In deze zaak gaat het om een hoger beroep in kort geding tussen twee ex-partners, [Appellante] en [geintimeerde], die samen een sociale huurwoning huren van Stichting Vivare. Na het beëindigen van hun relatie in 2025 is [geintimeerde] in de woning blijven wonen, terwijl [Appellante] met hun minderjarige zoon tijdelijk bij haar ouders en later in een chalet op een camping verblijft. De voorzieningenrechter had eerder bepaald dat [geintimeerde] met uitsluiting van [Appellante] gerechtigd is tot het gebruik van de woning. [Appellante] heeft hoger beroep ingesteld om het huurrecht van de woning aan haar toe te kennen.
Het hof heeft de zaak beoordeeld en vastgesteld dat er sprake is van spoedeisend belang bij de vorderingen van [Appellante]. Het hof oordeelt dat [Appellante] onder de huidige omstandigheden meer belang heeft bij het gebruik van de woning dan [geintimeerde]. De belangen van hun minderjarige zoon, die bij [Appellante] woont, zijn daarbij van groot belang. Het hof vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter en kent het huurrecht van de woning toe aan [Appellante], met uitsluiting van [geintimeerde]. [Appellante] heeft voldoende aangetoond dat zij de huur kan betalen en dat het voor haar en de minderjarige noodzakelijk is om in de woning te verblijven.
Het hof geeft [geintimeerde] de tijd tot 1 januari 2026 om de woning te ontruimen en wijst de vordering tot het opleggen van een dwangsom af. Tevens wordt [geintimeerde] veroordeeld om zich uit te schrijven van het adres van de woning in de Basisregistratie Personen. Het hof bepaalt dat de kosten van de procedures door iedere partij zelf gedragen worden.