ECLI:NL:GHARL:2025:7483

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
25 november 2025
Zaaknummer
200.341.621
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over redelijke termijn voor aansluiting elektriciteitsnet en aansprakelijkheid Liander N.V.

In deze zaak heeft [appellant] B.V. hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van de rechtbank Gelderland, waarin de vordering tot schadevergoeding van € 68.850,02 wegens een te late aansluiting op het elektriciteitsnet door Liander N.V. werd afgewezen. [appellant] stelt dat Liander niet binnen de redelijke termijn van 18 weken, zoals voorgeschreven in artikel 23 lid 4 van de Elektriciteitswet 1998 (oud), de aansluiting heeft gerealiseerd. De rechtbank oordeelde dat Liander toerekenbaar tekort is geschoten, maar dat zij op grond van een exoneratiebeding niet aansprakelijk is voor de schade. In hoger beroep heeft [appellant] de rechtbank gevraagd de vordering alsnog toe te wijzen, terwijl Liander ook hoger beroep heeft ingesteld om te betogen dat de 18-wekentermijn onverbindend is op basis van het Unierecht. Het hof heeft geoordeeld dat de vordering van [appellant] moet worden afgewezen, omdat de aansluiting binnen 39 weken is gerealiseerd, wat in de huidige omstandigheden als redelijk wordt beschouwd. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst de proceskosten toe aan Liander.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.341.621
zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem 414275
arrest van 25 november 2025
in de zaak van
[appellant] B.V.
die is gevestigd in [vestigingsplaats]
hierna: [appellant]
advocaat: mr. M.R. het Lam
en
Liander N.V.
die is gevestigd in Arnhem
hierna: Liander
advocaat: mr. A. Mahmoud

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
[appellant] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, (hierna: de rechtbank) op 28 februari 2024 tussen partijen heeft uitgesproken (hierna: het vonnis). Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep met grieven
  • de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep
  • de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep
  • het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 3 september 2025 is gehouden
1.2.
Aan het eind van de mondelinge behandeling heeft het hof bepaald dat arrest zal worden gewezen.

2.De kern van de zaak

2.1.
[appellant] verwijt Liander dat zij een aansluiting van [appellant] op het elektriciteitsnet niet binnen een redelijke termijn heeft gerealiseerd. [appellant] heeft daardoor schade geleden omdat zij met haar zonnepanelen opgewekte stroom niet eerder kon leveren aan het elektriciteitsnet. [appellant] vindt dat Liander deze schade moet vergoeden en beroept zich daarvoor op de redelijke termijn van 18 weken zoals bepaald in artikel 23 lid 4 van de Elektriciteitswet 1998 (oud).
2.2.
[appellant] heeft bij de rechtbank gevorderd dat Liander wordt veroordeeld tot betaling van € 68.850,02, vermeerderd met rente en kosten.
2.3.
De rechtbank heeft deze vordering afgewezen. Kort gezegd, heeft de rechtbank geoordeeld dat de 18-wekentermijn van artikel 23 lid 4 van de Elektriciteitswet 1998 (oud) van toepassing is en Liander toerekenbaar tekort is geschoten in haar verplichting de aansluiting van [appellant] binnen die termijn te realiseren, maar dat Liander op grond van een toepasselijk exoneratiebeding niet aansprakelijk is voor de door [appellant] geleden schade.
2.4.
De bedoeling van het hoger beroep van [appellant] is dat de afgewezen vordering alsnog wordt toegewezen. Liander heeft eveneens hoger beroep ingesteld tegen het vonnis en wil vastgesteld zien dat de 18-wekentermijn van artikel 23 lid 4 van de Elektriciteitswet 1998 (oud) op grond van het recht van de Europese Unie (hierna: Unierecht) onverbindend is tussen partijen, althans buiten toepassing moet blijven. Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het door de andere partij ingestelde hoger beroep met veroordeling van die partij in de proceskosten.
2.5.
