ECLI:NL:GHARL:2025:6832

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
3 november 2025
Publicatiedatum
3 november 2025
Zaaknummer
200.353.597
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over ontbinding arbeidsovereenkomst en billijke vergoeding in het kader van klokkenluidersregeling

In deze zaak heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, waarin de arbeidsovereenkomst met [verweerster] op de g-grond is ontbonden. De kantonrechter heeft [verweerster] veroordeeld tot betaling van de wettelijke transitievergoeding, maar niet tot een billijke vergoeding, wat [verzoeker] betwist. Hij stelt dat [verweerster] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, vooral in het kader van zijn rol als klokkenluider. Het hof heeft de feiten en het verloop van de procedure in hoger beroep geanalyseerd, waarbij het hof oordeelt dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst niet in causaal verband staat met de klokkenluidersmeldingen van [verzoeker]. Het hof concludeert dat [verweerster] niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, maar dat er wel sprake is van een schending van de re-integratieverplichtingen. Het hof heeft [verweerster] veroordeeld tot betaling van een billijke vergoeding van € 5.000,- aan [verzoeker]. De beslissing van de kantonrechter is grotendeels in stand gehouden, maar het hof heeft de eerdere beslissing over de billijke vergoeding vernietigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.353.597
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 11321423
beschikking van 3 november 2025
in de zaak van
[verzoeker]
die woont in [woonplaats]
hierna: [verzoeker]
advocaat: mr. J.C. van Haarlem
en
[verweerster]
dat is gevestigd in [vestigingsplaats]
hierna: [verweerster]
advocaat: mr. G.M. Gerdes

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

[verzoeker] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, op 22 januari 2025 heeft gegeven (hierna: de bestreden beschikking). Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • het beroepschrift ontvangen op 18 april 2025
  • het verweerschrift
  • het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 12 september 2025 is gehouden.

2.De kern van de zaak en de beslissing

2.1.
Het gaat in deze zaak in wezen nog om de vraag of [verweerster] jegens [verzoeker] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, zodat [verzoeker] recht heeft op een billijke vergoeding. In eerste aanleg was nog de vraag aan de orde of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moest worden ontbonden.
2.2.
[verweerster] heeft de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] te ontbinden. Primair op grond van een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond), subsidiair op grond van (ernstig) verwijtbaar handelen en/of nalaten (e-grond), meer subsidiair op grond van andere omstandigheden (h-grond) en uiterst subsidiair op de cumulatiegrond (i-grond).
2.3.
De kantonrechter heeft het verzoek op de g-grond toegewezen en de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 maart 2025 ontbonden. [verweerster] is daarbij veroordeeld om aan [verzoeker] de wettelijk transitievergoeding te betalen, waarbij volgens de kantonrechter moet worden uitgegaan van de ingangsdatum van 1 maart 2011 en een maandloon van in hoofdsom € 6.878.08 bruto. [verweerster] is niet veroordeeld tot het betalen van een billijke vergoeding, waar [verzoeker] om had verzocht.
2.4.
[verzoeker] legt zich neer bij het oordeel van de kantonrechter met betrekking tot de ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Wel komt [verzoeker] op tegen de hoogte van de vastgestelde transitievergoeding en het niet toekennen van een billijke vergoeding. Dat laatste omdat hij van mening is dat [verweerster] ernstig verwijtbaar jegens hem heeft gehandeld. In dat kader heeft hij ook aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte niet is ingegaan op zijn stellingen dat hij als klokkenluider moet worden aangemerkt, wat zich moet vertalen in de hoogte van de billijke vergoeding.
[verzoeker] heeft verder nog een aantal andere bezwaren tegen de beschikking en maakt aanspraak op achterstallig loon omdat [verweerster] van een te lage arbeidsomvang is uitgegaan en een onjuiste opzegtermijn in acht zou zijn genomen. Ook maakt hij aanspraak op een volledige proceskostenvergoeding en op vergoeding van de door hem gemaakte berekening voor de billijke vergoeding.
2.5.
Het hof is het grotendeels eens met de beslissing van de kantonrechter, maar zal anders dan de kantonrechter [verweerster] veroordelen tot het betalen van een billijke vergoeding aan [verzoeker] , zij het (lang) niet het door [verzoeker] gevorderde bedrag. Het hof laat de beschikking van de kantonrechter dus grotendeels in stand en beslist voor een deel anders. Het hof licht zijn beslissing hierna toe, dit na een schets van de achtergrond van het geschil.

