ECLI:NL:GHARL:2025:7361

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
18 november 2025
Publicatiedatum
21 november 2025
Zaaknummer
23/1074
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Wet BPMArt. 19 lid 3 Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 10 lid 2 Wet BPMBesluit proceskosten bestuursrechtHR 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen naheffingsaanslag BPM wegens afschrijving en tenaamstelling

Belanghebbende is een naheffingsaanslag BPM opgelegd van €4.695 wegens een betwiste afschrijving op een Mercedes-Benz Vito Tourer. De Rechtbank Gelderland had de aanslag verminderd tot €4.645 en vergoedingen toegekend voor immateriële schade, proceskosten en griffierecht.

In hoger beroep betwist belanghebbende onder meer de tenaamstelling van de aanslag, de wijze van afschrijving en de hoogte van de proceskostenvergoeding. Het Hof oordeelt dat de tenaamstelling ondanks onduidelijkheid geen misverstand veroorzaakt over de ontvanger van de aanslag. De historische nieuwprijs moet gebaseerd zijn op de BPM van de te registreren auto, maar de hogere CO2-uitstoot leidt niet tot een lagere afschrijving.

Belanghebbende faalt in het bewijs dat de handelsinkoopwaarde verminderd moet worden wegens schade. De proceskostenvergoeding wordt verhoogd op grond van een recente HR-arrest en de immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt vastgesteld op €1.000. Het Hof vernietigt het deel van de uitspraak over proceskostenvergoeding en veroordeelt de Inspecteur en de Staat tot betaling van de kosten en schadevergoeding.

Uitkomst: Het Hof vernietigt het deel van de uitspraak over proceskostenvergoeding, verhoogt de vergoeding en kent immateriële schadevergoeding toe wegens termijnoverschrijding.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 23/1074
uitspraakdatum: 18 november 2025
Uitspraak van de derde enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 9 maart 2023, nummer AWB 21/2860, in het geding tussen belanghebbende en
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen(hierna: de Inspecteur)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) opgelegd van € 4.695.
1.2.
Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft in zijn uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De Rechtbank heeft dit beroep gegrond verklaard, de naheffingsaanslag verminderd tot € 4.645, en vergoedingen voor immateriële schade, proceskosten en griffierecht toegekend van respectievelijk € 500, € 2.266 en € 181.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.5.
De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.6.
Op 27 november 2024 en 2 april 2025 hebben regiezittingen plaatsgevonden waar BPM-zaken aan de orde zijn geweest die bij het Hof aanhangig waren en waarin de gemachtigde van belanghebbende namens verschillende belanghebbenden als procesvertegenwoordiger optrad, waaronder in de onderhavige zaak. In het kader van deze regiezittingen hebben partijen over en weer stukken uitgewisseld.
1.7.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 november 2025. Namens belanghebbende is mr. [naam1] verschenen. Namens de Inspecteur zijn mr. [naam2] en mr. [naam3] verschenen.

2.Vaststaande feiten

2.1.
Belanghebbende heeft een Mercedes-Benz Vito Tourer 114 BlueTEC Pro Lang met een CO2-uitstoot van 174 gr/km (hierna: de auto) gekocht.
2.2.
Belanghebbende heeft voor de auto op aangifte een bedrag van € 1.962 aan BPM voldaan. Bij de aangifte is een taxatierapport met dagtekening 15 september 2020 gevoegd waarin de schade is gecalculeerd op € 16.125. Deze schade is bijna volledig in mindering gebracht op de op basis van een koerslijst bepaalde handelsinkoopwaarde. Bij de aangifte is geen inkoopfactuur gevoegd.
2.3.
De Inspecteur heeft een ‘onderzoek waardebepaling’ laten doen door de dienst Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ). Van dit onderzoek is een rapport met dagtekening 29 september 2020 opgemaakt. Blijkens dit rapport zijn alle opgegeven schadeposities niet aangetroffen of kunnen als gebruikersschade worden aangemerkt waarvoor geen waardevermindering wordt toegekend. Naar aanleiding van de bevindingen in dit rapport heeft de Inspecteur aan belanghebbende een naheffingsaanslag BPM opgelegd ten bedrage van € 4.695, waarbij hij is uitgegaan van een handelsinkoopwaarde van € 22.559 en een afschrijving op basis van de forfaitaire tabel van 70,25%.
2.4.
De Rechtbank heeft de naheffingsaanslag verminderd tot € 4.645. Daartoe heeft de Rechtbank overwogen dat uit het door DRZ opgestelde rapport een handelsinkoopwaarde volgt van € 22.559 op basis van een koerslijstonderzoek en van € 19.226 op basis van een referentievoertuigonderzoek. De Rechtbank heeft geoordeeld dat de Inspecteur ten onrechte niet de laagste handelsinkoopwaarde van € 19.226 heeft genomen.