Het hof komt net als de rechtbank (maar op andere gronden) tot het oordeel dat de vordering van [appellant] moet worden afgewezen en zal daarom het vonnis van de rechtbank bekrachtigen. Het hof licht hierna toe hoe het tot dat oordeel komt.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

De feiten
3.1.
In hoger beroep kan van de volgende feiten worden uitgegaan.
3.2.
[appellant] is een agrarisch varkensvleesbedrijf dat zich bezighoudt met het fokken en houden van varkens in Gelderland. In overleg met haar energie-adviseur Stip-Connected wilde [appellant] zonnepanelen plaatsen op de daken van haar loodsen op het bedrijfsterrein. Om de op te wekken elektriciteit (deels) te kunnen (terug)leveren op het openbare elektriciteitsnet (hierna: het net), was een nieuwe aansluiting nodig.
3.3.
Liander is netbeheerder. Zij beheert onder andere in Gelderland de elektriciteitsnetten en is belast met het aansluiten van afnemers en het transporteren van elektriciteit. De uitvoering van deze wettelijke taken staat onder toezicht van de Autoriteit Consument & Markt (hierna: ACM).
3.4.
In de loop van 2020 heeft [appellant] ten bate van het voornemen om zonnepanelen te plaatsen, bij Liander een offerte opgevraagd voor het verzwaren van de al bestaande AC4b-aansluiting (alleen afname) naar een AC5b-aansluiting (met teruglevering) met een vermogen van 1 Mega Volt Ampère (MVA). Hierop heeft Liander een eerste offerte uitgebracht. Naar aanleiding van die offerte heeft tussen [appellant] en Kenter B.V. (hierna: Kenter) enerzijds en Liander anderzijds overleg plaatsgevonden over de door Liander geoffreerde locatie voor het door Kenter te bouwen inkoopstation. In overleg is toen gekozen voor een andere locatie, direct naast de middenspanningsruimte van Liander, waarvoor een tracé van slechts drie meter nodig was.
3.5.
Naar aanleiding hiervan heeft Liander op 11 november 2020 een nieuwe offerte uitgebracht. In deze offerte staat, voor zover relevant, het volgende:
“Op uw verzoek ontvangt u de aanbieding voor de elektriciteitsaansluiting die geschikt is voor teruglevering (...)
De totale eenmalige kosten voor de elektriciteitsaansluiting bedragen € 28.727.64 exclusief btw.
(...)
Zolang de voorraad strekt
Binnen (en na) de geldigheidstermijn van deze offerte kunnen ook andere partijen een aanvraag doen en/of opdracht geven voor een aansluiting inclusief een beschikbaar transportvermogen. Liander wil opdrachtgevers een gelijke behandeling geven en wil reeds gemaakte afspraken kunnen nakomen. Daarom hanteren wij het beginsel 'first come, first served'. Het moment van ontvangst van de getekende volledige opdracht voor de eenmalige werkzaamheden en de aansluit- en transportovereenkomst is bepalend voor de uitvoering van die overeenkomst en voor het verkrijgen van een recht op transportcapaciteit. Een andere partij die eerder opdracht verleent gaat voor.
Resteert een transportcapaciteit in het net die kleiner is dan de omvang die u wenst te contracteren, dan kunt u aan deze offerte geen rechten op de volledig gevraagde transportcapaciteit in het net ontlenen.
Wij nemen in dat geval contact met u op om de nieuwe situatie en de andere mogelijkheden door te nemen.
(…)”
Op deze offerte zijn door Liander de ‘Algemene voorwaarden voor het uitvoeren van werkzaamheden en diensten door Liander N.V.’ van toepassing verklaard. Deze voorwaarden zijn bij de offerte gevoegd en sluiten in artikel 14 onder meer uit de aansprakelijkheid van Liander voor gederfde omzet (hierna: het exoneratiebeding). Van de offerte maakt verder onderdeel uit de ‘Specificatie energievoorziening’. Hierin staat, voor zover relevant:
“-
Planning en uitvoering
Na ontvangst van uw opdracht starten wij met de voorbereidingen van de werkzaamheden. Door de sterke economische groei en volle orderportefeuilles bij onze aannemers staan levertijden onder druk. Liander doet er uiteraard alles aan om aan uw wensen te voldoen. De projectmanager stemt de planning met u af. (...)”
