ECLI:NL:GHARL:2025:6579

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
22 oktober 2025
Publicatiedatum
22 oktober 2025
Zaaknummer
Wahv 200.349.260/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Beswerda
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:17 AwbArtikel 2 Besluit proceskostenvergoeding bestuursrechtArtikel 11 Besluit tarieven in strafzaken 2003Wahv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen beslissing kantonrechter over dwangsom bij niet tijdig beslissen administratief beroep

De betrokkene stelde de officier van justitie in gebreke wegens het niet tijdig beslissen op een administratief beroep. De kantonrechter verklaarde het beroep deels gegrond en stelde de sanctie vast, maar oordeelde dat hij niet hoefde te beslissen over de verschuldigde dwangsom omdat dit niet expliciet aan hem was voorgelegd.

Het hof oordeelt dat de brief van ingebrekestelling van 25 oktober 2023 voldoet aan de eisen van artikel 4:17, derde lid, Awb, en dat de officier van justitie daardoor een dwangsom verschuldigd is. De dwangsom wordt vastgesteld op €812,- vermeerderd met wettelijke rente.

Verder oordeelt het hof dat het hoger beroep voor het overige niet ontvankelijk is omdat de betrokkene op die punten reeds bereikt heeft wat hij beoogde met het hoger beroep. Het hof veroordeelt de advocaat-generaal tot vergoeding van proceskosten van €519,40 voor reis- en verletkosten van de betrokkene.

De beslissing van de kantonrechter wordt vernietigd voor zover deze niet heeft beslist over de dwangsom. Het arrest is gewezen door mr. Beswerda en uitgesproken op een openbare zitting op 22 oktober 2025.

Uitkomst: Het hof stelt vast dat de officier van justitie een dwangsom van €812,- plus rente verschuldigd is wegens niet tijdig beslissen op het administratief beroep.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.349.260/01
CJIB-nummer
: 255911658
Uitspraak d.d.
: 22 oktober 2025
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 8 november 2024, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats].
De gemachtigde van de betrokkene is A.G. Legerstee, kantoorhoudende te Barendrecht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond verklaard. Het bedrag van de sanctie is door de kantonrechter vastgesteld op
€ 112,50. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht. Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft van de geboden gelegenheid daarop te reageren geen gebruik gemaakt.
De zaak is behandeld op de zitting van 8 oktober 2025. De gemachtigde van de betrokkene is verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door [naam advocaat-generaal].

