ECLI:NL:GHARL:2025:7594

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
28 november 2025
Zaaknummer
24/1276 en 24/1277
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake belastingrente en invorderingsrente door Maatschap tegen de Belastingdienst

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 25 november 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep van de Maatschap [belanghebbende] tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 17 mei 2024. De zaak betreft de vergoeding van belastingrente en invorderingsrente over de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 maart 2015. De Maatschap had bezwaar gemaakt tegen de beschikking van de Inspecteur van de Belastingdienst, die belastingrente had vergoed, maar niet in overeenstemming met de wettelijke bepalingen. De rechtbank had het beroep van de Maatschap ongegrond verklaard, maar het Hof heeft het hoger beroep gegrond verklaard en de zaak teruggewezen naar de rechtbank. Het Hof oordeelde dat de rechtbank de belastingrente correct had vastgesteld, maar dat de Inspecteur te weinig rente had vergoed. De Maatschap had ook verzocht om vergoeding van invorderingsrente, wat het Hof eveneens heeft beoordeeld. De uitspraak van het Hof bevestigt dat de Maatschap recht heeft op een correcte berekening van zowel belastingrente als invorderingsrente, en dat de rechtbank geen griffierecht hoeft te vergoeden. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen kunnen binnen zes weken in cassatie gaan.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem
nummers BK-ARN 24/1276 en 24/1277
uitspraakdatum: 25 november 2025
Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
Maatschap [belanghebbende]te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 17 mei 2024, nummers ARN 20/1236 en 20/3523, in het geding tussen belanghebbende en
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Kantoor Utrecht(hierna: de Inspecteur)
en
de
ontvangervan de
Belastingdienst/Kantoor Utrecht(hierna: de Ontvanger)

1.Ontstaan en loop van het geding

24/1276 belastingrente
1.1.
Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2015 tot en met 31 maart 2015 (hierna: Q1 2015) belastingrente vergoed.
1.2.
Belanghebbende heeft op 19 oktober 2019 hiertegen bezwaar gemaakt.
1.3.
De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar gegrond verklaard en de vergoeding van belastingrente verhoogd.
1.4.
Belanghebbende heeft daartegen, op 28 februari 2020, beroep ingesteld bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard. [1]
1.5.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.6.
Het Hof heeft het hoger beroep gegrond verklaard, de Rechtbank bevoegd verklaard en de zaak teruggewezen naar de Rechtbank. [2]
24/1277 invorderingsrente
1.7.
Belanghebbende heeft bij brief van 19 oktober 2019 een verzoek gedaan om vergoeding van invorderingsrente op grond van artikel 28c van de Invorderingswet 1990 (hierna: IW).
1.8.
Op 28 februari 2020 heeft belanghebbende beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek.
1.9.
Bij beschikking van 22 april 2020 heeft de ontvanger het verzoek om vergoeding van invorderingsrente op grond van artikel 28c van de IW afgewezen.
24/1276 en 24/1277
1.10.
De Rechtbank heeft het beroep tegen de beschikking belastingrente ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft het beroep tegen de beschikking invorderingsrente gegrond verklaard, de beschikking van 22 april 2020 vernietigd, bepaald dat invorderingsrente moet worden vergoed conform de punten 28 tot en met 31 van de uitspraak en de Ontvanger veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 875 en vergoeding van het griffierecht van € 354. Voorts is de Staat veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade voor een bedrag van € 3.000.
1.11.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld
1.12.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2025. Daarbij zijn verschenen en gehoord [naam1] namens belanghebbende, alsmede mr. [naam3] en [naam4] namens de Inspecteur en [naam5] en [naam6] namens de Ontvanger. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.

2.Vaststaande feiten

2.1.
Op 27 oktober 2014 hebben [naam1] en [naam2] (hierna: het echtpaar) een koop-aannemingsovereenkomst gesloten voor de bouw van een woning aan de [adres1] 72 te [plaats1] (hierna: de woning). Op 9 februari 2015 is het perceel aan het echtpaar geleverd.