3.De achtergrond van het geschil

3.1.
Het hof gaat uit van de volgende feiten die (nog) van belang zijn voor dit hoger beroep.
3.2.
[verzoeker] is sinds 2004 (volgens [verzoeker] ) dan wel 2011 (volgens [verweerster] ) in dienst geweest van [verweerster] , laatstelijk als associate professor/hoofdonderzoeker binnen de afdeling [afdeling] ( [afdeling] ) binnen de divisie [divisie] ( [divisie] ). [naam1] , postdoctoraal (gast)onderzoeker, maakte deel uit van de onderzoeksgroep waar [verzoeker] leiding aan gaf. [verzoeker] was in dat verband de leidinggevende van [naam1] .
3.3.
[verzoeker] heeft op 7 juli 2020 samen met [naam1] [naam spin-off] opgericht, een ‘spin-off’ bedrijf voor het op de markt brengen van kennis en uitvindingen, waar kenniscentra (zoals [verweerster] ) hun know-how inbrengen en externe bedrijven het investeringskapitaal, met het doel uitvindingen verder te ontwikkelen. Om met een spin-off bedrijf te kunnen samenwerken heeft [verweerster] een holding opgericht. Vanuit deze holding worden samenwerkingsrelaties met die bedrijven aangegaan. Zowel [verzoeker] als [naam1] zijn per 1 december 2020 voor 1 dag in de week gaan werken voor [naam spin-off] ( [verzoeker] als consultant) en bleven de andere 32 uur per week werken voor [verweerster] .
3.4
[naam2] is hoogleraar en clusterhoofd van het cluster [cluster] van het [afdeling] en direct leidinggevende van [verzoeker] . [naam3] is hoogleraar en het afdelingshoofd van [afdeling] .
3.5.
Van een voormalig stagiaire, [naam4] , heeft [verzoeker] in 2021 vernomen dat zij last had van (grensoverschrijdend) gedrag van [naam1] . Gevraagd naar de toekomstperspectieven van [naam1] , heeft [verzoeker] aan deze stagiaire laten weten dat het dienstverband van [naam1] rond maart 2022 beëindigd zou worden.
3.6.
Nadat [verzoeker] een e-mail naar [naam2] heeft gestuurd met de mededeling dat er informatie is over [naam1] die [naam2] nog niet zou kennen, heeft in oktober 2022 een gesprek plaatsgevonden waarbij [verzoeker] , de stagiaire en [naam2] aanwezig waren. In dat gesprek wordt door de stagiaire en [verzoeker] mededeling gedaan van grensoverschrijdend gedrag door [naam1] ten koste van de stagiaire.
3.7.
Op 22 november 2022 heeft [verzoeker] hiervan melding gemaakt aan de Ombudsman van [verweerster] , aangezien er op eerdere meldingen over grensoverschrijdend gedrag van [naam1] richting de stagiaire niet was gereageerd.
3.8.
In de periode vanaf maart 2023 ontstaat er tussen [verweerster] en [verzoeker] een geschil over een al dan niet bestaand recht van [naam1] op co-auteurschap van een manuscript van [naam5] . [naam5] maakte ook deel uit van de onderzoeksgroep van [verzoeker] . [naam1] was haar co-promotor. Terwijl [verzoeker] de kwestie over het auteursrecht wil voorleggen aan de Commissie Wetenschappelijke Integriteit van de Universiteit [plaats4] , heeft [naam2] de kwestie voorgelegd aan [naam6] , hoogleraar en speerpuntvoorzitter binnen [verweerster] voor het onderzoeksdomein [naam7] .
3.9.
Op 1 juli 2023 meldt [verzoeker] zich ziek. In een e-mail van dezelfde datum aan [naam8] (hoogleraar en wetenschappelijk divisiemanager van de divisie [divisie] ) met cc aan onder meer [naam2] , van dezelfde datum schrijft [verzoeker] :