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd. Nu de advocaat-generaal heeft besloten deze beschikking te vernietigen, heeft de betrokkene op dit punt bereikt wat met het hoger beroep werd beoogd. Daarom heeft de betrokkene in zoverre geen belang meer bij een uitspraak van het hof voor zover het ziet op de gronden tegen de oplegging van de inleidende beschikking, zodat het hoger beroep op dit punt niet ontvankelijk zal worden verklaard.
2. De gemachtigde voert aan dat de kantonrechter ter onrechte niet heeft beslist op de grond inzake de verschuldigde dwangsom. Door de kantonrechter is overwogen dat de gemachtigde wel heeft gebruikgemaakt van de mogelijkheid om de officier van justitie in gebreke te stellen, maar geen beroep heeft gedaan op een door de officier van justitie verschuldigde dwangsom. De kantonrechter meent ten onrechte alleen te hoeven beslissen omtrent de verschuldigdheid van een dwangsom indien dit aan hem is voorgelegd. In reactie op het verweerschrift heeft de gemachtigde verder aangevoerd dat uit de door de advocaat-generaal aangehaalde uitspraak [1] reeds blijkt dat de in de brief d.d.
25 oktober 2023 weergegeven ingebrekestelling volstaat en dat er een dwangsom is verschuldigd.
3. De kantonrechter heeft onder meer als volgt overwogen:
“Betrokkene heeft dan wel gebruikgemaakt van de mogelijkheid om de officier van justitie in gebreke te stellen, maar heeft geen beroep gedaan op een door de officier van justitie verschuldigde dwangsom. De kantonrechter hoeft alleen te beslissen op de verschuldigdheid van een dwangsom indien dit door betrokkene aan hem is voorgelegd, hetgeen in casu niet het geval is.”
4. In het beroepschrift d.d. 11 januari 2024 en in een e-mail van 26 oktober 2024 die genoemd is in de beslissing van de kantonrechter zijn gronden aangevoerd over het niet tijdig beslissen op het administratief beroep en het in gebreke stellen van de officier van justitie. Gelet hierop mist de overweging van de kantonrechter feitelijke grondslag.
5. De advocaat-generaal heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de stukken niet voldoen aan de eisen voor een ingebrekestelling. Er is in te vrijblijvende termen verzocht om een beslissing te nemen in plaats van daarop aan te dringen. Subsidiair stelt de advocaat-generaal zich op het standpunt dat een dwangsom is verbeurd.
6. Het dossier bevat brief d.d. 25 oktober 2023 waarin onder meer is aangevoerd:
“Het beroepschrift wordt niet binnen de daarvoor geldende termijnen afgehandeld. Om die reden stel ik PCVOM in gebreke. (…) De uitspraak – die naar ik aanneem spoedig volgt – zie ik met vertrouwen (in de overheid) tegemoet.”
7. Van een ingebrekestelling als bedoeld in artikel 4:17, derde lid, van de Awb is sprake als duidelijk is dat de belanghebbende het bestuursorgaan maant om alsnog een bepaald besluit te nemen. Daarvan is sprake indien voldoende duidelijk is op welke aanvraag het geschrift betrekking heeft. Verder moet duidelijk zijn dat belanghebbende zich op het standpunt stelt dat het bestuursorgaan niet tijdig op de aanvraag heeft beslist. Ten slotte moet de belanghebbende erop aandringen dat een zodanige beslissing alsnog wordt genomen
8. Naar het oordeel van het hof voldoet de brief van 25 oktober 2023 aan de eisen van een ingebrekestelling. Uit de bewoording in die brief blijkt afdoende dat de betrokkene de officier van justitie verzoekt om spoedig een beslissing te nemen.
9. De inleidende beschikking is verstuurd op 1 maart 2023. Dit betekent dat de termijn om te beslissen in beginsel eindigde op 2 augustus 2023. Per brief van 25 juli 2023 heeft de officier van justitie de termijn om te beslissen met tien weken verlengd. Na het verstrijken van de (verlengde) beslistermijn heeft het Parket CVOM op 31 oktober 2023 een ingebrekestelling van de gemachtigde ontvangen. Uitgegaan moet worden dat de bezorging op 12 december 2023 heeft plaatsgevonden. [2]
10. Het voorgaande brengt mee dat de officier van justitie van 14 november 2023 tot 12 december 2023 een dwangsom is verschuldigd van € 812,- (14 x € 23,- + 14 x € 35,-), te vermeerderen met wettelijke rente.
11. De gemachtigde verzoek een vergoeding toe te kennen voor de proceskosten conform het Besluit proceskostenvergoeding bestuursrecht (hierna: het Besluit). Ingevolge artikel 2, derde lid, van het Besluit kan onder bijzondere omstandigheden afgeweken worden van de forfaitaire bedragen. Nu het administratief beroep ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, de officier van justitie de hoorplicht heeft geschonden en aan het verzoek om vaststelling van een dwangsom eerder voorbij is gegaan, is volgens de gemachtigde sprake van bijzondere omstandigheden.
12. Het hof acht termen aanwezig om een proceskostenvergoeding toe te kennen voor de reis- en verletkosten die de betrokkene heeft gemaakt voor het bijwonen van de zitting van de kantonrechter in Rotterdam en de zitting van het hof. Van omstandigheden zoals bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit, is het hof niet gebleken.
13. Ingevolge artikel 2, eerste lid, onder d, van het Besluit worden reiskosten vergoed overeenkomstig artikel 11, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003. Ingevolge die bepaling wordt een tarief vergoed waarvan de hoogte gelijk is aan de reiskosten per openbaar middel van vervoer, laagste klasse. Dit komt neer op een bedrag van € 69,40 ([woonplaats] - Rotterdam v.v. + [woonplaats] – Leeuwarden v.v.). Het hof stelt de verletkosten vast op € 450,-. De aan voorbereiding van de zitting bestede uren, komen op basis van de Bpb niet voor vergoeding in aanmerking.
14. Het hof beslist als volgt.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter voor zover daarbij de hoogte en verschuldigdheid van een dwangsom in verband met het niet tijdig beslissen op het administratief beroep niet is vastgesteld;
stelt vast dat de officier van justitie een dwangsom is verschuldigd van € 812,-, te vermeerderen met wettelijke rente;
verklaart het hoger beroep voor het overige niet-ontvankelijk;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 519,40.
Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Eskandari, als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.

Voetnoten

1.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4682
2.vlg. arrest van het hof van 15 mei 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:2912