ECLI:NL:GHARL:2025:7168

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
11 november 2025
Publicatiedatum
13 november 2025
Zaaknummer
24/967
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over proceskostenvergoeding bij parkeerbelasting

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 11 november 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting van € 69,00, opgelegd door de heffingsambtenaar van het Noordelijk Belastingkantoor. De belanghebbende had bezwaar gemaakt tegen deze naheffingsaanslag, die door de heffingsambtenaar werd vernietigd, met een proceskostenvergoeding van € 148. De rechtbank Noord-Nederland verklaarde het beroep van de belanghebbende ongegrond, waarna de belanghebbende hoger beroep instelde. Het Hof heeft vastgesteld dat de heffingsambtenaar geen verweerschrift heeft ingediend en dat partijen niet ter zitting zijn gehoord. De belanghebbende heeft een auto geparkeerd op een plek waar maximaal twee uur mocht worden geparkeerd, maar had de parkeerbelasting voor een langere periode voldaan. Het Hof heeft de hoogte van de proceskostenvergoeding in geschil beoordeeld, waarbij de wegingsfactor en de waarde per punt aan de orde kwamen. Het Hof oordeelde dat de wegingsfactor van 0,5 gerechtvaardigd was, gezien de bewerkelijkheid en complexiteit van de zaak. Het Hof heeft de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de heffingsambtenaar veroordeeld tot een totale proceskostenvergoeding van € 1.554, te vermeerderen met wettelijke rente. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen kunnen binnen zes weken beroep in cassatie instellen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
nummer BK-ARN 24/967
uitspraakdatum: 11 november 2025
Uitspraak van de vierde enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 29 februari 2024, nummer LEE 23/1452, in het geding tussen belanghebbende en
de
heffingsambtenaarvan het
Noordelijk Belastingkantoor(hierna: de heffingsambtenaar)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De heffingsambtenaar heeft een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting van € 69,00 (€2,50 aan parkeerbelasting en € 66,50 aan kosten) opgelegd.
1.2.
Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag vernietigd en een proceskostenvergoeding toegekend van € 148.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland. (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft geen verweerschrift ingediend.
1.5.
Het Hof heeft partijen gevraagd of zij ter zitting willen worden gehoord. Partijen hebben binnen de gestelde termijn van twee weken daarop niet gereageerd. Het Hof heeft vervolgens bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

2.Vaststaande feiten

2.1.
Belanghebbende heeft een auto met kenteken [nummer1] op 1 november 2022 geparkeerd aan de [adres1] te [plaats1] , een plek waar tegen betaling van parkeerbelasting maximaal twee uren mag worden geparkeerd. Belanghebbende heeft parkeerbelasting op aangifte voldaan voor de maximale duur van twee uren, te weten van 19:02 tot en met 21:02. Op het in de naheffingsaanslag vermelde tijdstip stond de auto daar langer dan twee uur.
2.2.
Het bezwaar tegen de naheffingsaanslag is op 24 februari 2023 gegrond verklaard wegens strijd met het arrest van de Hoge Raad van 11 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:346. De heffingsambtenaar heeft daarbij de naheffingsaanslag vernietigd. Het beroep op dit arrest is tijdens de hoorzitting gedaan.
2.3.
Belanghebbende laat zich in alle fases van het geschil bijstaan door een professionele gemachtigde. De bij uitspraak op bezwaar van 24 februari 2023 door de heffingsambtenaar op de voet van artikel 7:15, lid 2, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) toegekende proceskostenvergoeding bedraagt € 148. Deze vergoeding is ingevolge het artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Besluit) als volgt berekend:
  • i) bezwaarschrift en hoorzitting: 2 punten,
  • ii) de waarde per punt die is neergelegd in onderdeel B2 van de bijlage bij het Besluit (€ 296), zoals die waarde op 24 februari 2023 gold voor besluiten genomen op grond van een wettelijk voorschrift inzake belastingen, en
  • iii) de in onderdeel C1 van de bijlage bij het Besluit opgenomen wegingsfactor van zeer licht: 0,25.
2.4.
Voor de Rechtbank was uitsluitend de wegingsfactor van 0,25 in geschil. De Rechtbank heeft die wegingsfactor in stand gelaten.