Als laatste, vanaf nu trek ik mij terug van deze publicatie en de aansturing op dit project. Ik heb een actieplan voor revisie opgesteld met de auteurs die daadwerkelijk een bijdrage leveren. Ik stem niet in dat mijn naam verbonden wordt aan een publicatie waarop onder dwang namen worden geplaatst van personen met een lange geschiedenis van gebrekkige wetenschappelijk integriteit, ondermijning en grensoverschrijdend gedrag (…). Ik neem hierna contact op met de bedrijfsarts. Het hele proces heeft mij dermate beschadigd dat ik momenteel niet langer in staat ben op een redelijke en effectieve wijze mijn werk uit te voeren.”
3.10.
Op 13 juli 2023 adviseert [naam6] , na intern onderzoek naar de situatie over het co-auteurschap van [naam1] , dat het verzoek om de naam van [naam1] toe te voegen aan het manuscript legitiem is.
3.11.
Tussen partijen wordt met elkaar gesproken op 5 oktober 2023 en 1 november 2023. In het verslag van het gesprek op 1 november 2023 dat aan is [verzoeker] toegezonden, is de mededeling van [naam2] opgenomen dat geconcludeerd moet worden dat de gesprekken niet hebben geleid tot het herstellen van een vruchtbare samenwerking. Aan [verzoeker] wordt voorgesteld een mediationtraject te volgen. [verzoeker] geeft aan daaraan mee te willen werken.
3.12.
Op 15 december 2023 heeft [verzoeker] per e-mail aan [naam2] gevraagd om een persoonlijk gesprek waarin gekeken zou kunnen worden naar de mogelijkheden voor werkhervatting. [naam2] heeft dit verzoek afgewezen in afwachting van de mediation.
Op 11 januari 2024 is het mediationtraject gestart tussen [verweerster] (in de persoon van [naam2] ) en [verzoeker] . Na drie bijeenkomsten is dit traject beëindigd.
3.13.
Op 13 februari 2024 adviseert de bedrijfsarts dat [verzoeker] een aantal uur re-integratie kan oppakken.
3.14.
In een gesprek van 14 februari 2024 tussen [naam2] , [verzoeker] en [naam9] (HR-manager van het [verweerster] ) wordt door [naam2] uitgesproken dat de weg naar samenwerking en herstel van het onderling vertrouwen afgesloten is. Om die reden is in dat gesprek aan [verzoeker] een vaststellingsovereenkomst aangeboden. In de overgelegde geluidsopname van dit gesprek is te horen dat [verzoeker] tijdens dit gesprek herhaalde malen te kennen geeft zijn werk te willen hervatten waarop [naam9] heeft aangegeven dat bezien zal worden of [verzoeker] op een andere plek binnen [verweerster] kan integreren.
3.15.
De bedrijfsarts komt op 22 mei 2024 tot het oordeel dat van arbeidsongeschiktheid geen sprake meer is.
3.16.
[verzoeker] heeft op 21 juni 2023 bij de integriteitsfunctionaris van [verweerster] melding gemaakt van wetenschappelijke integriteitsproblemen bij [naam1] en de leiding van [afdeling] met betrekking tot het opnemen van de naam van [naam1] als co-auteur van een wetenschappelijk artikel. Op 13 oktober 2023 heeft [verzoeker] hiervan melding gedaan bij de Ombudsman van [verweerster] . Op 30 maart 2024 heeft [verzoeker] voor het eerst formeel bij de Commissie Klokkenluider van [verweerster] een melding gedaan over genoemde integriteitsproblemen. Op 5 november 2024 heeft deze commissie laten weten dat de melding niet in behandeling zal worden genomen, omdat geen sprake is van een misstand in de zin van de Klokkenluidersregeling nu het maatschappelijk belang niet in het geding is. Volgens de Commissie ziet de melding wel op een (vermoeden van) schending van de wetenschappelijke integriteit waarvoor binnen [verweerster] een speciale Commissie (de Commissie Wetenschappelijke integriteit) is ingesteld. De Commissie Klokkenluider heeft aanleiding gezien om de melding van [verzoeker] aan deze Commissie voor te leggen. Ten tijde van de mondelinge behandeling bij het hof had deze Commissie nog geen uitspraak gedaan.
3.17.
Op 19 maart 2024 heeft [verzoeker] een soortelijke melding gedaan bij het Huis van Klokkenluiders (extern). Het hof begrijpt [verweerster] aldus dat zij pas op 7 november 2024 op de hoogte is gekomen van deze melding. De uitkomst daarvan is nog niet bekend.
3.18.
Inmiddels werkt [verzoeker] sinds april 2025 als adviseur bij een farmaceutisch bedrijf in [plaats1] (120 kilometer verwijderd van zijn woonplaats) voor 16 uur per week. [verzoeker] heeft daar een jaarcontract gekregen.

