Belanghebbende heeft een gebruikte personenauto uit Duitsland gekocht en aangifte BPM gedaan met een waardering gebaseerd op een taxatierapport waarin een waardevermindering wegens schade werd opgenomen. De Inspecteur stelde op basis van een rapport van Domeinen Roerende Zaken (DRZ) zonder vastgestelde schade een hogere handelsinkoopwaarde vast en legde een naheffingsaanslag op.
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de naheffingsaanslag, dat werd afgewezen door de Inspecteur en de rechtbank. In hoger beroep betwist belanghebbende de handelsinkoopwaarde en het niet in aanmerking nemen van waardeverminderingen wegens schade en ontbrekende NAP-gegevens. Tevens klaagde belanghebbende over het niet toekennen van een vergoeding voor immateriële schade (VIS) en proceskosten (PKV).
Het Hof oordeelt dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van meer dan normale gebruiksschade en dat de waardevermindering wegens het ontbreken van NAP-gegevens niet gerechtvaardigd is. Wel wordt het niet toekennen van een VIS wegens overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg door de rechtbank terecht gecorrigeerd. De naheffingsaanslag blijft in stand, maar de Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van € 500 immateriële schade, proceskosten van € 400 en het griffierecht van € 548 voor het hoger beroep.
De uitspraak is gedaan door het Hof op 28 oktober 2025 na regiezittingen en schriftelijke behandeling, waarbij partijen hun standpunten hebben toegelicht. Het hoger beroep is deels gegrond verklaard voor de VIS, voor het overige ongegrond.