3.6.
Op 12 november 2020 heeft [appellant] de offerte van Liander geaccepteerd waarna Liander op 17 november 2020 een opdrachtbevestiging aan [appellant] heeft
gestuurd.
3.7.
In een e-mail van 9 december 2020 schrijft Liander aan Kenter dat de opdracht in week 16-2021 (de week van 19-25 april 2021) bij Liander wordt opgenomen maar dat dit nog niet is bevestigd vanuit de planners.
3.8.
Op 12 februari 2021 bericht Liander aan Stip-Connected en [appellant] dat uit netstudies en berekeningen op het Liandernet is gebleken dat de capaciteit van het net niet toereikend is en dat de huidige kabel niet geschikt is voor verdere belasting. Het net moet worden aangepast, wat betekent dat circa 700 meter kabel moet worden vervangen en dat de huidige middenspanningsruimte moet worden aangepast. De nieuwe planning is dat de aannemer in week 25 (21 juni 2021) start, dat in week 29 de montage plaatsvindt, met ingebruikstelling in week 30 (de week van 26 juli 2021). Daarop verzoekt Stip-Connected Liander nog diezelfde dag om de opdracht te realiseren volgens de originele planning gelet op de redelijke termijn van 18 weken zoals omschreven in artikel 23 lid 3 Elektriciteitswet 1998.
3.9.
Vanaf begin december 2020 heeft Kenter bij Liander geïnformeerd wanneer zij een bepaalde schakelaar kon verwachten, nodig voor het afbouwen van het inkoopstation. Liander heeft op 23 februari 2021 een schakelaar besteld met als afleverdatum 19 april 2021.
3.10.
Op 10 augustus 2021 is de nieuwe aansluiting opgeleverd. Daarmee is de aansluiting binnen 39 weken gerealiseerd.
Inleiding op de beoordeling in hoger beroep
3.11.
[appellant] bestrijdt met haar bezwaren (grieven) in hoger beroep in de kern het oordeel van de rechtbank dat Liander op grond van het exoneratiebeding niet aansprakelijk is voor de door [appellant] geleden schade. Het hof ziet echter aanleiding eerst te oordelen over een ander in hoger beroep voorgelegd punt, te weten of de aansluiting door Liander binnen een redelijke termijn is gerealiseerd en of voor die beoordeling de 18-wekentermijn van artikel 23 lid 4 Elektriciteitswet 1998 (oud) op grond van het Unierecht buiten toepassing moet blijven. Daarvoor zal het hof hierna eerst het juridisch kader schetsen van de (Europese) regelgeving over elektriciteitsaansluitingen voor zover van belang voor deze zaak.
Het juridisch kader
3.12.
Op deze zaak is van toepassing de Elektriciteitswet 1998 zoals die gold tot 22 februari 2025 (hiervoor en hierna Elektriciteitswet 1998 (oud)). De relevante bepalingen van artikel 23 Elektriciteitswet 1998 (oud) luiden als volgt:
Artikel 23 lid 1:
De netbeheerder is verplicht degene die daarom verzoekt te voorzien van een aansluiting op het door hem beheerde net tegen een tarief en tegen andere voorwaarden die in overeenstemming zijn met de paragrafen 5 en 6 van dit hoofdstuk. (...)