4.De beoordeling

Transitievergoeding en loonvordering
4.1.
Volgens [verzoeker] is de kantonrechter voor de bepaling van de hoogte van de transitievergoeding ten onrechte uitgegaan van (i) een dienstverband per 1 maart 2011 in plaats van januari 2004 en (ii) op basis van 0,88 fte in plaats van 1 fte.
4.2.
[verzoeker] stelt zich op het standpunt dat hij op 1 januari 2004 in het kader van een promotie bij [verweerster] in dienst is getreden. Nadat hij de promotie in 2008 had afgerond, is hem een tweejarige postdoctorale positie aangeboden. Het eerste jaar daarvan heeft hij bij [verweerster] gewerkt en het tweede jaar op basis van een
Rubiconsubsidie [1] bij het [instituut] in [plaats2] . [verzoeker] heeft in dat tweede jaar voor ongeveer 3 miljoen aan subsidies voor [verweerster] binnengehaald en heeft ook in die tijd zowel voor het [instituut] als voor [verweerster] gepubliceerd. Dit traject was bovendien een vereiste om zich verder in zijn wetenschappelijke carrière ten behoeve van [verweerster] te ontwikkelen, aldus [verzoeker] .
4.3.
Het hof gaat niet mee in het betoog van [verzoeker] . Per 1 maart 2010 is [verzoeker] uit dienst getreden bij [verweerster] om bij het [instituut] in [plaats2] onderzoek te verrichten. [verzoeker] heeft niet onderbouwd dat hij in de periode van 1 maart 2010 tot 1 november 2011 nog in dienst was bij [verweerster] . Niet is gebleken dat [verzoeker] toen voldeed aan de vereisten voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst: er was geen gezagsverhouding, er bestond geen verplichting voor [verweerster] om loon te betalen en er bestond geen verplichting om arbeid voor [verweerster] te verrichten. Ook blijkt uit de brief van [verweerster] van 25 februari 2011 aan [verzoeker] , inhoudende afspraken met betrekking tot de indiensttreding van [verzoeker] per 1 november 2011 als Postdoc, dat sprake is van een nieuwe arbeidsovereenkomst. In deze brief wordt gesproken over een nieuw aan te stellen medewerker die een VOG moet overleggen en het betreft een aanstelling voor bepaalde tijd. Nergens in de brief wordt verwezen naar een eerder dienstverband. Dit alles maakt dat geen sprake is van een voortgezet dienstverband maar van een nieuwe arbeidsovereenkomst. Voor de transitievergoeding is dus terecht uitgegaan van een datum indiensttreding per 1 november 2011.
4.4.
Het hof volgt [verzoeker] evenmin in zijn betoog dat bij de bepaling van de hoogte van de transitievergoeding moet worden uitgegaan van een fulltime dienstverband.
[verzoeker] is per 1 december 2020 voor 0,88 fte voor [verweerster] gaan werken, omdat hij met ingang van die datum één dag per week als consultant ging werken voor [naam spin-off] . [verzoeker] is per 17 januari 2023 met deze consultancywerkzaamheden gestopt. Anders dan [verzoeker] stelt betekent dit niet dat de arbeidsovereenkomst met [verweerster] automatisch weer naar 1 fte werd uitgebreid. [verzoeker] meent van wel omdat hij een terugkeergarantie had. Uit de e-mailwisseling omstreeks eind november 2020 tussen [naam2] en [verzoeker] e.a. (onder wie [naam1] ) over de aanpassing van het DTP van 1 fte naar 0,8 fte blijkt dat aan [verzoeker] (en aan [naam1] ) inderdaad een terugkeergarantie is gegeven. Op de vraag van een medewerker van [verweerster] aan [naam2] per wanneer deze wijziging ingaat en voor welke periode, antwoordt [naam2] :