2.2.
Belanghebbende heeft voor Q1 2015 een aangifte omzetbelasting ingediend en daarin verzocht om een teruggaaf van € 15.616.
2.3.
De Inspecteur heeft een boekenonderzoek bij belanghebbende ingesteld, waarvan een controlerapport is opgemaakt. In het controlerapport is onder meer het volgende vermeld:
“(…)
3.2 Onroerend goed
Op 9 februari 2015 werd gekocht een perceel bouwgrond (bouwnummer 1A) gelegen aan de [adres1] 72 te [plaats1] , kadastraal bekend gemeente [kadastraalnummer] . De koopprijs bedroeg € 176.162 exclusief € 36.994 OB.
Op het perceel bouwgrond zal een uit drie verdiepingen bestaande woning gebouwd worden tegen een aanneemsom van € 280.470 inclusief OB.
Na gereedkomen van de woning, vermoedelijk in 2016, zal de woning betrokken worden door het echtpaar de heer en mevrouw [naam1en2] , tevens de maten van belastingplichtige. Het voornemen is om de zolderverdieping vanuit de maatschap belast te gaan verhuren aan [bedrijf1] BV met fiscaalnummer [nummer1] , zijnde de BV waarvan mevrouw [naam2] de enige aandeelhouder is. De zolderverdieping zal dus worden toegerekend aan het bedrijfsvermogen voor de OB.
De zolderverdieping kan enkel bereikt worden via de delen van de woning welke privé gebruikt gaan worden. De zolderverdieping heeft daarom onvoldoende zelfstandigheid voor verhuur aan een willekeurig derde. Uit recente jurisprudentie echter, blijkt dat ingeval er in dergelijke gevallen daadwerkelijk huurbedragen worden overgemaakt naar de bankrekening van de verhuurder, het toch beschouwd kan worden als verhuur van onroerend goed.
3.3
Voorbelasting
Aan voorbelasting is in aftrek gebracht een bedrag van € 15.616. Dit bedrag is vastgesteld aan de hand van 3 facturen welke volledig betrekking hebben op de aankoop van het perceel bouwgrond. Het totaalbedrag van de OB op deze facturen bedraagt € 41.062. Van dit bedrag is 38% geclaimd.
Het percentage 38 heeft belastingplichtige bepaald door de verhouding in oppervlakte tussen de zolder en de rest van de woning te bepalen. Voor de zolder wordt een oppervlakte van bijna 56 m2 genomen. Voor de rest van de woning wordt uitgegaan van de slaapkamers en de huiskamer. Het totaaloppervlak van de woning bedraagt volgens belastingplichtige op deze manier 147 m2.
(…)
De door mij becijferde oppervlakte van de zolder bedraagt 56,7 m2. Het totaaloppervlak van de woning inclusief garage bedraagt 233,5 m2. Op de normale bouwkosten kan belastingplichtige daarom (afgerond naar boven) 25% aftrekken.
Tot de normale bouwkosten behoren in ieder geval niet de inrichting van de badkamer en de keuken.
Ook over de aankoop van de grond is belastingplichtige van mening dat 38% van de OB welke betrekking heeft op de levering van.de grond aftrekbaar is. Hetzelfde genoemde besluit wordt door belastingplichtige gebruikt ter onderbouwing, ditmaal onderdeel 3.2.3.
(…)
De oppervlakte van de zolder is 56,7 m2. De zolder is 1/3 deel van de woning. Derhalve kan 1/3 deel van 56,7 m2 worden toegerekend aan de grond welke wordt gebruikt voor de zolder. Het totaaloppervlak van het bouwterrein bedraagt 617 m2.
De aan de grond, die uiteindelijk bestemd is voor belast gebruik door de maatschap direct toerekenbare voorbelasting bedraagt 3,07%, afgerond 4%. Vanwege deze afronding hoeft nu ook geen rekening meer gehouden te worden met bijvoorbeeld een parkeerplaats voor zakelijk bezoek.