Artikel 23 lid 4:
Een aansluiting wordt door de netbeheerder gerealiseerd binnen een redelijke termijn. Deze redelijke termijn is in ieder geval verstreken wanneer de gevraagde aansluiting niet is gerealiseerd binnen 18 weken nadat het verzoek om een aansluiting bij de netbeheerder is ingediend, indien het verzoek betreft:
a. een aansluiting tot 10 MVA;
b. een aansluiting voor een productie-installatie voor de opwekking van duurzame elektriciteit of een installatie voor hoogrenderende warmtekrachtkoppeling, tenzij de netbeheerder niet in redelijkheid kan worden verweten dat hij de aansluiting niet binnen de genoemde termijn heeft gerealiseerd.
3.13.
De termijn van 18 weken is door een amendement per 1 juli 2004 in artikel 23 Elektriciteitswet 1998 (oud) opgenomen, oorspronkelijk als lid 3 dat later – na toevoeging van een nieuw lid – is hernummerd tot lid 4.
3.14.
In artikel 37 lid 6 van de Richtlijn 2009/72/EG van het Europees Parlement en de
Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor
elektriciteit en tot intrekking van Richtlijn 2003/54/EG (hierna: Elektriciteitsrichtlijn 2009/72) staat, voor zover van belang:
De regulerende instanties zijn bevoegd voor de vaststelling of de voldoende ruim aan de
inwerkingtreding voorafgaande goedkeuring van ten minste de methoden voor het berekenen of vastleggen van de voorwaarden inzake
a) de aansluiting op en toegang tot nationale netten, inclusief de transmissie- en distributietarieven of de methode daarvoor; deze tarieven of methoden maken het mogelijk dat de noodzakelijke investeringen in de netten op een zodanige wijze worden uitgevoerd dat deze investeringen de levensvatbaarheid van de netten kunnen waarborgen; (...)
3.15.
De uiterste termijn voor omzetting van de Elektriciteitsrichtlijn 2009/72 in het nationale recht is op 3 maart 2011 verstreken.
3.16.
Op 5 juni 2019 is Richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot wijziging van Richtlijn 2012/27/EU (herschikking) (hierna: Elektriciteitsrichtlijn 2019/944) vastgesteld. In artikel 59 lid 7 van de Elektriciteitsrichtlijn 2019/944 staat een soortgelijke bepaling als in artikel 37 lid 6 van de Elektriciteitsrichtlijn 2009/72/EG. In artikel 71 Elektriciteitsrichtlijn 2019/944 staat dat artikel 59 uiterlijk op 31 december 2020 geïmplementeerd moet worden.
3.17.
In artikel 37 lid 17 Elektriciteitsrichtlijn 2009/72 en in artikel 60 lid 8 van de Elektriciteitsrichtlijn 2019/944 staat:
De lidstaten zorgen ervoor dat er geschikte mechanismen op nationaal niveau bestaan krachtens welke een partij die getroffen wordt door een besluit van de regulerende instantie beroep kan aantekenen bij een instantie die onafhankelijk is van de betrokken partijen en van regeringen.
3.18.
In overweging 37 van de Elektriciteitsrichtlijn 2009/72 en in overweging 86 van de Elektriciteitsrichtlijn 2019/944 staat:
(…) De onafhankelijke instantie waarbij een door de beslissing van een regulerende instantie getroffen partij beroep kan aantekenen, zou een rechtbank kunnen zijn of een andere rechterlijke instantie met de bevoegdheid om een rechterlijke toetsing uit te voeren.
3.19.
In artikel 72 Elektriciteitsrichtlijn 2019/944 staat dat Elektriciteitsrichtlijn 2009/72 EG met ingang van 1 januari 2021 wordt ingetrokken, onverminderd de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage III genoemde termijn voor omzetting in nationaal recht en de toepassingsdatum van de aldaar genoemde richtlijn.
3.20.
Elektriciteitsrichtlijn 2019/944 is inmiddels gewijzigd bij Richtlijn (EU) 2024/1711. Deze gewijzigde versie, waarbij artikel 59 lid 7 Elektriciteitsrichtlijn 2019/944 overigens niet is gewijzigd, speelt in deze zaak geen rol.
3.21.