Per 1 dec en voorlopig voor onbepaalde tijd tot [naam1] en [verzoeker] weer aangeven dat ze terugwillen naar 1,0 fte.
Gesteld noch gebleken is dat [verzoeker] [verweerster] heeft laten weten weer fulltime aan het werk te willen gaan. [verweerster] heeft verder nog naar voren gebracht dat [verzoeker] sinds 1 december 2020 ook steeds loon heeft ontvangen voor 0.88 fte, dat dit na de beëindiging van het contract met [naam spin-off] medio januari 2023 niet is veranderd en dat [verzoeker] zich gedurende het dienstverband nooit op het standpunt heeft gesteld dat hij te weinig loon heeft ontvangen, terwijl op de loonstroken steeds is uitgegaan van de parttime factor van 0,88.
[verzoeker] heeft hiertegen onvoldoende ingebracht, zodat het hof ervan uit gaat dat bij de berekening van de hoogte van de transitievergoeding geen rekening behoefde te worden gehouden met een fulltime dienstverband.
Ook het verzoek van [verzoeker] om hem met terugwerkende kracht alsnog loon uit te betalen als ware hij voor 1,0 fte in dienst is om deze reden niet toewijsbaar.
Geen benadeling in verband met de klokkenluidersregeling
4.5.
[verzoeker] voert aan dat hij als klokkenluider van vermoede misstanden niet benadeeld had mogen worden en bescherming verdiende op grond van artikel 17 e Wet bescherming klokkenluiders. [verzoeker] meent dat de ware reden van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst is dat hij misstanden met betrekking tot het wangedrag van [naam1] en daarna integriteitsschendingen door collega’s binnen [afdeling] aan de kaak heeft gesteld en daarvan meldingen heeft gedaan, aanvankelijk intern bij [verweerster] en uiteindelijk extern bij het Huis van Klokkenluiders. [verzoeker] heeft deze misstanden onder de aandacht van [verweerster] gebracht op een moment dat géén sprake was van enige verstoring in de arbeidsverhouding tussen partijen. [verzoeker] had als melder van misstanden beschermd moeten worden, maar in plaats daarvan is [verweerster] bezig geweest een dossier tegen hem op te bouwen om op deze wijze een duurzaam verstoorde arbeidsverhouding tussen partijen te creëren. Het einde van de arbeidsovereenkomst is het gevolg van ernstig verwijtbaar handelen van [verweerster] , nu zij [verzoeker] met de door haar gecreëerde verstoorde arbeidsverhouding iedere bescherming als melder van vermoede misstanden ontneemt, zodat [verzoeker] recht heeft op een billijke vergoeding.
Volgens [verzoeker] heeft [verweerster] op geen enkele wijze aangetoond dat er een andere reden voor de benadeling (te weten: de ontbinding) was, die losstaat van melding of openbaarmaking. Dit had wel van [verweerster] gevergd mogen worden.
4.6.
Op grond van de Wet bescherming klokkenluiders (hierna: Wbk) geniet een melder van een vermoeden van een misstand bescherming als hij bij een bevoegde instantie de melding doet. De bescherming bestaat daaruit dat een melder tijdens en na de melding van een vermoeden van een misstand niet mag worden benadeeld. Voorwaarde hiervoor is dat bij de melding de melder redelijke gronden heeft om aan te nemen dat de gemelde informatie over het vermoeden van een misstand op het moment van melding juist is.
4.7.
Vaststaat dat [verzoeker] op 30 maart 2024 intern en op 19 maart 2024 extern formele meldingen heeft gedaan van het vermoeden van een misstand als bedoeld in de interne klokkenluidersregeling van [verweerster] en artikel 1 Wbk, dat het Huis van Klokkenluiders hem kennelijk als klokkenluider heeft geaccepteerd en dat [verzoeker] moet worden aangemerkt als een klokkenluider. Dat betekent dat het benadelingsverbod (zie 4.6.) van artikel 17e Wbk op [verzoeker] van toepassing is. Ontbinding van de arbeidsovereenkomst valt onder het benadelingsverbod.
4.8.
Het benadelingsverbod is niet absoluut, in die zin dat sprake moet zijn van een causaal verband tussen melding en maatregel (te weten de ontbinding) en dat op grond van artikel 17eb Wbk in dit geval op [verweerster] de bewijslast rust dat geen sprake is van causaal verband. Het gaat daarbij om het bewijs van het tegendeel. [2]
4.9.
Volgens [verweerster] kwam zij pas op 14 mei 2024 op de hoogte van de interne en (zo begrijpt het hof) op 7 november 2024 van de externe melding door [verzoeker] . Maar ook al zou worden uitgegaan van de datum van de meldingen zoals die door [verzoeker] aan de bevoegde instanties (zie 4.6.) zijn gedaan, dan nog is [verweerster] erin geslaagd te bewijzen dat de meldingen niet samenhangen met de ontbinding omdat de arbeidsverhouding tussen [verzoeker] en [verweerster] toen al was verstoord en [verweerster] had voorgesteld de arbeidsovereenkomst te beëindigen. [verweerster] heeft hiervoor het volgende naar voren gebracht. Een eerste aanzet voor de verstoorde arbeidsverhouding dateerde al van augustus/september 2022 toen [verzoeker] , naar aanleiding van anonieme klachten over zijn eigen (grensoverschrijdend) gedrag met genoemde stagiaire tijdens een congres in [plaats3] , naar [naam2] en [naam3] toe