De correctie is als volgt berekend: aftrekbaar is 4% van € 41.062 is € 1.643. In aftrek is gebracht € 15.616. De correctie bedraagt € 13.973.
Over het 1e kw. 2015 wordt daarom een teruggaaf verleend van € 1.643.
(…)”
2.4.
De Inspecteur heeft bij beschikking van 2 januari 2016 een teruggaaf verleend van € 1.643.
2.5.
Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt.
2.6.
Met dagtekening 14 oktober 2016 heeft de Inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard.
2.7.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld.
2.8.
Hangende het beroep heeft de Inspecteur bij brief van 30 november 2016 medegedeeld dat alsnog een aanvullende teruggaaf wordt verleend uitgaande van een aftrekpercentage van 30 en dat deze teruggaaf wordt verleend om proceseconomische redenen. Bij beschikking van 17 februari 2017 heeft de Inspecteur deze aanvullende (ambtshalve) teruggaaf van € 10.685 verleend. Dit bedrag heeft de Ontvanger op 10 februari 2017 overgemaakt op een bankrekening ten name van belanghebbende en het bedrag is een aantal dagen daarna door belanghebbende ontvangen. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en beslist dat belanghebbende recht had op een teruggave van € 12.328 (€ 1.643 + € 10.685). Belanghebbende heeft daartegen hoger beroep ingesteld.
2.9.
In hoger beroep heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden [3] bij uitspraak van 18 juni 2019 geoordeeld dat de teruggaaf voor het eerste kwartaal 2015 € 13.972 dient te zijn, uitgaande van een ter zitting overeengekomen percentage van belast gebruik van de woning van 34. Het dictum van deze uitspraak luidt als volgt:
“Het Hof:
- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen omtrent de immateriëleschadevergoeding en het griffierecht.
- verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond,
- vernietigt de uitspraken van de Inspecteur,
- stelt de teruggaven omzetbelasting vast op € 13.972 (eerste kwartaal 2015), € 1.653 (derde kwartaal 2015), € 12.689 (vierde kwartaal 2015), € 3.303 (eerste kwartaal 2016) en € 995 (tweede kwartaal 2016),
- gelast dat aan belanghebbende over de teruggaven belastingrente wordt vergoed op de voet van artikel 30ha Algemene wet inzake rijksbelastingen,
- vernietigt de naheffingsaanslagen,
- vernietigt de beschikking belastingrente,
- stelt de dwangsom vast op € 1.140, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd was, dus vanaf 27 januari 20 17,
- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.536,
- gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 508 in verband met het hoger beroep bij het Hof.”
2.10.
Bij beschikking van 17 oktober 2019 heeft de Inspecteur een aanvullende teruggaaf van € 1.644 verleend (€ 13.972 -/- € 10.685 -/- € 1.643 = € 1.644) en is € 252 aan belastingrente vergoed.
2.11.
Bij brief van 19 oktober 2019 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de beschikking belastingrente en daarnaast verzocht om vergoeding van invorderingsrente. Deze brief vermeldt het volgende:
“Betreft: Bezwaar berekening belastingrente 30ha AWR,
verzoek vergoeding Irimierente 28c Invorderingswet,
ten name van [belanghebbende],
Geachte heer, mevrouw,
Hierbij tekenen wij bezwaar aan tegen de vastgestelde belastingrente bij de aanslag met aanslagnummer
[nummer2]. Q1 2015, dagtekening 17 oktober 2019;
De reden van ons bezwaar is dat het Gerechtshof op 18 juni 201 9 de teruggaafbeschikking over dit kwartaal heeft vastgesteld op
€ 13.972.
De inspecteur had met dagtekening 2 januari 2016 over dit kwartaal slechts
€ 1.643omzetbelasting teruggegeven. Sindsdien is nagelaten belastingrente te vergoeden, tot de kennisgeving van 17 oktober 2019. Bij laatstgenoemde beschikking wordt een bedrag van
€ 252aan belastingrente vergoed.