Het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) heeft geoordeeld dat uit – onder meer – artikel 37 Elektriciteitsrichtlijn 2009/72 volgt dat niet de nationale wetgever, maar de regulerende instanties (de Nationaal Regulerende Instantie, hierna afgekort als NRI) bevoegd zijn om (onder andere) voorwaarden aan netbeheerders op te leggen bij het verzorgen van aansluitingen op het elektriciteitsnet. [1] Tot die bevoegdheid behoort ook het vaststellen van de termijnen voor aansluiting. [2]
3.22.
Voor Nederland is de ACM de NRI, zoals bedoeld in artikel 37 lid 6 Elektriciteitsrichtlijn 2009/72 en artikel 59 lid 7 Elektriciteitsrichtlijn 2019/944.
3.23.
Op 1 januari 2026 treedt de Energiewet in werking. Artikel 7.3 van die wet is echter al met ingang van 22 februari 2025 van kracht geworden, waarmee de 18-weken termijn uit de Elektriciteitswet 1998 (oud) is geschrapt [3] . De wetgever heeft dienaangaande overwogen [4] :
‘Met deze onderdelen [A en B van artikel 7.3 Energiewet, hof] worden de wettelijke aansluittermijn van 18 weken voor grote aansluitingen en de volumecorrectieregeling geschrapt uit de Elektriciteitswet 1998. Deze wettelijke bepalingen conflicteren momenteel met nieuwe door de ACM vastgestelde bepalingen omtrent aansluittermijnen en tarieven in respectievelijk de Netcode elektriciteit en de tariefbesluiten voor de netbeheerders voor elektriciteit. De vaststelling of goedkeuring van aansluittermijnen en tarieven behoort tot de exclusieve bevoegdheid van de ACM. In het belang van de rechtszekerheid is het wenselijk deze conflicterende wettelijke bepalingen zo snel mogelijk te laten vervallen.
3.24.
Artikel 23 lid 4 Elektriciteitswet 1998 luidt daardoor vanaf 22 februari 2025 als volgt:
Een aansluiting wordt door de netbeheerder gerealiseerd binnen een redelijke termijn.
3.25.
Artikel 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) luidt als volgt:
Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden.
(…)
De uitgangspunten voor de beoordeling in hoger beroep
3.26.
Het hof merkt allereerst op dat de rechtbank heeft overwogen dat [appellant] een kleinverbruiker in de zin van de Elektriciteitswet is. [appellant] en Liander maken daar ieder bezwaar tegen en zijn het eens dat [appellant] kwalificeert als grootverbruiker, omdat de door haar gevraagde verzwaring van haar aansluiting op het net van 1 MVA de scheidsgrens van 3x 80A tussen kleinverbruiker en grootverbruiker overschrijdt. Het hof sluit zich daarbij aan.
3.27.
Verder staat vast dat de Nederlandse wetgever artikel 37 lid 6 Elektriciteitsrichtlijn 2009/72 en artikel 59 lid 7 Elektriciteitsrichtlijn 2019/44 niet tijdig op juiste wijze heeft geïmplementeerd door de 18-weken termijn in de Elektriciteitswet 1998 tot 22 februari 2025 te handhaven. Uit de rechtspraak van het HvJ EU volgt immers dat de bevoegdheid tot het vaststellen en goedkeuren van voorwaarden voor de aansluiting op en toegang tot het net, waaronder ook de termijn van aansluiting, niet toekomt aan de nationale wetgever maar uitsluitend aan de ACM (als NRI). Dit heeft uiteindelijk geleid tot schrapping van de 18-wekentermijn uit artikel 23 lid 4 Elektriciteitswet 1998, maar pas per 22 februari 2025.
3.28.