3.Geschil

3.1.
In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot een juist bedrag is opgelegd. Belanghebbende beantwoordt die vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend.
3.2.
Belanghebbende betoogt in hoger beroep:
i. i) dat de naheffingsaanslag moet worden vernietigd vanwege een onjuiste tenaamstelling;
ii) dat voor het berekenen van de afschrijving ingevolge artikel 10 lid 2 Wet Pro BPM de historische nieuwprijs moet worden gebaseerd op het bedrag aan BPM dat voor de te registreren auto (met een CO2-uitstoot van 174 gr/km) is verschuldigd, en niet aan de hand van de BPM die voor de referentieauto (met een CO2-uitstoot van 164 gr/km) is verschuldigd;
iii) dat de handelsinkoopwaarde moet worden verminderd met € 16.125 wegens meer dan normale gebruiksschade;
iv) dat de Rechtbank bij het toekennen van de kostenvergoeding voor bezwaar een te lage waarde per punt heeft toegekend; en
v) dat wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep een schadevergoeding moet worden toegekend.
3.3.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot vernietiging dan wel vermindering van de naheffingsaanslag. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4.Beoordeling van het geschil

Tenaamstelling naheffingsaanslag
4.1.
Belanghebbende stelt eerst in hoger beroep dat de tenaamstelling van de naheffingsaanslag onjuist is. De naheffingsaanslag had volgens belanghebbende moeten worden opgelegd aan [bedrijf1] omdat dit de aanvrager van het kenteken van de auto is. Om dit te staven heeft belanghebbende een ‘Bewijs van inschrijving’ van de RDW overgelegd waaruit volgt dat de auto op 24 september 2020 op naam van [bedrijf1] is gesteld.
4.2.
Ingevolge artikel 7 van Pro de Wet BPM wordt, indien voor een personenauto of een motorrijwiel de aanvraag voor de inschrijving in het kentekenregister geschiedt door een ander dan degene op wiens naam motorrijtuig wordt gesteld, in afwijking van artikel 19, lid 3, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, die ander gehouden de belasting op aangifte te voldoen namens degene op wiens naam het motorrijtuig wordt gesteld.
4.3.
In het onderhavige geval is niet duidelijk wie de inschrijving in het kentekenregister heeft gedaan. Beide partijen hebben daarover geen duidelijkheid kunnen verschaffen. Het Bewijs van inschrijving biedt geen uitsluitsel, aangezien dit document enkel de bevestiging is dat de auto op naam is gesteld. Het Hof stelt vast dat in de aangifte bij ‘BSN/RSIN aangever/vergunninghouder’ het burgerservicenummer van belanghebbende is vermeld, dat in de aangifte is aangekruist dat de aangever/vergunninghouder het kenteken voor zichzelf heeft aangevraagd en dat de aangifte is ondertekend door “ [bedrijf1] ”, zonder de vermelding dat hij dit in de hoedanigheid van bestuurder van [bedrijf1] heeft gedaan. Deze omstandigheden duiden erop dat belanghebbende de aanvrager van het kenteken is.
4.4.
Onverminderd het voorgaande overweegt het Hof dat als uitgangspunt heeft te gelden dat een onjuiste tenaamstelling van een aanslag in het algemeen niet kan leiden tot een betalingsverplichting, maar dat deze regel uitzondering lijdt wanneer de tenaamstelling een zodanige geringe onvolkomenheid bevat dat er redelijkerwijs geen misverstand over kan bestaan voor wie de toegezonden aanslag is bestemd. [1] Naar het oordeel van het Hof zou het duidelijk moeten zijn om welke belanghebbende het gaat en is het ook duidelijk om welke auto het gaat. Steun hiervoor ontleent het Hof aan de omstandigheden dat belanghebbende degene is geweest die de BPM op aangifte heeft voldaan en hij pas in een aanvulling op het hogerberoepschrift de tenaamstelling van de naheffingsaanslag ter discussie heeft gesteld, terwijl hij daarvoor in bezwaar, beroep en bij het instellen van hoger beroep kennelijk geen aanleiding zag. Er kan daarom naar het oordeel van het Hof redelijkerwijs geen misverstand bestaan over de vraag voor wie de naheffingsaanslag bestemd is.