3.Geschil

3.1.
In geschil in hoger beroep is de hoogte van de in bezwaar toegekende proceskostenvergoeding. Niet alleen de wegingsfactor is in geschil, maar ook de hoogte van de waarde per punt in die vergoeding.
3.2.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het geschil in bezwaar een wegingsfactor 0,5 rechtvaardigt. Wat betreft de waarde per punt van de procesvergoeding voor de bezwaarfase beroept belanghebbende zich in hoger beroep op het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060. Zij stelt zich op het standpunt dat de door de heffingsambtenaar lage waarde per punt in strijd is met het discriminatieverbod.

4.Beoordeling van het geschil

Wegingsfactor
4.1.
Ingevolge het Besluit wordt de proceskostenvergoeding vastgesteld aan de hand van een puntensysteem per proceshandeling, een waarde per punt en een vermenigvuldigingsfactor voor de zwaarte van de zaak. Voor de zwaarte van de zaak kent het Besluit de volgende wegingsfactoren: zeer licht, licht, gemiddeld, zwaar en zeer zwaar. In de Bijlage bij het Besluit zijn onder C1 de wegingsfactoren opgenomen. Deze variëren van 0,25 voor een zeer lichte zaak, 0,5 voor een lichte zaak, 1 voor een gemiddelde zaak, 1,5 voor een zware zaak, tot 2 voor een zeer zware zaak.
4.2.
De wegingsfactor genoemd in onderdeel C1 van de Bijlage bij het Besluit kan worden bepaald aan de hand van de bewerkelijkheid en de gecompliceerdheid van de zaak en de daarmee verband houdende werkbelasting van de rechtsbijstandverlener en tevens door het – al dan niet in geld uit te drukken – belang dat met het aanwenden van het rechtsmiddel is gemoeid [1] . In hoeverre een bezwaar of (hoger) beroep gegrond wordt verklaard is in zoverre niet relevant.
4.3.
De Rechtbank heeft de door de heffingsambtenaar toegepaste wegingsfactor van 0,25 in stand gelaten. In het standaardkarakter van het bezwaarschrift heeft de Rechtbank aanleiding gezien om de heffingsambtenaar te volgen in zijn standpunt dat een wegingsfactor 0,25 gehanteerd moet worden.
4.4.
Belanghebbende vindt dat de werkzaamheden van de gemachtigde niet evident eenvoudig of van weinig betekenis zijn. Er is volgens haar in de bezwaarfase sprake van inhoudelijke juridische werkzaamheden, die een wegingsfactor 0,5 (licht) rechtvaardigen. Daarbij wijst belanghebbende op het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (hierna: het Richtsnoer) [2] , dat de belastingkamers van de gerechtshoven ter vaststelling van de vergoeding van de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase en de (hoger) beroepsfase hanteren.
4.5.
Vooropgesteld wordt dat de heffingsambtenaar niet is gebonden aan het Richtsnoer. De heffingsambtenaar dient zelfstandig – op grond van een eigen waardering – te beoordelen in welke gewichtscategorie een zaak valt. Dit laat onverlet dat door belanghebbende in hoger beroep kan worden aangevoerd, dat de door de heffingsambtenaar toegekende proceskostenvergoeding te laag is vastgesteld. Bij de beantwoording van de vraag welk gewicht aan de zaak moet worden toegekend voor elke fase van de procedure, kunnen de gronden die hebben geleid tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de bestreden uitspraak, een rol spelen. [3] De toetsing door het Hof van de door de heffingsambtenaar vastgestelde proceskostenvergoeding zal het Hof zonder terughoudendheid uitvoeren. Het Hof voert de toetsing van de voor de bezwaar toegekende proceskostenvergoeding dus ten volle uit. Daarbij neemt het Hof het Richtsnoer als uitgangspunt.
4.6.
In het Richtsnoer is onder andere het volgende opgenomen (zonder voetnoten):

1.Wegingsfactor C1 (gewicht van de zaak)

