In deze zaak heeft [appellant] B.V. hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van de rechtbank Gelderland, waarin de vordering tot schadevergoeding van € 68.850,02 wegens een te late aansluiting op het elektriciteitsnet door Liander N.V. werd afgewezen. [appellant] stelt dat Liander niet binnen de redelijke termijn van 18 weken, zoals voorgeschreven in artikel 23 lid 4 van de Elektriciteitswet 1998 (oud), de aansluiting heeft gerealiseerd. De rechtbank oordeelde dat Liander toerekenbaar tekort is geschoten, maar dat zij op grond van een exoneratiebeding niet aansprakelijk is voor de schade. In hoger beroep heeft [appellant] de rechtbank gevraagd de vordering alsnog toe te wijzen, terwijl Liander ook hoger beroep heeft ingesteld om te betogen dat de 18-wekentermijn onverbindend is op basis van het Unierecht. Het hof heeft geoordeeld dat de vordering van [appellant] moet worden afgewezen, omdat de aansluiting binnen 39 weken is gerealiseerd, wat in de huidige omstandigheden als redelijk wordt beschouwd. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst de proceskosten toe aan Liander.