Historische nieuwprijs; BPM van te registreren auto
4.5.
Ter bepaling van de historische nieuwprijs moet in aanmerking worden genomen het bedrag aan BPM dat voor de te registreren auto verschuldigd zou geweest op het tijdstip waarop deze voor het eerst in gebruik werd genomen (HR 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703). Het gelijk op dit punt is daarom aan belanghebbende.
Handelsinkoopwaarde; invloed van hogereCO2
-uitstoot
4.6.
Om de werkelijke waarde(daling) van de te registreren auto zo goed mogelijk te benaderen, moet volgens de Inspecteur in dat geval ook de handelsinkoopwaarde naar boven worden bijgesteld. De in de koerslijst opgenomen handelsinkoopwaarde is namelijk gebaseerd op een referentievoertuig met een CO2-uitstoot van 164 gr/km, terwijl de te registreren auto een CO2-uitstoot van 174 gr/km heeft.
4.7.
Naar het oordeel van het Hof is, gelijk de Inspecteur heeft betoogd, een afwijkende CO2-uitstoot een verschil dat in aanmerking moet worden genomen ten opzichte van de handelsinkoopwaarde van het referentievoertuig. [2] Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat een hogere CO2-uitstoot in zijn algemeenheid een waardeverhogende invloed op de handelsinkoopwaarde zal hebben. Die hogere CO2-uitstoot wordt immers veroorzaakt door een andere – over het algemeen duurdere – uitrusting of uitvoering. [3]
4.8.
Indien, zoals in het onderhavige geval, de Inspecteur gemotiveerd de door de belastingplichtige verdedigde vermindering (afschrijving) betwist, ligt het op de weg van de belastingplichtige om de feiten aannemelijk te maken die deze vermindering meebrengen. [4] Naar het oordeel van het Hof brengt deze bewijsregel mee dat de belastingplichtige – in geval van betwisting – het bewijs dient te leveren dat een afwijkende CO2-uitstoot niet leidt tot een hogere handelsinkoopwaarde en dus een lager afschrijvingspercentage van de te registreren auto. Een dergelijke verdeling van de bewijslast ligt te meer voor de hand nu als uitgangspunt heeft te gelden dat een afwijkende CO2-uitstoot in zijn algemeenheid een waardeverhogende invloed zal hebben op de handelsinkoopwaarde. De partij die stelt dat dit uitgangspunt niet opgaat, zoals belanghebbende doet, dient de daarvoor relevante feiten en omstandigheden aan te voeren en zo nodig aannemelijk te maken. [5] Deze bewijslastverdeling brengt mee dat indien er twijfel bestaat over het door belanghebbende gestelde, dit ten nadele werkt van belanghebbende.
4.9.
Ter onderbouwing van zijn stelling dat een hogere CO2-uitstoot geen invloed heeft op de handelsinkoopwaarde, heeft belanghebbende erop gewezen – hetgeen door de Inspecteur niet is betwist – dat de gebruikte koerslijst geen voorzieningen heeft ingebouwd die een koppeling maken tussen opties en de bijbehorende CO2-uitstoot. Dit brengt mee dat in deze koerslijst de catalogusprijs en de handelsinkoopwaarde wel stijgen door het opvoeren van opties, maar dat de CO2-uitstoot daardoor niet meebeweegt. Ook andersom zal een handmatige aanpassing van de CO2-uitstoot op zichzelf geen gevolgen hebben voor de handelsinkoopwaarde, deze blijft namelijk gebaseerd op de ‘norm-uitstoot’ die standaard in het systeem staat, in plaats van de daadwerkelijke uitstoot van de auto, aldus belanghebbende
.Dit betekent volgens belanghebbende echter niet, dat de getoonde handelsinkoopwaarde niet is gekoppeld aan de getoonde referentieauto inclusief de waarde van de toegevoegde opties. Dit impliceert dat de handelsinkoopwaarde dus in werkelijkheid ook is gekoppeld aan de hogere CO2-uitstoot, alleen is dit niet zichtbaar in de koerslijst, aldus belanghebbende.