De rechtbank heeft in dat verband overwogen dat een niet of niet tijdig geïmplementeerde richtlijn kan doorwerken in het nationale recht door richtlijnconforme uitleg van het nationale recht of door rechtstreekse werking. De rechtbank heeft echter geoordeeld dat richtlijnconforme uitleg in dit geval niet mogelijk is, omdat in de Elektriciteitsrichtlijnen geen aansluittermijn staat genoemd en de nationale wetgever in artikel 23 lid 4 Elektriciteitswet 1998 (oud) een harde termijn van 18 weken heeft opgenomen en partijen erop moeten kunnen vertrouwen dat die laatst bedoelde termijn geldend is. Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat de Elektriciteitsrichtlijnen ook geen rechtstreekse werking kan worden gegeven, reeds omdat niet voldaan is aan het daarvoor geldende vereiste dat de betreffende bepalingen voldoende nauwkeurig, duidelijk en onvoorwaardelijk zijn. Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat Liander geen andere grondslag heeft aangevoerd om artikel 23 lid 4 Electriciteitswet 1998 (oud) onverbindend te verklaren of buiten toepassing te laten en dat zij daarom dat artikel zal toepassen.
Het beroep op artikel 47 Handvest
3.29.
Liander wijst er in hoger beroep onder meer op dat de 18-wekentermijn van artikel 23 lid 4 Elektriciteitswet 1998 ook buiten toepassing moet blijven omdat deze wettelijke bepaling afbreuk doet aan het in artikel 47 Handvest neergelegde grondrecht op een doeltreffende voorziening in rechte. Zij ziet zich gesteund door het overeenkomstig luidende oordeel van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch in zijn arrest van 29 april 2025 [5] in een vergelijkbaar geval.
3.30.
Het hof onderschrijft de aan dat oordeel ten grondslag liggende rechtsoverweging 3.54 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Die overweging komt erop neer dat het de taak van de rechterlijke instanties is om de voor de rechtszoekenden uit de bepalingen van het Unierecht voortvloeiende rechtsbescherming te verzekeren en de volle werking van die bepalingen te waarborgen. De Nederlandse wetgever brengt met de implementatie van de Elektriciteitsrichtlijnen het Unierecht ten uitvoer in de zin van artikel 51 lid 1 van het Handvest, zodat hij met name de eerbiediging van het in artikel 47 van het Handvest verankerde recht op een doeltreffende voorziening in rechte moet waarborgen. [6]
3.31.
Het HvJ EU heeft (over clausule 4 raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, bijlage bij richtlijn 1990/70) geoordeeld dat een nationale rechter bij wie een geding tussen particulieren aanhangig is, is gehouden om, wanneer hij het toepasselijke nationale recht niet in overeenstemming met die clausule kan uitleggen, binnen het kader van zijn bevoegdheden de rechtsbescherming te verzekeren die voor de justitiabelen uit artikel 47 Handvest voortvloeit en om de volle werking van die bepaling te waarborgen door - voor zover nodig - elke daarmee strijdige nationale bepaling buiten toepassing te laten. [7]
3.32.
Het hof is net zoals het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van oordeel dat een vergelijkbare situatie zich hier voordoet, omdat artikel 23 lid 4 Elektriciteitswet 1998 (oud) afbreuk doet aan het in artikel 47 van het Handvest neergelegde grondrecht van Liander op een doeltreffende voorziening in rechte. Uit de Elektriciteitsrichtlijnen volgt dat alleen de ACM als onafhankelijke NRI bevoegd is de voorwaarden voor aansluiting en toegang tot het net vast te stellen of goed te keuren en dat deze besluiten moeten zijn onderworpen aan een rechterlijke toetsing (zie 3.21en 3.17 van dit arrest). Als de ACM de aansluitvoorwaarden zou hebben vastgesteld, was dit gebeurd in (code) besluiten, waartegen Liander bezwaar en vervolgens beroep had kunnen aantekenen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Dat Liander volgens [appellant] het recht heeft de 18-wekentermijn van artikel 23 lid 4 Elektriciteitswet 1998 (oud) bij de rechter ‘ter discussie te stellen’ biedt niet een gelijkwaardige doeltreffende voorziening zoals die door het Handvest moet worden gewaarborgd. Anders dan de Elektriciteitswet 1998 (oud), is een codebesluit geen formele wet, zodat een codebesluit van de ACM door een rechter kan worden getoetst aan (onder meer) algemene rechtsbeginselen en (ander) ongeschreven recht. Die toets is door artikel 120 Grondwet uitgesloten ten aanzien van de 18-wekentermijn van de Elektriciteitswet 1998 (oud). Anders dan [appellant] , acht het hof niet van belang of Liander haar schade door de onjuiste implementatie van de Elektriciteitsrichtlijnen kan verhalen op de Staat, omdat die mogelijkheid niet afdoet aan de verplichting van het hof om op grond van artikel 47 Handvest in dit geding tussen particulieren artikel 23 lid 4 Elektriciteitswet 1998 (oud) buiten toepassing te laten.
