 door FISA ten laste van [geïntimeerde1] c.s., waardoor van enige eindafrekening voor die tijd (in ieder geval) geen sprake kan zijn geweest.
2.11.
De mate van gedetailleerdheid en onderbouwing van de rekening en verantwoording die FISA thans in deze procedure verlangt van [geïntimeerde1] c.s. verdraagt zich niet met de (informele) aard van de samenwerking, zoals hiervoor omschreven. Dat verdraagt zich ook niet met de aanvankelijke stellingname van FISA jegens [geïntimeerde1] c.s. in 2018, dat het door [geïntimeerde1] c.s. gerealiseerde resultaat op deze contracten voor de omvang van FISA’s vordering niet relevant is ‘omdat FISA de werkzaamheden op haar eigen wijze, zoveel mogelijk met eigen mensen, materieel en contacten zou hebben uitgevoerd’.
2.12.
Op grond van deze feiten en omstandigheden kan FISA niet worden gevolgd waar zij stelt dat de rekening- en verantwoordingsplicht van [geïntimeerde1] c.s. (nog) verder reikt dan op de wijze waarop [geïntimeerde1] c.s. deze thans in deze procedure hebben vervuld. Dat [geïntimeerde1] c.s. een aantal facturen niet in hun administratie hebben kunnen terugvinden maakt het voorgaande niet anders, en betekent ook niet dat [geïntimeerde1] c.s. niet hebben voldaan aan de opdracht van het hof in het tussenarrest.
2.13.
FISA heeft niet zozeer het
bestaanvan de door [geïntimeerde1] c.s. opgevoerde kostenposten betwist, maar de hoogte ervan alsmede de relatie met het CBA- respectievelijk het Zesco-project. Gelet op wederom de aard van de rechtsverhouding tussen partijen en de omstandigheden van het geval, kan het feit dat het voor [geïntimeerde1] c.s. jaren na dato niet meer steeds nauwkeurig valt toe te lichten dat bepaalde kosten zijn gemaakt binnen het betreffende project en dat de hoogte van de kosten was ingegeven door noodzaak, hun niet worden aangerekend. Aan betwistingen van FISA inhoudende dat zij niet kan uitsluiten dat er kosten niet kloppen omdat zij zelf niet alles precies kan controleren aan de hand van de administratie van [geïntimeerde1] c.s. gaat het hof daarom voorbij. [geïntimeerde1] c.s. hebben de relatie van de kosten met het CBA- respectievelijk het Zesco-project alsmede de hoogte ervan, mede gezien de omstandigheden van het geval, afdoende onderbouwd en FISA heeft deze onvoldoende weersproken. Dit geldt ook voor de inzet van met name de heer [persoon1] door [geïntimeerde1] c.s. ter plaatse. FISA overvraagt [geïntimeerde1] c.s. in hun rekening- en verantwoordingsplicht, waar zij meent dat zonder overlegging van een arbeidsovereenkomst de grondslag voor betaling van loon aan [persoon1] moet worden geacht te hebben ontbroken. [persoon1] heeft in zijn schriftelijke verklaring en ter zitting uitvoerig toegelicht wat zijn rol en betrokkenheid inhielden. FISA is in reactie daarop tekortgeschoten in haar stelplicht ter zake van de loonkosten en andere gestelde tekortkomingen van de zijde van [geïntimeerde1] c.s., de schriftelijke verklaring van de heer [persoon2] ten spijt. [persoon2] grijpt overigens ook deels terug op zijn eerdere rapport, waarvan het hof bij tussenarrest (r.o. 5.30) heeft geoordeeld dat het niet kan dienen ter onderbouwing van nog af te dragen winstaandelen. De gestelde verwachtingen van FISA over redelijke kosten van uitvoering van de projecten in Afrika (waar de expertise van FISA nu juist niet lag) doen ook onvoldoende af aan de met facturen onderbouwde kostenopgaven van [geïntimeerde1] c.s. Dit geldt in het bijzonder waar FISA pas in deze procedure klaagt dat voor haar niet is na te gaan of de reis- en verblijfkosten (van met name [persoon1] ) ter onderbouwing waarvan [geïntimeerde1] c.s. facturen, bonnetjes, creditcardafschriften en handgeschreven aantekeningen van luchtvaartmaatschappijen, hotels, autoverhuurdiensten, taxi's, hotelbars en etablissementen heeft overgelegd, zijn gemaakt in verband met het CBA-contract. Dit geldt evenzo voor de fiscale advieskosten en voor de vervoerskosten. Door ter zake van al die kosten (naast de overgelegde facturen ook nog) overlegging van de onderliggende opdrachtbevestiging of overeenkomst te verlangen, overvraagt FISA [geïntimeerde1] c.s. en miskent zij haar eigen stelplicht op het punt van enige tekortkoming van [geïntimeerde1] c.s. in de nakoming van hun samenwerkingsovereenkomst, in het licht waarvan de rekening- en verantwoordingsplicht van [geïntimeerde1] c.s. moet worden bezien.
