Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
Het Hof heeft deze grief verworpen omdat belanghebbende – tegenover de betwisting door de Inspecteur – geen begin van een onderbouwing heeft gegeven van zijn stelling dat het rentepercentage waarvoor hij zou hebben moeten lenen ten minste 8 procent zou hebben bedragen.
In het geval van een teruggaaf van in strijd met het Unierecht geheven bpm voldoet een rentevergoeding op basis van de in artikel 30hb AWR (tekst tot 1 juni 2020) neergelegde rentevoet en de methode van enkelvoudige berekening aan de eisen die uit het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel voortvloeien, mits het daaruit voortvloeiende bedrag aan rentevergoeding ten minste gelijk is aan de rentevergoeding over de desbetreffende periode die op gelijke wijze (dat wil zeggen enkelvoudig en met inachtneming van artikel 31 van Pro de Uitvoeringsregeling AWR) is berekend op basis van het percentage van de bancaire rente op consumptief krediet en overige leningen aan huishoudens zoals dat gold aan het begin van de maand waarin de belasting in strijd met het Unierecht is betaald. [2] Bij de beantwoording van de vraag tegen welk rentepercentage de belastingplichtige dit bedrag bij een bank zou kunnen lenen, moet in gevallen waarin terugbetaling van in strijd met het Unierecht geheven belasting plaatsvindt, volgens deze prejudiciële beslissing steeds worden aangesloten bij de periodiek op de website van De Nederlandsche Bank gepubliceerde gegevens betreffende “Bancaire rente op consumptief krediet en overige leningen aan huishoudens”. Het voorgaande betekent dat niet op individuele, subjectieve basis wordt onderzocht welk rentepercentage van toepassing zou (kunnen) zijn indien de betrokken belastingplichtige het bedrag aan in strijd met het Unierecht betaalde belasting zou hebben moeten lenen bij een bank. [3] Anders dan het Hof heeft aangenomen, rust in dit opzicht op de belanghebbende dus geen bewijslast. In zoverre is het middel terecht voorgesteld.
Het middel faalt in zoverre. Het Hof van Justitie heeft de in de punten 60 tot en met 82 van deze conclusie opgenomen benadering niet overgenomen. Uit het arrest Sole-Mizo volgt, in overeenstemming met de punten 83 en verder van de conclusie van advocaat-generaal G. Hogan, dat het bij gebreke van een Unieregeling een aangelegenheid is van het interne recht van de lidstaten om de voorwaarden vast te stellen waaronder rente moet worden betaald vanwege in strijd met het Unierecht geheven belastingen. Deze voorwaarden moeten in overeenstemming zijn met het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel. [5] Een nationale regeling voor de berekening van de rente die verschuldigd is wanneer een belastingplichtige verzoekt om teruggaaf van in strijd met het Unierecht betaalde belasting, is in overeenstemming met het doeltreffendheidsbeginsel als die regeling er niet toe leidt dat die belastingplichtige een passende vergoeding wordt ontzegd voor het verlies dat wordt veroorzaakt doordat hij niet over het bedrag van de ten onrechte betaalde belasting kon beschikken. [6] Uit de prejudiciële beslissing van 28 januari 2022 [7] volgt dat wanneer de rentevergoeding als bedoeld in artikel 30ha, leden 1 tot en met 3, AWR is gebaseerd op de periodiek op de website van De Nederlandsche Bank gepubliceerde “Bancaire rente op consumptief krediet en overige leningen aan huishoudens” deze vergoeding als passend en daarmee in overeenstemming met het doeltreffendheidsbeginsel moet worden aangemerkt. Het middel betoogt daarom tevergeefs dat in dit geval op grond van Richtlijn 2011/7/EU een rentepercentage van 8 moet worden gehanteerd. [8]