Een vergoeding van belastingrente ten bedrage van € 252, berekend over een aanvullende belastingteruggave van € 12.329, welke teruggave vier-en-een-half jaar na dato wordt uitbetaald, voldoet niet aan de berekeningswijze van artikel 30ha, terwijl het Gerechtshof in haar dictum uitdrukkelijk gelast over de teruggave belastingrente te vergoeden op de voet van artikel 30ha AWR.
Wij verzoeken u derhalve de belastingrente op de voet van artikel 30ha AWR vast te stellen op een bedrag van € 1.923. Tevens verzoeken wij u Irimie-rente te vergoeden (artikel 28c Invorderingswet 1990) over de periode waarover geen belastingrente is vergoed. Tevens verzoeken wij u wettelijke rente te vergoeden over de periode waarover belastingrente en/of Irimie-rente ten onrechte niet is uitbetaald.
Indien u voornemens bent niet geheel aan onze bezwaren tegemoet te komen, dan worden wij graag in de gelegenheid gesteld onze bezwaren mondeling nader aan u toe te lichten. Tevens ontvangen wij in dat geval graag een toelichting op de berekende belastingrente, meer in het bijzonder over welke bedragen, welke perioden en naar welke percentages belastingrente is berekend en op welke wijze die berekening in overeenstemming zou zijn met artikel 30ha AWR en/of artikel 28c Invorderingswet.”
2.12.
Bij brief van 14 januari 2020 heeft belanghebbende de ontvanger in gebreke gesteld vanwege het uitblijven van een beslissing op het verzoek om vergoeding van invorderingsrente en verzocht om een dwangsom.
2.13.
De Inspecteur heeft uitspraak gedaan op het bezwaar tegen de belastingrente. Hij heeft daarbij belastingrente van € 502 vergoed over de aanvullende teruggaaf van € 10.685
2.14.
De Ontvanger heeft een bedrag van € 116 aan wettelijke rente berekend voor de renteperiode van 4 maart 2017 tot en met 19 februari 2020.
2.15.
Bij brief van 29 januari 2020 heeft de Ontvanger het verzoek om toekenning van een dwangsom afgewezen.
2.16.
De Rechtbank heeft ten aanzien van de belastingrente en de invorderingsrente – voor over hier van belang – als volgt overwogen:
“(…)
28. Het in de arresten [toevoeging Hof: van 28 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:89, en 3 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:132] bedoelde percentage is volgens de grafiek van de Nederlandsche Bank op 1 mei 2015 4,77. Dit betekent dat de ontvanger de te vergoeden invorderingsrente als volgt moet berekenen:
- 4,77% enkelvoudig over € 10.685 over de periode van 1 mei 2015 tot 17 februari 2017;
- 4,77% enkelvoudig over € 1.644 over de periode van 1 mei 2015 tot 17 oktober 2019.
29. Invorderingsrente wordt niet berekend over de periode dat ook belastingrente is vergoed. De rechtbank overweegt in dat verband als volgt.
30. De inspecteur heeft aan belanghebbende belastingrente vergoed. Hij is daarbij uitgegaan van een periode vanaf 1 januari 2016 tot 31 oktober 2019 (voor een bedrag van € 1.644) en tot 3 maart 2017 (voor een bedrag van € 10.685). Gelet op artikel 30ha van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) had de inspecteur uit moeten gaan van een periode vanaf 1 april 2016. In zoverre heeft de inspecteur teveel belastingrente vergoed. De inspecteur is hierbij uitgegaan van een rentepercentage van 4. Zoals hiervoor geoordeeld had de inspecteur uit moeten gaan van een rentepercentage van 4,77. In zoverre heeft de inspecteur te weinig rente vergoed. Omwille van eenvoud zal de rechtbank echter als volgt beslissen.