niet open was over de aard van de relatie die hijzelf met deze stagiaire onderhield. Terwijl [verzoeker] steeds expliciet ontkende dat hij een intieme relatie met de stagiaire had, was die er volgens haar wel. Volgens de stagiaire was het ook [naam1] geweest die achter genoemde anonieme klachten zat. Door het niet open kaart spelen over deze kwestie is het vertrouwen van [naam2] en [naam3] in [verzoeker] ernstig beschaamd. De verhoudingen kwamen nog verder onder druk te staan doordat [verzoeker] het oneens was met de wijze waarop [verweerster] had gehandeld naar aanleiding van zijn klacht over het grensoverschrijdend gedrag van [naam1] , zoals geuit in een gesprek op 17 oktober 2022 tussen [verzoeker] , de stagiaire en [naam2] . Op 11 januari 2023 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [verzoeker] , [naam2] en [naam9] . Aanleiding voor dit gesprek was om de verslechterde relatie tussen [verzoeker] en [naam2] te bespreken (mede naar aanleiding van de weigering van [verzoeker] om een promotie van één van zijn promovendi bij te wonen vanwege de aanwezigheid van [naam1] daarbij). Tijdens dat gesprek hebben zowel [verzoeker] als [naam2] uitgesproken dat zij veel last hebben van de (slechte) samenwerking en de intentie hebben die te verbeteren. Omstreeks maart 2023 treden de eerste perikelen rond het door [verzoeker] betwiste co-auteurschap van [naam1] bij een manuscript van [naam5] op (zie hierover verder onder rov. 4.15 en volgende). Op 1 juli 2023 meldt [verzoeker] zich ziek. De bedrijfsarts adviseert op 7 september 2023 dat moet worden gewerkt aan oplossingen voor een verder herstel. Hierna (in oktober 2023) vinden diverse gesprekken tussen [verzoeker] en [naam2] plaats. Uit het verslag van een gesprek van 1 november 2023 blijkt dat [naam2] tot de conclusie is gekomen dat de gesprekken met [verzoeker] niet hebben geleid tot het herstel van een vruchtbare samenwerking. Er wordt een voorstel gedaan voor het volgen van een mediationtraject, waarmee [verzoeker] instemt. Op 11 januari 2024 start het mediationtraject. Dat traject wordt na drie bijeenkomsten afgesloten. Op 14 februari 2024 vindt een gesprek plaats tussen [verzoeker] , [naam2] en [naam9] . In dit gesprek geeft [naam2] [verzoeker] te kennen geen mogelijkheden meer te zien om tot herstel van de arbeidsverhouding te komen. Aan [verzoeker] wordt een VSO aangeboden, waarmee [verweerster] tot een einde van het dienstverband wil komen.
4.10.
Naar het oordeel van het hof heeft [verweerster] met het bovenstaande bewezen dat de wens van [verweerster] om tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] te komen niet in causaal verband staat tot de klokkenluidersmeldingen. [verweerster] heeft met de volgordelijkheid van de gebeurtenissen aangetoond dat de reden om tot ontbinding over te gaan is gelegen in de verstoring van de arbeidsrelatie tussen partijen, die al (ruim) voordat de meldingen zijn gedaan, is ingetreden.
(geen) ernstig verwijtbaar handelen van [verweerster]
4.11.
[verzoeker] heef aangevoerd dat [verweerster] zich jegens hem ernstig verwijtbaar heeft gedragen en dat hij daarom recht heeft op een billijke vergoeding van € 800.000,- of een ander redelijk bedrag.
4.12.
Uitgangspunt is dat voor toekenning van een billijke vergoeding alleen plaats is als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst
het gevolgis van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever.
4.13.
Het ernstig verwijtbaar handelen van [verweerster] heeft volgens [verzoeker] betrekking op:
(i) de behandeling van de klacht over het grensoverschrijdend gedrag door [naam1] jegens de stagiaire;
(ii) de perikelen rondom het co-auteurschap van [naam1] bij een manuscript van [naam5] ;
(iii) het als een bagatel aanmerken van het niet door [naam1] vastleggen van gegevens in de daarvoor bedoelde beschermde systemen in de periode van 2018-2022;
(iv) het niet voldoen door [verweerster] van de op haar rustende re-integratieverplichtingen.
4.14.
[verzoeker] heeft in hoger beroep grond (i) laten vallen. Het hof zal deze grond dan ook niet verder behandelen. Het hof merkt wel op dat de kantonrechter heeft geoordeeld dat [verweerster] ten aanzien van de aanpak van de klacht over grensoverschrijdend gedrag door [naam1] mogelijk een en ander valt te verwijten, maar niet dat [verweerster] daarmee
jegens [verzoeker]verwijtbaar heeft gehandeld, zoals [verzoeker] kennelijk beoogde te stellen.
(ii)
co-auteurschap [naam1]
4.15.