2.14.
Dat [geïntimeerde1] c.s. voorts een factuur dubbel hebben geboekt door deze niet alleen toe te rekenen aan het Zesco-project maar deels ook aan het CBA-project, is door [geïntimeerde1] c.s. ter zitting afdoende verklaard uit het feit dat sommige bijeenkomsten ten behoeve van beide projecten plaatsvonden. FISA heeft dit ter zitting niet, althans onvoldoende, weersproken. Belang bij deze klacht ontbreekt daarbij, omdat het resultaat van het CBA-project ook zonder deze kostenpost negatief is.
2.15.
Ook ten aanzien van de toegepaste wisselkoersen die volgens FISA onjuist zouden zijn geweest, op sommige onderdelen zelfs ten nadele van [geïntimeerde1] c.s., hebben [geïntimeerde1] c.s. tijdens de zitting onweersproken aangevoerd dat daarbij rekening moest worden gehouden met de wisselkoersen van de bank die de betreffende betalingen heeft verricht, waarin een bepaalde toeslag (winstmarge) is verdisconteerd.
2.16.
Verder geldt dat de door FISA aangevoerde vraag of [geïntimeerde1] c.s. de opgevoerde kosten wel of niet hebben voldaan aan de betreffende schuldeisers, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet relevant is voor de verhouding tussen FISA en [geïntimeerde1] c.s. Voldoening van die kosten betreft immers de verhouding tussen [geïntimeerde1] c.s. en haar schuldeisers. Overigens heeft FISA ook geen concrete aanwijzingen naar voren gebracht dat er door [geïntimeerde1] c.s. niet zou zijn betaald.
2.17.
Ten slotte merkt het hof op dat geen betekenis wordt gehecht aan het feit dat de uitkomsten van de rekening en verantwoording door [geïntimeerde1] c.s. thans aanzienlijk verschillen van de uitkomsten van het rapport van accountant [persoon3] van 22 november 2018. [geïntimeerde1] c.s. hebben overtuigend aangevoerd dat de betekenis van dat rapport moet worden bezien tegen de achtergrond dat [geïntimeerde1] c.s. destijds genoodzaakt waren onder hoge tijdsdruk een onderbouwing aan te leveren van hun betwisting van FISA’s claim in het kader van het eerste kort geding ter zake van de beslaglegging door FISA ten laste van [geïntimeerde1] c.s. voor (maar liefst) 1.6 miljoen euro. Onder die omstandigheden kon en mocht worden volstaan met een prognose van het feitelijke resultaat van de projecten.
2.18.
[geïntimeerde1] c.s. hebben al met al dan ook, gezien de aard van de rechtsverhouding en de omstandigheden van het geval, afdoende inzicht gegeven in de gegenereerde inkomsten en de gemaakte kosten per project. Het hof ziet daarom geen aanleiding een deskundige te benoemen ter controle en begroting van het bedrag dat [geïntimeerde1] c.s. aan winst hadden af te dragen aan FISA. Het hof neemt de conclusies over die volgen uit de rekening- en verantwoording die [geïntimeerde1] c.s. hebben gegeven in deze procedure, te weten dat het CBA-project is geëindigd met een verlies van € 19.671,10 en het Zesco-project met een positief resultaat van $ 86.616,51. Naar de (door [geïntimeerde1] c.s. onbetwist gestelde) koers van 10 september 2024 ($ 1 = € 0,9073) betrof dat laatste resultaat een bedrag van € 78,582,83, waardoor [geïntimeerde1] c.s. een bedrag van € 39.291,42 zouden zijn verschuldigd aan FISA.
2.19.
Over dit bedrag van € 39.291,42 zijn [geïntimeerde1] c.s. geen rente verschuldigd, reeds bij gebreke van verzuim aan de zijde van [geïntimeerde1] c.s. Waar FISA in dit verband nog ingang heeft willen doen vinden dat sprake is geweest van een fatale termijn voor nakoming door [geïntimeerde1] c.s., heeft zij daarvoor geen andere feiten of omstandigheden aangedragen dan dat [geïntimeerde1] c.s. “
direct na afronding van de projecten (…) kennelijk[sic]
op 24 maart 2017 (CBA) en 14 juni 2019 (Zesco)” in de betreffende projecten rente verschuldigd zou zijn geweest. Daaruit blijkt niet dat er een voor de winstafdracht bepaalde termijn was overeengekomen. Gezien de destijds reeds bestaande tegenvordering van Greenway Consultancy op FISA (die onbetaald is gebleven), ten aanzien waarvan [geïntimeerde1] c.s. zich op verrekening met een eventuele verplichting tot winstafdracht hebben beroepen, en gelet op het feit dat het Zesco-project nog in uitvoering was ten tijde van de beslaglegging door FISA op grond van het ongefundeerd gebleken verwijt jegens [geïntimeerde1] c.s. ter zake van kort gezegd onrechtmatig handelen, stelt het hof verder vast dat FISA ook niet anderszins heeft voldaan aan haar stelplicht op het punt dat het verzuim van [geïntimeerde1] c.s. tot nakoming van de verbintenis tot winstafdracht zou zijn ingetreden. Tegen de bevoegdheid van [geïntimeerde1] c.s. tot (opschorting en) verrekening als zodanig heeft FISA geen verweer gevoerd.