31. De rechtbank zal het beroep met betrekking tot de belastingrente ongegrond verklaren. In dit oordeel ligt ook besloten dat de rechtbank het standpunt van belanghebbende, dat de beschikking van 17 oktober 2019 ook heeft te gelden voor het bedrag van € 10.685, niet volgt. Artikel 30ha van de AWR staat er niet aan de weg de beschikking van 17 februari 2017 als een teruggaafbeschikking in de zin van deze bepaling te beschouwen. Dit met brengt zich dat daarmee vaststaat dat € 754 (€ 252 + € 502) aan belastingrente is vergoed. De ontvanger mag op de door hem te vergoeden invorderingsrente dit bedrag in mindering brengen. Belanghebbende ontvangt daarmee een bedrag aan rente waar hij op grond van het nationale recht en Unierecht recht op heeft.
(…)”

3.Geschil

3.1.
In geschil is of de Rechtbank terecht het griffierecht in de procedure met betrekking tot de belastingrente niet heeft vergoed. Tevens is in geschil of de Rechtbank terecht bij de berekening van de rente over het bedrag van € 10.685 is uitgegaan van een einddatum van 17 februari 2017. Ook is in geschil of meer wettelijke rente moet worden vergoed.
3.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat terecht geen rente is vergoed over de teruggaaf van € 1.643 (2.4) en ook is de rentevergoeding ten aanzien van de teruggaaf van € 1.644 (2.9) niet in geschil.

4.Beoordeling van het geschil

Belastingrente
4.1.
Artikel 30ha van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr) bepaalt dat met betrekking tot de in artikel 30h bedoelde belastingen rente – belastingrente – wordt vergoed ingeval een teruggaafbeschikking niet wordt vastgesteld binnen 8 weken na de ontvangst van het verzoek om die beschikking. De belastingrente wordt enkelvoudig berekend over het tijdvak dat aanvangt 8 weken na ontvangst van het verzoek, doch niet eerder dan 3 maanden na het einde van het kalenderjaar of boekjaar waarop de teruggaaf betrekking heeft en eindigt 14 dagen na de dagtekening van de teruggaafbeschikking.
4.2.
De Inspecteur heeft belastingrente vergoed over de teruggaaf van € 10.685 en de teruggaaf van € 1.644. De Inspecteur is daarbij uitgegaan voor de teruggaaf van € 10.685 van een periode vanaf 1 januari 2016 tot 3 maart 2017 en voor de teruggaaf van € 1.644 van een periode van 1 januari 2016 tot 31 oktober 2019 voor een bedrag van € 10.685 en is daarbij uitgegaan van een rente van 4%.
4.3.
De Rechtbank heeft geoordeeld dat voor de teruggaaf van € 10.685 moet worden uitgegaan van een periode van 1 april 2016 tot 3 maart 2017 en voor het bedrag van € 1.644 van een periode van 1 april 2016 tot 31 oktober 2019 en van een rente moet worden uitgegaan van 4,77%.
4.4.
Cijfermatig komt vorenstaande op het volgende neer:
Renteberekening Inspecteur
Renteberekening conform uitspraak RB
Renteberekening Inspecteur
Renteberekening conform
Uitspraak RB
Bedrag (€)
10.685
10.685
1.644
1.644
4
4,77
4
4,77
Dagen per jaar 360
360
360
360
360
rentedagen
423
333
1381
1291
Bedrag x % x dagen/dagen p.j.
10.685 x 4 x 423 / 360
10.685 x 4,77 x 333 / 360
1644 x 4 x 1381 / 360
1644 x 4,77 x 1291 / 360
totaal
502
472
252
282
4.5.
Vorenstaande laat zien dat de Inspecteur in totaal over de teruggaven over het tijdvak Q1 2015 een bedrag van € 754 (€ 502 + € 252) aan belastingrente heeft vergoed en dat indien was uitgegaan van de periode beginnend op 1 april 2016, hetgeen de juiste begindatum is, en rekenend met de juiste rente van 4,77% een belastingrente van eveneens € 754 (€ 472 + € 282) had moeten worden vergoed. Er is dus een juist bedrag aan belastingrente door de Inspecteur vergoed ten aanzien van Q1 2015.