Het gewicht van een zaak wordt uitgedrukt in wegingsfactor C1, die varieert van 0,25 voor een zeer lichte zaak tot 2 voor een zeer zware zaak. Het gewicht van de zaak wordt bepaald door het – al dan niet in geld uit te drukken – belang en de ingewikkeldheid.. De uitkomst van de beoordeling van het gewicht van de zaak dient in overeenstemming te zijn met de bewerkelijkheid en de gecompliceerdheid van de zaak en de daarmee verband houdende werkbelasting van de rechtsbijstandverlener. Het is niet wenselijk om de rechter aan nadere criteria voor de bepaling van het gewicht te binden. Dit richtsnoer kan daarom slechts als niet-bindende handreiking worden beschouwd. Een afwijking van het richtsnoer vergt geen specifieke motivering. De genoemde voorbeelden zijn indicatief, niet limitatief.
De vergoeding van (proces)kosten wordt per fase (bezwaar, beroep en hoger beroep) apart berekend; zowel het toe te kennen aantal punten voor de proceshandelingen als de zwaarte van de zaak kunnen per fase verschillend zijn.
(…)
Indien daar in hoger beroep over wordt geklaagd, toetst het hof de in eerdere fasen toegekende vergoeding van (proces)kosten. Deze toets betreft ook de beoordeling van de zwaarte van de zaak.
Opmerking verdient dat:
(…)
de rechter op de grondslag van artikel 2, lid 2, Bpb de bevoegdheid heeft om – onafhankelijk van de toepasselijke wegingsfactor – de op grond van het eerste lid van dat artikel bepaalde vergoeding neerwaarts bij te stellen, in geval hij een kostenveroordeling toewijst ten gunste van een partij die slechts gedeeltelijk gelijk heeft gekregen. Daarbij past weliswaar een zekere terughoudendheid maar gelet op de toelichting bij het Bpb bestaat geen reden dit artikellid dusdanig beperkt uit te leggen dat het alleen van toepassing is indien de belanghebbende alleen in het gelijk wordt gesteld op punten van ondergeschikt belang;

- voor vergoeding alleen die kosten in aanmerking komen die men redelijkerwijs heeft moeten maken. Hierbij geldt de zogenaamde dubbele redelijkheidstoets. Niet alleen moet de omvang van de kosten redelijk zijn, maar ook het maken van de kosten als zodanig – bijvoorbeeld door het inroepen van rechtsbijstand – moet redelijk zijn (Kamerstukken II 1991/92, 22 495, nr. 3, blz. 154, en Kamerstukken I 1999/00, 27 024, nr. 3, blz. 10).