3.33.
Het hof concludeert op grond van het voorgaande dat de 18-wekentermijn van artikel 23 lid 4 Elektriciteitswet 1998 (oud) buiten toepassing moet blijven wegens strijd met artikel 47 Handvest.
Redelijke termijn
3.34.
Aan de orde komt vervolgens de vraag of Liander de aansluiting binnen een redelijke termijn heeft gerealiseerd, zoals is vermeld in de eerste zin van artikel 23 lid 4 Elektriciteitswet 1998 (oud). Voor het antwoord op deze vraag acht het hof het volgende van belang.
3.35.
Liander heeft de aansluiting van [appellant] binnen 39 weken gerealiseerd. Zij heeft voor de door [appellant] gewenste transportcapaciteit daarbij tevens het net moeten verzwaren.
3.36.
Zoals aangegeven in 3.13, is de aansluittermijn van 18 weken door een amendement in 2004 in de Elektriciteitswet 1998 opgenomen. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat destijds werd aangenomen dat het mogelijk zou moeten zijn binnen 18 weken een aansluiting te realiseren. Liander heeft echter gewezen op het Ontwerpbesluit codewijziging aansluittermijnen van de ACM van 14 juli 2022 [8] waarin de ACM een voorstel heeft gedaan voor nadere invulling van de aansluittermijnen op het elektriciteitsnet. De ACM constateert dat uit opgevraagde informatie over de daadwerkelijke aansluittermijnen die netbeheerders afgelopen jaren hebben behaald, blijkt dat netbeheerders meer tijd nodig hebben om aansluitingen met grotere capaciteit te realiseren. Uit een in de toelichting op het Ontwerpbesluit opgenomen tabel volgt dat de termijn voor grote aansluitingen zoals die van [appellant] in 2020 gemiddeld 35 weken bedroeg, waarbij de langste gemiddelde aansluittermijn van één specifieke netbeheerder 47 weken bedroeg. In de toelichting op het Ontwerpbesluit staat dat de ACM rekening houdt met de belangen van netbeheerders, die last hebben van de schaarste aan personeel en materiaal en langere doorlooptijden van vergunningsprocedures, door voor grootverbruiksaansluitingen termijnen vast te stellen die langer zijn dan de 18 weken die voorheen gebruikelijk waren. In punt 29 van de toelichting op het Ontwerpbesluit van 14 juli 2022 komt de ACM voor een aansluiting groter dan 3 x 80A met een maximum van 10 MVA, zoals het geval is bij [appellant] , tot een termijn van 40 weken na ontvangst van de getekende offerte. De ACM overweegt dat zij met deze termijnen recht wil doen aan de huidige situatie en termijnen wil vaststellen waarbinnen de aansluiting moet kunnen worden gerealiseerd indien transport beschikbaar is.
3.37.