4.6.
Het Hof volgt belanghebbende niet in zijn standpunt dat ten aanzien van de teruggaaf van € 10.685 moet worden uitgegaan van een einddatum die verder ligt dan 3 maart 2017. Artikel 30ha van de Awr bepaalt immers dat de termijn voor de vergoeding van belastingrente eindigt 14 dagen na dagtekening van de teruggaafbeschikking. Anders dan belanghebbende bepleit, is het Hof van oordeel dat met de ambtshalve beschikking van 17 februari 2017 (2.8) sprake is van een beschikking als bedoeld in artikel 30ha van de Awr die vergoeding van belastingrente doet eindigen.
4.7.
Belanghebbende heeft voorts gesteld dat ook belastingrente moet worden vergoed over de periode na 3 maart 2017 tot en met 17 oktober 2019 omdat belanghebbende drie dagen na ontvangst van het bedrag van € 10.685 dit bedrag heeft gebruikt om de naheffingsaanslag Q1 2016 te betalen. Het Hof volgt belanghebbende hierin niet. Blijkens het bezwaarschrift van belanghebbende (2.11) heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de vastgestelde belastingrente bij de aanslag Q1 2015. Daarmee ziet deze procedure enkel op de vergoeding van belastingrente ten aanzien van Q1 2015. De eventuele vergoeding van belastingrente ten aanzien van Q1 2016 ligt niet voor.
4.8.
Gelet op het vorenstaande heeft de Inspecteur over Q1 2015 een juist bedrag aan belastingrente vergoed. De Rechtbank heeft derhalve terecht het beroep met Rechtbank-nummer 20/1236 ongegrond verklaard en geen griffierecht vergoed.
Invorderingsrente
4.9.
Artikel 28c, lid 1, van de IW bepaalt dat voor zover de ontvanger op grond van een beschikking van de inspecteur gehouden is belasting terug te geven omdat de desbetreffende belasting in strijd met het Unierecht is geheven, op verzoek aan de belastingschuldige invorderingsrente (Irimierente) wordt vergoed. In het tweede lid van artikel 28c van de IW wordt bepaald dat de invorderingsrente enkelvoudig berekend wordt berekend over het tijdvak dat aanvangt op de dag na die waarop de belasting is betaald, voldaan of afgedragen en eindigt op de dag voorafgaand aan die van de terugbetaling en heeft als grondslag het aan de belastingschuldige terug te geven of teruggegeven bedrag. In afwijking van de eerste volzin wordt de invorderingsrente, bedoeld in het eerste lid, niet berekend over dagen waarover ingevolge hoofdstuk VA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen belastingrente wordt vergoed of waarover ingevolge artikel 28b invorderingsrente wordt vergoed.
4.10.
Tussen partijen is niet meer in geschil dat met het niet verlenen van een teruggaaf voor Q1 2015 belanghebbende recht heeft op vergoeding van invorderingsrente op grond van artikel 28c van de IW. Ook is niet in geschil dat de termijn waarover de rente moet worden berekend aanvangt op 1 mei 2015 en dat met een rente van 4,77% moet worden gerekend. Tussen partijen is nog wel in geschil met welke einddatum moet worden gerekend ten aanzien van de berekening van de invorderingsrente met betrekking tot de teruggaaf van € 10.685. De Rechtbank is uitgegaan van een einddatum van 17 februari 2017, conform het standpunt van de Ontvanger. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat voor het bedrag van € 10.685 moet worden gerekend met een einddatum van 17 oktober 2019.
4.11.