4.10.
Uit deze toelichting van belanghebbende zou kunnen worden afgeleid dat de getoonde handelsinkoopwaarde ook behoort bij een CO2-uitstoot die overeenstemt met de extra opties of andere uitvoering, waardoor de in de koeslijst getoonde referentieauto in werkelijkheid dezelfde CO2-uitstoot heeft als de te registreren auto, hoewel een lagere CO2-uitstoot is weergegeven. [6] Bij een dergelijke gevolgtrekking zou belanghebbende kunnen worden gevolgd in zijn standpunt.
4.11.
Anderzijds zou uit deze toelichting ook kunnen worden afgeleid dat als de handelsinkoopwaarde in de koerslijst is gebaseerd op een zogenoemde ‘norm-uitstoot’, en deze waarde niet meebeweegt als handmatig een hogere CO2-uitstoot wordt ingevoerd, de koerslijst niet de auto met een hogere CO2-uitstoot waardeert. Dit zou kunnen meebrengen dat het eveneens in de koerslijst weergegeven bedrag aan rest-BPM te laag is, als deze rest-BPM niet is afgeleid van het (hogere) bedrag aan historische BPM dat voor de auto met een hogere CO2-uitstoot verschuldigd zou zijn geweest. Als in de koerslijst de hoogte van de handelsinkoopwaarde mede is gebaseerd op de berekende rest-BPM, dan kan belanghebbende niet in zijn standpunt worden gevolgd. Belanghebbende heeft de werking van de koerslijst op dit punt evenwel niet nader toegelicht.
4.12.
Gelet op de uiteenlopende gevolgtrekkingen die kunnen worden verbonden aan belanghebbendes toelichting, bestaat er bij het Hof een zodanige twijfel over het door belanghebbende gestelde, dat dit gelet op de toegepaste bewijslastverdeling, ten nadele werkt van belanghebbende. Dit betekent dat het Hof ervan uitgaat dat de hogere CO2-uitstoot van de te registreren auto een zodanige invloed heeft op de handelsinkoopwaarde dat ondanks de hogere historische nieuwprijs het afschrijvingspercentage daardoor niet wijzigt. [7]
Handelsinkoopwaarde; waardevermindering in verband met schade
4.13.
Belanghebbende, op wie de bewijslast rust, heeft niet aannemelijk gemaakt dat op basis van het taxatierapport schade in aanmerking moet worden genomen. Aangezien belanghebbende in hoger beroep zijn standpunt niet nader heeft onderbouwd, ziet het Hof geen aanknopingspunten voor een andersluidend oordeel dan dat van de Rechtbank.
Proceskostenvergoeding bezwaarfase: waarde per punt
4.14.
De Rechtbank heeft de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten. Bij de vaststelling van de vergoeding voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase heeft de Rechtbank rekening gehouden met de ‘lage’ waarde per punt van € 296 uit het Besluit proceskosten bestuursrecht.
4.15.
Op grond van het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060 dient te worden uitgegaan van de ‘hoge’ puntwaarde in bezwaar. Berekend naar het tarief van 2025 beloopt de vergoeding van de bezwaarkosten € 1.294 (1 punt voor bezwaarschrift, 1 punt voor hoorzitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 647). De voor de beroepsfase toegekende proceskostenvergoeding van € 1.674 is niet in geschil. De proceskostenvergoeding voor de bezwaar- en beroepsfase komt daarmee uit op € 2.968.
Vergoeding immateriële schade
4.16.
Belanghebbende heeft in deze zaak verzocht om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. In hoger beroep is de redelijke termijn van twee jaar overschreden, en wel met minder dan twaalf maanden. Dit betekent dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van € 1.000, te vergoeden door de Staat.
SlotsomGelet op het overwogene in 4.15 is het hoger beroep van belanghebbende gegrond.