[verzoeker] heeft in februari 2023 een onderzoeksartikel voorafgaand aan publicatie toegestuurd aan [naam10] , coo van [naam spin-off] . Dit was volgens afspraak voor dit specifieke onderzoeksproject, waarvoor [naam spin-off] een deel van de financiering had verzorgd. [naam spin-off] heeft hierop de vraag gesteld waarom de naam van [naam1] niet (ook) onder de publicatie stond. Alleen als [naam1] als co-auteur was opgenomen, kon een patent-aanvraag (een ‘co-owned patentaanvraag van [naam spin-off] en [verweerster] ) worden doorgezet. [naam1] stond namelijk als één van de twee uitvinders geregistreerd vanuit zijn hoedanigheid als [naam spin-off] medewerker en [verweerster] wetenschapper. Bovendien kon [naam spin-off] het zich niet voorstellen dat [naam1] als beoogd co-promotor geen bijdrage aan het onderzoek van [naam5] had geleverd. Het is volgens [verzoeker] echter aan de hoofdonderzoeker ( [verzoeker] zelf) om te beoordelen of iemand voldoende bijdrage aan het onderzoek heeft geleverd. En dat was volgens [verzoeker] bij [naam1] niet het geval. [verzoeker] is vervolgens door [naam2] onder druk gezet de naam van [naam1] onder het artikel op te nemen. Volgens [verzoeker] louter ingegeven door financiële redenen: als [naam1] niet als auteur zou worden opgenomen, zou [naam spin-off] niet zelf een patent op de onderzoeksgegevens kunnen aanvragen. [naam spin-off] had volgens [verzoeker] zelfs met juridische stappen gedreigd mocht het artikel (zonder vermelding van [naam1] als co-auteur) niet worden ingetrokken. Volgens [verweerster] daarentegen heeft zij [verzoeker] niet opgedragen [naam1] als co-auteur te vermelden. Zij heeft [verzoeker] de keuze geboden uit een aantal mogelijkheden om te onderzoeken of [naam1] nu wel of niet als co-auteur opgenomen moest worden. Omdat [verzoeker] geen keuze had gemaakt heeft [verweerster] ervoor gekozen de vraag aan [naam6] als speerpuntvoorzitter binnen [verweerster] voor te leggen. Die keuze was mede ingegeven door het gegeven dat [naam6] veel sneller zou kunnen adviseren dan de Commissie Wetenschappelijke Integriteit van [verweerster] , wat in het belang was van [naam5] omdat zij bijna in de afrondende fase van haar aio-schap zat. [naam6] heeft geadviseerd [naam1] als co-auteur op te nemen, welk advies [verweerster] heeft gevolgd. [verzoeker] was het er niet mee eens en heeft de kwestie van het co-auteurschap voorgelegd aan de Commissie Wetenschappelijke Integriteit van [verweerster] . Deze Commissie heeft nog geen uitspraak gedaan.
4.16.
Uit het bovenstaande is naar het oordeel van het hof onvoldoende gebleken dat [verweerster] ernstig verwijtbaar jegens [verzoeker] heeft gehandeld door hem te dwingen [naam1] als co-auteur op te nemen, waarbij (louter) financiële belangen een rol speelden, en door slechts intern advies over deze kwestie in te winnen in plaats van de geëigende externe weg te bewandelen, zoals [verzoeker] stelt. [verzoeker] heeft onvoldoende onderbouwd dat [verweerster] [naam1] enkel als co-auteur van het artikel van [naam5] opgenomen wenste te zien omdat [verweerster] en [naam spin-off] anders inkomsten uit patent-aanvragen zouden mislopen. Ook is niet komen vast te staan dat het interne onderzoek door [naam6] partijdig en niet onafhankelijk zou zijn. Maar ook al zou uit het onderzoek van de Commissie Wetenschappelijke Integriteit van [verweerster] blijken dat [naam1] niet als co-auteur vermeld had mogen worden en dat [verweerster] over deze kwestie niet had mogen volstaan met het vragen van intern advies, dan nog is niet komen vast te staan dat dit handelen van [verweerster] ten doel had [verzoeker] te benadelen en daarmee aan te sturen op beëindigen van de arbeidsovereenkomst. Met andere woorden, dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst
het gevolg isvan ernstig verwijtbaar handelen van [verweerster] . De reden voor de ontbinding was de al veel eerder ingezette verstoorde arbeidsrelatie zoals uiteengezet in 4.9. De ‘interne’ snellere route was enkel gekozen om [naam5] ter wille te zijn.
4.17.
Het hof gaat, omdat het niet terzake dienend is, voorbij aan het bewijsaanbod van [verzoeker] om een tweetal hoogleraren te horen over de vraag of de co-auteurskwestie als een academische misstand moet worden aangemerkt. Ook als dit het geval zou zijn is immers niet komen vast te staan dat deze misstand tot doel had te komen tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] .
(iii)
ontbrekende data
4.18.
Vaststaat dat [naam1] in de periode 2018-2022 zijn gegevens en methodologie niet in de daarvoor bestemde systemen heeft vastgelegd. Deze know-how was daardoor niet vrij toegankelijk voor de overige onderzoekers. [naam1] verwijt [verweerster] dat zij onvoldoende actie heeft ondernomen toen zij hiervan kennis kreeg. Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat uit de stukken kan worden afgeleid dat [verweerster] uitgebreid met [naam1] over deze kwestie heeft gesproken en dat zij zijn verklaring aannemelijk achtte. [verweerster] heeft er vervolgens voor gezorgd dat alle informatie weer op de daarvoor geëigende plaats binnen de beschermde systemen is gebracht.
Ook hier geldt weer dat [verzoeker] onvoldoende heeft onderbouwd dat het handelen van [verweerster] naar aanleiding van de ontdekking dat [naam1] zijn gegevens niet juist had vastgelegd, erop gericht was [verzoeker] te benadelen en hem langs deze weg richting de uitgang te dirigeren. Ook bij dit verwijt is niet komen vast te staan dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van [verweerster] .