Het Hof oordeelt, net als de Rechtbank, dat de einddatum voor de vergoeding van invorderingsrente over de teruggaaf van € 10.685 17 februari 2017 is. Vanaf dat moment is het bedrag van € 10.685 aan belanghebbende terugbetaald en op de bankrekening van belanghebbende binnengekomen (zie 2.8) en stopt de vergoeding van de invorderingsrente. Anders dan belanghebbende stelt, is dat voor het bedrag van € 10.685 niet pas na de uitspraak van het Hof in 2019. Artikel 28c IW sluit immers aan bij het moment van terugbetaling. Dat belanghebbende de facto tot 17 oktober 2019 niet over het bedrag heeft kunnen beschikken, zoals belanghebbende stelt, volgt het Hof niet. Het bedrag is aan belanghebbende uitbetaald en door belanghebbende ontvangen op of omstreeks 17 februari 2017. Belanghebbende kon er toen over beschikken en heeft er ook over beschikt door het in te zetten voor een betaling van de naheffingsaanslag Q1 2016.
4.12.
Belanghebbende heeft voorts gesteld dat ook invorderingsrente moet worden vergoed over de periode na 3 maart 2017 tot en met 17 oktober 2019 omdat belanghebbende drie dagen na ontvangst van het bedrag van € 10.685 dit bedrag heeft moeten gebruiken om de naheffingsaanslag Q1 2016 te betalen. Het verzoek om vergoeding van invorderingsrente ziet, zo stelt belanghebbende, niet alleen op Q1 2015 maar op alle tijdvakken waarover het Hof heeft geoordeeld in de uitspraak van 18 juni 2019 (zie 2.9).
4.13.
Het Hof volgt belanghebbende niet. Blijkens het verzoekschrift van belanghebbende (2.11) heeft belanghebbende alleen verzocht om vergoeding van invorderingsrente met betrekking tot Q1 2015. Het verzoek is daarover eenduidig. In het verzoek wordt verwezen naar Q1 2015 en alle bedragen die erin worden genoemd zien ook op Q1 2015. De Ontvanger heeft dan ook terecht het verzoek aangemerkt als zijnde gericht op Q1 2015 en alleen beslist over Q1 2015. In onderhavige procedure ligt daarmee alleen de vergoeding van invorderingsrente ten aanzien van Q1 2015 voor.
4.14.
De Rechtbank heeft de invorderingsrente Q1 2015 terecht vastgesteld op 4,77% enkelvoudig over € 10.685 over de periode van 1 mei 2015 tot 17 februari 2017.
Wettelijke rente
4.15.
De Ontvanger heeft een bedrag van € 116 aan wettelijke rente vergoed ten aanzien van het bedrag van € 502,20 aan belastingrente die op 13 februari 2020 is uitbetaald. De Ontvanger heeft dit berekend over de renteperiode van 4 maart 2017 tot en met 19 februari 2020. Hij is daarbij uitgegaan van een rentepercentage van 8%, het toentertijd geldende wettelijke rentepercentage bij handelsovereenkomsten als bedoeld in artikel 6:119a BW. Op grond van artikel 4:98, lid 1 Awb dient met betrekking tot het toepasselijke rentepercentage het in artikel 6:119, lid 1 en 2 BW bedoelde rentepercentage te worden gehanteerd. [4] De Ontvanger heeft derhalve ten onrechte de rente van 8% gerekend en had in de onderhavige periode met een rente van 2% moeten rekenen. De vastgestelde wettelijke rente is derhalve niet te laag vastgesteld.
4.16.
Voor zover belanghebbende heeft willen stellen dat aanvullende wettelijke rente moet worden vergoed over ten onrechte achterwege gebleven aanvullende belastingrente of invorderingsrente kan daarvan geen sprake zijn, nu het Hof van oordeel is dat geen aanvullende belastingrente- of invorderingsrentevergoeding nodig is.
SlotsomOp grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5.Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6.Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E. Keulemans, voorzitter, mr. R.A.V. Boxem en mr. M. Harthoorn, in tegenwoordigheid van mr. G.J. van de Lagemaat als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 25 november 2025.
De griffier, De voorzitter,
(G.J. van de Lagemaat) (A.E. Keulemans)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Rechtbank Gelderland 21 april 2021, nr. AWB 20/1236.
2.Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 28 juni 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:5415.
3.Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 18 juni 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:5043.
4.Zie ook HR 20 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1457.