5.Griffierecht en proceskosten

5.1.
Het Hof ziet aanleiding voor vergoeding van het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 274.
5.2.
Het Hof vindt bovendien aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
5.3.
Het Hof stelt de kosten voor verleende rechtsbijstand op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vast op € 454 (1 punt voor hogerberoepschrift, 1 punt voor zitting, wegingsfactor 0,25, waarde per punt € 907). In de omstandigheid dat de uitspraak van de Rechtbank enkel is vernietigd wegens een onjuiste bezwaarkostenvergoeding, ziet het Hof aanleiding een wegingsfactor 0,25 aan deze zaak toe te kennen.
5.4.
Wat betreft de vergoeding voor de ‘comparitiefase’ in hoger beroep (zie onderdeel 1.6) ziet het Hof aanleiding artikel 2 lid 3 Bpb Pro toe te passen. Het Hof heeft in die comparitiefase vele zaken (ongeveer honderd) gezamenlijk behandeld met het oog op het structureren van de vele aanhangige hogerberoepsprocedures van de gemachtigde en de Inspecteur door (te pogen om te komen tot) het maken van werkafspraken. Het Hof zal daaraan in de onderhavige zaak geen vergoeding toekennen, omdat de naheffingsaanslag in deze procedure niet wordt verminderd.
5.5.
In totaal bedraagt de proceskostenvergoeding € 2.968 (zie 4.15) plus € 454 (zie 5.3), ofwel € 3.422.
Beslissing
Het Hof:
– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor wat betreft de beslissing omtrent de vergoeding van proceskosten,
– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 3.422,
– gelast de Inspecteur aan belanghebbende te vergoeden het door hem voor het hoger beroep betaalde griffierecht van € 274, en
– veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 1.000.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, lid van de derde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 november 2025.
De griffier, De raadsheer,
(E.D. Postema) (A.J.H. van Suilen)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Zie HR 31 augustus 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2356.
2.Vgl. HR 12 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:692, r.o. 2.4.3.
3.Hof Arnhem-Leeuwarden 12 maart 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:1852 en 1858; Hof Arnhem-Leeuwarden 11 juni 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:3914; Hof Arnhem-Leeuwarden 23 juli 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4876.
4.HR 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:147, r.o. 3.5.3.
5.Hof Arnhem-Leeuwarden 12 maart 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:1852 en 1858; Hof Arnhem-Leeuwarden 11 juni 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:3914; Hof Arnhem-Leeuwarden 23 juli 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4876.
6.Vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 30 april 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:3011, r.o. 4.11.
7.Vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 30 september 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:6014, r.o. 4.1 t/m 4.8.