De familie verblijft sinds 2015 in Nederland en ontving eind 2024 een verblijfsvergunning. Het COA bood hen een gelijkvloerse woning op de zesde etage aan, welke zij wegens medische en psychische redenen weigerden. Het COA stelde dat het aanbod passend was en vorderde ontruiming van het AZC. De voorzieningenrechter wees deze vordering toe en verklaarde het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
In hoger beroep stelde de familie dat het COA onvoldoende rekening had gehouden met hun psychische klachten, waaronder hoogtevrees en paniekaanvallen, en dat de opmerking 'slaapkamer begane grond' op het huisvestingsformulier verwachtingen schepte die niet werden waargemaakt. Het hof oordeelde dat het COA niet zorgvuldig had gehandeld door deze klachten zonder nader onderzoek terzijde te schuiven en dat het niet met voldoende zekerheid kon worden aangenomen dat de rechter in een bodemprocedure tot ontruiming zou oordelen.
Het hof vernietigde het vonnis van de voorzieningenrechter, wees de vordering tot ontruiming af en veroordeelde het COA tot betaling van de proceskosten van de familie. Het hof liet het vonnis niet in stand en besliste op de hoofdzaak zonder op de incidentele vordering in te gaan, omdat deze was ingetrokken.