re-integratieverplichtingen
4.19.
[verzoeker] voert aan dat [verweerster] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door haar verplichtingen in het kader van de re-integratie van [verzoeker] niet goed aan te pakken. Hij heeft keer op keer aangegeven het werk te willen hervatten en heeft daartoe ook voorstellen gedaan, maar [verweerster] ( [naam2] ) was mordicus tegen. Bij de re-integratie van [verzoeker] is het 1e spoor traject niet geprobeerd, en is meteen ingezet op het 2e spoor, ondanks de andersluidende adviezen hierover van de bedrijfsarts.
4.20.
Het hof oordeelt als volgt. De bedrijfsarts heeft in haar advies van 13 februari 2024 aangegeven dat [verzoeker] zijn re-integratie voor een beperkt aantal uren in afgebakende taken kan gaan oppakken. Eén dag later vindt een gesprek plaats tussen [verzoeker] , [naam2] en [naam9] . In dat gesprek benoemt [naam9] drie mogelijkheden. Allereerst de mogelijkheid tot terugkeer naar de eigen werkplek, dan de mogelijkheid om ergens anders ingezet te worden, en als derde mogelijkheid dat afscheid van elkaar wordt genomen. [verzoeker] opteert voor de eerste optie, maar uit het verslag blijkt dat [naam2] dat niet ziet zitten. [naam2] meent dat de weg naar samenwerking en herstel van het onderling vertrouwen is afgesloten. Vervolgens geeft [naam9] aan dat gekeken zal worden naar andere opties binnen [verweerster] . Volgens [verzoeker] kon hij zijn werkzaamheden immers zonder problemen op een andere afdeling van [verweerster] voortzetten. Op vragen van het hof welke inspanningen [verweerster] heeft verricht om [verzoeker] binnen [verweerster] - het 1e spoor - te laten re-integreren, heeft [naam2] geantwoord dat hij een ‘rondje langs de velden’ heeft gemaakt waar [verzoeker] met zijn specialistische kennis terecht zou kunnen. Hij heeft daarvoor prof. [naam11] benaderd, maar volgens [naam2] kon [verzoeker] niet in haar divisielab worden geplaatst, omdat het verticale vertrouwen in [verzoeker] was beschaamd, nu zijn gedrag niet binnen [verweerster] past. Ook prof. [naam12] is benaderd. [naam12] maakt geen deel uit van de afdeling [afdeling] , maar is wel de promotor van genoemde stagiaire, wat kennelijk een probleem zou opleveren. [naam2] heeft geen verslagen of aantekeningen van zijn gesprekken met [naam11] of [naam12] gemaakt.
Het hof is van oordeel dat [verweerster] onvoldoende heeft onderbouwd waarom [verzoeker] in het kader van zijn re-integratie niet in het divisielab van prof. [naam11] kon worden geplaatst. De reden die [naam2] op de zitting heeft gegeven, is daartoe ontoereikend.
4.21.
Dit betekent dat [verweerster] niet haar re-integratieverplichting is nagekomen, door direct in te zetten op het 2e spoor, terwijl onvoldoende inspanningen zijn verricht om [verzoeker] binnen [verweerster] te laten re-integreren.
4.22.
Uit deze schending van de re-integratieverplichting is geen schade voor [verzoeker] voortgevloeid. Hij is immers over de periode van 13 februari 2024 tot de betermelding op 22 mei 2024 niet gekort op zijn salaris of anderszins (kenbaar) financieel in een slechtere positie komen te verkeren. Hoewel de billijke vergoeding primair dient ter compensatie van de schade die de werknemer lijdt door het onrechtmatig ontslag, gaat er ook een preventieve werking van uit, in dit geval dat [verweerster] zich in voorkomende gevallen wel stipt aan haar re-integratieverplichtingen zal houden. Het hof ziet daarom aanleiding om [verweerster] te veroordelen tot het betalen van een billijke vergoeding aan [verzoeker] van € 5.000,-.
slotsom
4.23.
Het hoger beroep slaagt deels. Het hof bepaalt dat iedere partij de eigen kosten moet dragen omdat partijen ieder deels ongelijk hebben gekregen. Dat betekent dat voor de door [verzoeker] verzochte vergoeding van zijn integrale advocaatkosten geen grondslag is. Datzelfde geldt voor de vergoeding van de kosten van het opstellen van een berekening van de billijke vergoeding, welke berekening het hof niet heeft gevolgd.
4.24.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

5.De beslissing

Het hof:
5.1
verwerpt het hoger beroep van [verzoeker] wat betreft de beslissing in 4.1 tot en met 4.4 van de bestreden beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland van 22 januari 2025. Het hof vernietigt de beslissing onder 4.5 en beslist:
5.2
veroordeelt [verweerster] aan [verzoeker] te betalen een billijke vergoeding van € 5.000,- bruto.
5.3
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.4
wijst af wat verder is gevorderd.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.A. van Rossum, J.H. Kuiper en C.W. Inden en is in het openbaar uitgesproken op 3 november 2025.

Voetnoten

1.Subsidie verleend door Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk onderzoek (NWO/ZonMw) voor jonge promovendi om ervaring op te doen bij een buitenlandse kennisinstelling.
2.HR 7 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:190