ECLI:NL:GHARL:2025:7228

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
18 november 2025
Publicatiedatum
18 november 2025
Zaaknummer
Wahv 200.354.405/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • De Witt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 WahvArt. 11 WahvArt. 13a WahvArt. 62 RVV 1990Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen snelheidsovertreding op autosnelweg met wijziging feitcode en sanctie

De betrokkene werd door de officier van justitie gesanctioneerd voor het rijden van 38 km per uur te hard op een autosnelweg buiten de bebouwde kom. De kantonrechter verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af. In hoger beroep stelde de gemachtigde dat de maximumsnelheid ter plaatse 130 km/u was en niet 100 km/u, waardoor de feitcode onjuist was toegepast.

Het hof oordeelde dat de maximumsnelheid op het tijdstip van de overtreding inderdaad 130 km/u bedroeg, wat betekent dat de betrokkene slechts 8 km/u te hard reed. Daarom wijzigde het hof de feitcode en stelde het sanctiebedrag vast op €48. De proceskostenvergoeding werd beperkt toegekend tot de kosten van het hoger beroep, waarbij een forfaitaire regeling werd toegepast. Verzoek om afwijking van het forfait werd afgewezen wegens gebrek aan bijzondere omstandigheden.

Het hof wees het verzoek om vergoeding van de reiskosten van de gemachtigde af, omdat de betrokkene zelf niet aanwezig was en het Besluit proceskosten bestuursrecht geen vergoeding voor dergelijke kosten voorziet. De beslissing van de kantonrechter werd vernietigd, het beroep tegen de officier van justitie gegrond verklaard en de inleidende beschikking gedeeltelijk gewijzigd.

Uitkomst: De feitcode werd gewijzigd naar een overschrijding van 8 km/u met een sanctiebedrag van €48, en de proceskostenvergoeding werd deels toegekend, terwijl reiskosten werden afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.354.405/01
CJIB-nummer
: 262676302
Uitspraak d.d.
: 18 november 2025
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 7 april 2025, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De zaak is behandeld op de zitting van 4 november 2025. De gemachtigde van de betrokkene is verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [advocaat-generaal] .