Naar oordeel van het hof wijzen de door de ACM geconstateerde daadwerkelijke gemiddelde aansluittermijn in 2020 van 35 weken en de door de ACM in 2022 voorgestelde aansluittermijn er niet op dat de door Liander in 2020 gerealiseerde aansluittermijn van 39 weken niet redelijk zou zijn, mede gelet op de in dat verband benodigde verzwaring van het net. [appellant] heeft naar het oordeel van het hof onvoldoende toegelicht op grond waarvan de gerealiseerde termijn van 39 weken op zichzelf niet redelijk is te noemen. [appellant] heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof nog aangevoerd, zo begrijpt het hof, dat Liander de aansluiting eerder had kunnen realiseren door niet te werken met het ‘first come, first served’ beginsel en voorafgaand aan het uitbrengen van de offerte te analyseren wat voor een aansluiting nodig is. Liander heeft een en ander gemotiveerd betwist door toe te lichten dat een eerder analyse geen tijdswinst zou opleveren omdat de netverzwaringen, zoals nodig voor [appellant] , in een investeringsplan worden opgenomen dat ter goedkeuring aan de ACM wordt voorgelegd en die niet worden gerangschikt naar de behoefte van klanten. Verder zou het loslaten van het ‘first come, first served’ principe op een markt met schaarste tot een onwerkbare situatie leiden omdat prioritering van aansluitaanvragen niet goed mogelijk is en procedures zich zullen opstapelen, aldus Liander. [appellant] heeft daartegenover te weinig gesteld en ook niet geconcretiseerd welke tijdbesparing een en ander zou hebben opgeleverd en dat daarmee de door Liander gerealiseerde termijn onredelijk zou zijn.
Slotsom
3.38.
Uit het voorgaande concludeert het hof dat niet is komen vast te staan dat Liander de aansluiting van [appellant] niet binnen een redelijke termijn heeft gerealiseerd. Hierop stuiten de vorderingen van [appellant] af.
De conclusie in het principale en incidentele hoger beroep
3.39.
Het hoger beroep van [appellant] slaagt niet. Omdat [appellant] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [appellant] tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. [9] Deze proceskostenveroordeling kan ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).
3.40.
Het incidenteel hoger beroep van Liander slaagt evenmin. Zij wil met haar incidenteel hoger beroep bereiken dat het hof alsnog oordeelt dat de 18-wekentermijn op grond van het Unierecht buiten toepassing blijft, althans onverbindend is. Ook heeft zij in incidenteel hoger beroep aangevoerd dat de 18-wekentermijn op grond van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid buiten toepassing moet blijven. Liander wil echter geen ander dictum dan de rechtbank heeft gegeven, waardoor zij niet het vereiste belang heeft bij haar hoger beroep. Naar vaste rechtspraak geeft dat echter geen grond voor een proceskostenveroordeling in het incidenteel hoger beroep.

4.De beslissing

Het hof:
In het principale en incidentele hoger beroep:
4.1.
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 28 februari 2024;
In het principale hoger beroep:
4.2.
veroordeelt [appellant] tot betaling van de volgende proceskosten van Liander:
€ 2.175,- aan griffierecht
€ 4.426,- aan salaris van de advocaat van Liander (2 procespunten x het toepasselijke tarief IV)
4.3.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente.
Dit arrest is gewezen door mrs. M. Wallart, W.C. Haasnoot en H.N. Schelhaas, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 25 november 2025.

Voetnoten

1.HvJ EU 3 mei 2020, C-767/19 (Europese Commissie/Koninkrijk België en HvJ EU 2 september 2021, C-718/18 (Europese Commissie/Bondsrepubliek Duitsland).
2.HvJ EU 3 mei 2020, C-767/19 (Europese Commissie/Koninkrijk België, punten 103 en 104)
3.Besluit van 17 februari 2025 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Energiewet, Stb. 2025, 40.
4.Nota van toelichting bij voornoemd besluit, Stb. 2025, 40.
5.Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 29 april 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:1220.
6.HvJ EU 20 februari 2024, C-715/20, ECLI:EU:C:2024:139 (K.L.), punten 68 en 77.
7.Zie het hiervoor bedoelde arrest, punt 82.
8.https://www.acm.nl/system/files/documents/ontwerp-codebesluit-aansluittermijnen-elektriciteit.pdf
9.HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.