1.1.
Gewicht gemiddeld (wegingsfactor 1)
(…)
1.2.
Gewicht zeer licht (wegingsfactor 0,25)
Voor een zaak met een zeer gering belang en met een zeer eenvoudig te beslechten geschil (de zaak behoeft slechts een geringe inspanning van de rechtsbijstandsverlener), zou als wegingsfactor voor het gewicht van de zaak 0,25 kunnen worden aangehouden. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de volgende gevallen:
Bij evidente tel- en rekenfouten en daarmee gelijk te stellen misslagen. Te denken valt aan evidente tel- en rekenfouten in de heffingsgrondslag of in de berekening van de (proces)kostenvergoeding (bijvoorbeeld toepassing van een onjuist tarief per punt, het abusievelijk niet of onjuist meetellen van een proceshandeling, van een toegekende vergoeding van een deskundigenrapport of het ten onrechte niet vermeerderen van de vergoeding voor een deskundigenrapport met BTW).
Bij kwesties die voor de rechtsbijstandsverlener slechts eenvoudige en beperkte werkzaamheden meebrengen (zoals bij een gebruikersheffing waarbij de belanghebbende niet de gebruiker is).
Bij zeer eenvoudige vragen over nevenvorderingen of van formeelrechtelijke aard (zoals een evident geschil over een dwangsom of een zaak waarin een tijdig bezwaarschrift over het hoofd is gezien).
Indien het geschil in hoger beroep beperkt is tot de vraag of de rechtbank ten onrechte geen wettelijke rente heeft toegekend.
Bij een hoger beroep dat ongegrond is, maar waarvoor wel een proceskostenvergoeding wordt toegekend (bijvoorbeeld omdat een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegekend).
1.3.
Gewicht licht (wegingsfactor 0,5)
Voor een zaak met een gering belang en een eenvoudig geschil, zou als wegingsfactor voor het gewicht van de zaak 0,5 kunnen worden aangehouden. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de volgende gevallen:
Indien het geschil beperkt is tot het antwoord op de vraag of de hoorplicht is geschonden en de zaak op die grond voor een nieuwe behandeling in bezwaar wordt teruggewezen naar het bestuursorgaan.
Bij vragen van formeelrechtelijke aard of over een nevenvordering met enige complexiteit (zoals een niet evidente zaak over de toekenning van een dwangsom, of over rente).
Indien het geschil beperkt is tot de hoogte van de in een eerdere fase toegekende vergoeding voor de (proces)kosten (behoudens bij een kennelijke misslag).
Parkeerbelastingzaken met een (voor parkeerbelastingzaken) gemiddeld belang en complexiteit.
Indien het (hoger) beroep uitsluitend slaagt omdat het bezwaar of het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard (een termijnoverschrijding blijkt verschoonbaar te zijn, of de beroepstermijn is later gaan lopen).
Indien het (hoger) beroep uitsluitend gaat over het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar.
4.7.
Naar het oordeel van het Hof valt de onderhavige zaak niet te scharen onder de gevallen zoals genoemd onder 1.2 van het Richtsnoer, maar onder het geval dat genoemd wordt onder 1.3.d. Het gaat om een parkeerbelasting met een gemiddelde complexiteit. Dat pas tijdens de hoorzitting een beroep werd gedaan op de betreffende jurisprudentie en het bezwaarschrift slechts de door de gemachtigde gebezigde standaardargumenten bevatte, doen daaraan niet af. Het inroepen van rechtsbijstand door belanghebbende acht het Hof redelijk. Bovendien acht het Hof een wegingsfactor van 0,5 in overeenstemming met de bewerkelijkheid en de gecompliceerdheid van het bezwaar en de daarmee verband houdende werkbelasting van de gemachtigde.
Waarde per punt
4.8.
Belanghebbende heeft voor de waarde per punt terecht gesteld, dat de heffingsambtenaar ten onrechte de ‘lage’ puntwaarde heeft toegepast. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060, dient te worden uitgegaan van de ‘hoge’ puntwaarde in bezwaar.
4.9.
Het voorgaande leidt ertoe dat het hoger beroep gegrond is. Bij de vaststelling van de vergoeding van de proceskosten in (hoger) beroep zal het Hof wegingsfactor 0,5 hanteren, omdat in hoger beroep enkel de hoogte van de in bezwaar toegekende proceskostenvergoeding in geschil is.
Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5.Griffierecht en proceskosten

5.1.
Nu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, dient de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht te vergoeden.
5.2.
Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 647 voor de kosten in de bezwaarfase (2 punten (bezwaarschrift en hoorzitting) x wegingsfactor 0,5 x € 647), € 453,50 voor de kosten in eerste aanleg (1 punt (beroepschrift) x wegingsfactor 0,5 x € 907) en € 453,50 voor de kosten in hoger beroep (1 punt (hogerberoepschrift) x wegingsfactor 0,5 x € 907), ofwel in totaal op € 1.554.

6.Beslissing

Het Hof:
– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,
– vernietigt de uitspraak van de heffingsambtenaar,
– veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.554, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf vier weken na openbaarmaking van deze uitspraak in hoger beroep, dan wel, indien dit een later gelegen datum is, vier weken na de datum waarop opgaaf is gedaan van een bankrekening op naam van belanghebbende, tot aan de dag van voldoening,
– gelast dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 50 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 138 in verband met het hoger beroep bij het Hof, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf vier weken na openbaarmaking van deze uitspraak in hoger beroep, dan wel, indien dit een later gelegen datum is, vier weken na de datum waarop opgaaf is gedaan van een bankrekening op naam van belanghebbende, tot aan de dag van voldoening.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.F.C. Spek, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. K. de Jong-Braaksma als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 november 2025.
De griffier, De voorzitter,
(K. de Jong- Braaksma) (R.F.C. Spek)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.HR 23 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2293 en HR 9 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:116
2.Opgenomen in een bijlage bij de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden van 20 augustus 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:5335. Dit richtsnoer is met name op het punt van de wegingsfactor voor op enige punten verduidelijkt en/of genuanceerd en aangepast aan de huidige stand van het recht ten opzichte van het richtsnoer proceskostenvergoeding, zoals opgenomen in een bijlage bij de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden van 11 november 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:10307.
3.HR 6 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:862, r.o. 3.2.2.