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 450,- voor: “38 km per uur harder rijden dan mag op een autosnelweg buiten de bebouwde kom (verkeersbord A1)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 22 september 2023 om 19:38 uur op de Rijksweg A20 HMP Li 15.6 t/m HMP Li 16.1 met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de betrokkene de gedraging ontkent. De gemachtigde stelt dat op de locatie, waar de gedraging is vastgesteld, de maximumsnelheid 130 km/u was en niet 100 km/u.
3. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Op vrijdag 22-09-2023 om 19:38 waren wij, [ambtenaar 1] en [ambtenaar 2] , gebezigd met onze taak genoemd in artikel 3 lid 1 onder Pro d Politiewet 2012. Mede ter controle op naleving van de bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 gestelde bepalingen, stelden wij nader onderzoek in. De werkelijke snelheid stelde ik vast m.b.v. de gekalibreerde boordsnelheidsmeter van het dienstvoertuig, door bestuurder met een gelijkblijvende of vrijwel gelijkblijvende tussenstand te volgen.
Afgelezen snelheid boordsnelheidsmeter: 150 km/u.
Snelheid volgens kalibratietabel: 143 km/u.
Werkelijke (gecorrigeerde) snelheid: 138 km/u.
Toegestane snelheid: 100 km/u.
Overschrijding met: 38 km/u.
Meetafstand: 500 m.
Tussenafstand: 300 m. (…)
Overtreden artikel: 62 jo. bord A1 RVV 1990.
Soort weg: autosnelweg, zijnde een voor het openbaar verkeer openstaande weg. (…)
Verklaring betrokkene: ik wens geen verklaring af te leggen.”
5. De gedraging met feitcode VM038A (overschrijding van de maximumsnelheid op autosnelwegen buiten de bebouwde kom met 38 km per uur) betreft een overtreding van artikel 62 jo Pro. bord A1 als bedoeld in Bijlage 1 van het RVV 1990. Bord A1 geeft de geldende maximumsnelheid aan. In artikel 62 van Pro het RVV 1990 is bepaald:
“Weggebruikers zijn verplicht gevolg te geven aan de verkeerstekens die een gebod of verbod inhouden.”
6. De advocaat-generaal stelt, onder verwijzing naar Google Maps, dat ter hoogte van de pleeglocatie een bord staat dat tussen 6:00 uur en 19:00 uur de maximumsnelheid 100 km/u bedraagt. Daarnaast geeft de advocaat-generaal aan dat de betrokkene matrixborden is gepasseerd. Navraag bij Rijkswaterstaat heeft uitgewezen dat de matrixborden ten tijde van de gedraging op blanco stonden en dus geen afwijkende maximumsnelheid aangaven. Voorts geeft de advocaat-generaal aan dat de ambtenaar zich niets betreffende de gedraging of over eventuele werkzaamheden, die tot een verlaagde maximumsnelheid zouden leiden, kon herinneren.
7. Nu uit de gegevens in het zaakoverzicht en uit de aanvullende gegevens van de advocaatgeneraal blijkt dat sprake is van een autosnelweg en dat op het tijdstip van de gedraging een maximumsnelheid van 130 km/u gold, is het hof van oordeel dat de verkeerde feitcode is toegepast.
8. Het hof ziet aanleiding om de feitcode te wijzigen in feitcode VL008 en de hoogte van de sanctie vast te stellen op het bijbehorende sanctiebedrag, namelijk € 48,-. Deze feitcode wijkt af van de feitcode, die de advocaat-generaal aandraagt in het verweerschrift. Op de pleeglocatie is geen bord A1 aanwezig waarop de maximumsnelheid van 130 km/u wordt aangegeven, maar volgt deze maximumsnelheid uit bord G1. Het hof is van oordeel dat, gelet op voorgaande, de betrokkene de maximumsnelheid niet met 38 km/u maar met 8 km/u heeft overschreden. Volgens vaste jurisprudentie van het hof is het geoorloofd om de feitcode te wijzigen indien de betrokkene daardoor niet in zijn verdedigingsbelangen is geschaad. Nu het feitencomplex hetzelfde blijft en daarnaast de hoogte van het sanctiebedrag lager is, is het hof van oordeel dat de betrokkene door de wijziging van de feitcode niet in rechtens te respecteren belangen is geschaad (vgl. het arrest van het hof van 7 oktober 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:7701).
9. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Ter zitting heeft gemachtigde een beroep gedaan op artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). De proceskostenvergoeding staat niet in verhouding tot de daadwerkelijk gemaakte kosten. De gemachtigde verzoekt om af te wijken van de forfaitaire bedragen door in onderhavige zaak ofwel de waarde van een punt, als bedoeld in het Bpb, te verhogen, ofwel meer punten toe te kennen voor de aanwezigheid ter zitting, ofwel een andere wegingsfactor toe te kennen.
10. De proceskostenvergoeding op grond van het Bpb is een forfaitaire tegemoetkoming voor, in onderhavige zaak, de gemaakte kosten van de betrokkene voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Een proceskostenvergoeding is niet bedoeld om alle gemaakte kosten te dekken. Om van het Bpb af te kunnen wijken op grond van artikel 2, derde lid, van het Bpb moet er sprake zijn van bijzondere omstandigheden. In de nota van toelichting bij het Bpb staat dat het werkelijk om uitzonderingen gaat, zoals een geval waarin de burger door gebrekkige informatieverstrekking door de overheid op uitzonderlijk hoge kosten voor het verzamelen van het benodigde feitenmateriaal is gejaagd (Stb. 1993, 763, blz. 10). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in het arrest van 8 mei 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1798) geoordeeld dat er aanleiding kan bestaan om artikel 2, derde lid, van het Bpb toe te passen om een hoger bedrag toe te kennen bij bijvoorbeeld uitzonderlijk grote, complexe en bewerkelijke zaken waarmee een groot maatschappelijk belang is gemoeid. Het hof is van oordeel dat, gelet op hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd, geen sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven om af te wijken van het Bpb op grond van artikel 2, derde lid, van dit besluit.
11. Over het verzoek van de gemachtigde om een andere wegingsfactor toe te passen, overweegt het hof het volgende. Het hof heeft in het arrest van 20 juni 2024 (ECLI:NL:GHARL:2024:4173) geoordeeld dat voor de toe te passen wegingsfactor moet worden gekeken naar de aard van de zaak, waaronder begrepen het soort zaak, de omvang van het dossier en het onderwerp van geschil. Het gaat daarbij – met het oog op een uniforme en voorspelbare toepassing van het recht – om het gewicht van de zaak, zoals deze zich doorgaans voordoet. De meeste Mulderzaken zijn feitelijk en juridisch gezien vrij eenvoudig van aard. Dit komt tot uitdrukking in vaste jurisprudentie waarbij in Mulderzaken, waarin de rechtzoekende inhoudelijk in het gelijk wordt gesteld, als wegingsfactor 0,5 wordt gehanteerd. Het hof ziet daarom in onderhavige zaak geen aanleiding om een andere wegingsfactor toe te passen.
12. De grond die heeft geleid tot wijziging van de inleidende beschikking heeft de gemachtigde evenwel voor het eerst in hoger beroep aangevoerd. De gemachtigde had deze grond reeds kunnen aanvoeren in administratief beroep en in beroep bij de kantonrechter, maar heeft dat niet gedaan (vgl. het arrest van het hof van 11 juli 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4621). Het hof ziet daarom aanleiding om de vergoeding van de proceskosten te beperken tot de kosten van het hoger beroep. Aan het indienen van het hoger beroepschrift, de nadere toelichting en het verschijnen ter zitting van het hof worden in totaal 2,5 punten toegekend. De waarde per punt bedraagt € 907,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Nu de beslissing van de kantonrechter na 31 december 2023 is bekendgemaakt en gelet op het bepaalde in het arrest van het hof van 24 september 2025 (ECLI:NL:GHARL:2025:5863), wordt het bedrag van de in hoger beroep gemaakte kosten op grond van artikel 13a, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wahv vermenigvuldigd met factor 0,25.
13. Tevens heeft de gemachtigde ter zitting verzocht om een reiskostenvergoeding voor het bijwonen van de zitting van het hof. Het hof oordeelt dat de in verband met het hoger beroep door de gemachtigde van de betrokkene gemaakte reiskosten niet voor vergoeding in aanmerking komen, nu de betrokkene zelf niet aanwezig is geweest bij de zitting van het hof en het Bpb niet voorziet in vergoeding van de door een professionele gemachtigde gemaakte reiskosten (vgl. het arrest het van het hof van 16 maart 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:2142). Het hof zal het verzoek in zoverre afwijzen.
14. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 283,44 (= (2,5 x € 907,- x 0,5 x 0,25)).
15. Het hof beslist als volgt.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond;
wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat de feitcode en de gedraging worden gewijzigd in “VL008 - 8 km per uur harder rijden dan mag op een autosnelweg buiten de bebouwde kom (gedrag)” en stelt het sanctiebedrag vast op € 48,-;
bepaalt dat als de betrokkene op grond van artikel 11 van Pro de Wahv teveel zekerheid heeft gesteld, het meerdere door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 283,44;
wijst af het meer of anders verzochte.
Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Postma als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.