2.20.
De conclusie is dat [geïntimeerde1] c.s. weliswaar de helft van de in het Zesco-project behaalde winst verschuldigd zijn geweest aan FISA, maar dat bedrag van € 39.291,42 terecht hebben verrekend met de vordering van Greenway Consultancy op FISA van € 44.322,48, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, ter zake waarvan het hof net als de rechtbank heeft beslist dat deze toewijsbaar is.
2.21.
Aan het voorgaande doet niet af dat voor een aantal door [geïntimeerde1] c.s. genoemde kostenposten de facturen ontbraken. Voor wat betreft het CBA-contract heeft FISA niet weersproken dat zelfs indien de betreffende kosten niet in mindering zouden worden gebracht op de inkomsten, het project nog steeds verlieslatend zou zijn geweest. Wat het Zesco-contract betreft gaat het volgens FISA om één van de 85 facturen met een totaal factuurbedrag van € 224,21. [geïntimeerde1] c.s. hebben mede daartoe toegelicht dat de accountant van [geïntimeerde1] c.s. in het verleden wel alle facturen tot zijn beschikking heeft gehad en heeft gecontroleerd. Mede bezien tegen de achtergrond van de beperkte reikwijdte van de rekening- en verantwoordingsplicht van [geïntimeerde1] c.s. in het licht van de aard van hun rechtsverhouding en de omstandigheden van het geval zoals hiervoor beschreven, heeft FISA onvoldoende aangedragen om het hof te doen twijfelen aan voornoemd factuurbedrag van € 224,21.
De conclusie
2.22.
Alle vorderingen van FISA stuiten af op het voorgaande dan wel bij gebrek aan belang, voor zover er niet al op is beslist in het tussenarrest.
Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd, met uitzondering van 5.3 van het dictum, dat zal worden vernietigd en geherformuleerd om tot uitdrukking te brengen dat [geïntimeerde1] c.s. weliswaar het bedrag van € 39.291,42 verschuldigd zijn geweest aan FISA doch dat [geïntimeerde1] c.s. dit bedrag hebben voldaan door verrekening met de vordering van Greenway Consultancy op FISA. FISA heeft weliswaar geen verweer gevoerd ter zake van de door haar verschuldigde wettelijke handelsrente over € 44.322,48, maar gelet op de artikelen 6:127 en 6:129 BW en de door FISA zelf genoemde datum van 14 juni 2019 (zie r.o. 2.19) waarop de verplichting voor [geïntimeerde1] c.s. tot winstafdracht ten aanzien van het Zesco-project is ontstaan, en de verrekening met het bedrag van € 39.291,42 dat [geïntimeerde1] c.s. aan FISA verschuldigd zijn geweest, zal het hof bij de toewijzing van de wettelijke handelsrente de datum van 14 juni 2019 aanhouden, vanaf welke datum FISA wordt geacht de wettelijke handelsrente slechts te zijn verschuldigd over het na verrekening door haar restant-verschuldigde (€ 44.322,48 minus € 39.291,42 =) € 5.031,06.
FISA’s vordering tot veroordeling van [geïntimeerde1] c.s. in de beslagkosten zal worden afgewezen op grond van de gebleken onevenredigheid van de omvang van de door FISA gelegde beslagen, terwijl het door [geïntimeerde1] c.s. aan FISA verschuldigde bedrag € 39.291,42 is gebleken en na verrekening zelfs nihil bedroeg.
FISA zal als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van [geïntimeerde1] c.s. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak. [2]
2.23.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

3.De beslissing

Het hof:
3.1.
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 27 november 2019, behalve het dictum onder 5.3, vernietigt het vonnis in zoverre en doet opnieuw recht als volgt:
3.2.
veroordeelt FISA aan Greenway Consultancy te betalen een bedrag van € 5.031,06, vermeerderd met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW van 21 november 2018 tot 14 juni 2019 over € 44.322,48 en vanaf 14 juni 2019 over € 5.031,06, tot de dag dat alles is betaald;
3.3.
veroordeelt FISA tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerde1] c.s.:
€ 5.517 aan griffierecht
€ 24.868 aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde1] c.s. (4 procespunten x het toepasselijke tarief VIII)
3.4.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag;
3.5.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
3.6.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. M. Aksu, G.R. den Dekker en P.J. van der Korst, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2025.

Voetnoten

2.HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.