Uitspraak
1.De procedure in feitelijke instantie
2.Het procesverloop bij de Hoge Raad
3.Uitgangspunten
In een aantal gevallen heeft belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld en in een deel van die gevallen heeft hij vervolgens hoger beroep ingesteld.
4.De prejudiciële vragen
5.Beoordeling van de prejudiciële vragen
De prejudiciële vragen 1a, 1b, 2a en 2b
Op grond van artikel 30j, lid 1, tweede volzin, AWR zijn met betrekking tot de rentebeschikking de bepalingen in de belastingwet die gelden voor de belastingaanslag ter zake waarvan belastingrente wordt berekend, van overeenkomstige toepassing. Deze bepaling strekt mede ertoe dat voor wat betreft het in hoofdstuk V AWR voorziene stelsel van rechtsbescherming een rentebeschikking het regime volgt van de belastingaanslag ter zake waarvan de belastingrente wordt berekend. [6] Indien een rentebeschikking wordt gegeven bij uitspraak op het bezwaar tegen een op aangifte voldaan bedrag aan belasting, dient deze bepaling aldus te worden uitgelegd dat tegen die rentebeschikking geen bezwaar maar beroep openstaat, op overeenkomstige wijze als tegen de uitspraak op bezwaar. De rentebeschikking moet in deze gevallen naar analogie van artikel 24a, lid 3, AWR voor de toepassing van de wettelijke voorschriften over beroep geacht worden deel uit te maken van de daarmee samenhangende uitspraak op bezwaar. Het beroep tegen zo’n uitspraak op bezwaar moet daarom tevens worden opgevat als beroep tegen de rentebeschikking. Indien tegen die rentebeschikking bezwaar wordt gemaakt bij de inspecteur dient deze daarop geen beslissing te nemen maar moet hij dit geschrift op de voet van artikel 6:15 Awb Pro als beroepschrift doorzenden aan de rechtbank.
Betreft de hiervoor in 5.3.1 genoemde rechterlijke uitspraak een uitspraak van de rechtbank, en is daartegen hoger beroep aangetekend (de situatie als geschetst in onderdeel 3.15, tweede alinea, van de beslissing van de Rechtbank), dan kan, ook indien hetgeen in de kennisgeving van de inspecteur is vermeld over rentevergoeding, is aan te merken als een rentebeschikking, de bestuursrechter in hoger beroep dus niet beslissen over (de hoogte van) de te vergoeden rente. Wanneer die hogerberoepsrechter desondanks in zijn uitspraak een beslissing neemt over (de hoogte van) te vergoeden rente, dan staat zijn uitspraak in zoverre bloot aan vernietiging indien daartegen beroep in cassatie wordt ingesteld met klachten over die beslissing. Komt die uitspraak in hoger beroep echter onherroepelijk vast te staan, dan is die bindend. Indien het bedrag aan te vergoeden rente volgens de uitspraak in hoger beroep hoger is dan het bedrag dat is vermeld in de rentebeschikking naar aanleiding van de eerste rechterlijke uitspraak, brengt het bindende karakter van die uitspraak mee dat de inspecteur een aanvullende rentebeschikking zal moeten geven (vergelijk 5.1.3 hiervoor). De inspecteur moet dan naar aanleiding van die uitspraak in hoger beroep een aanvullende rentebeschikking geven waardoor het totale door de inspecteur vastgestelde bedrag aan te vergoeden rente ten minste gelijk is aan de rentevergoeding waartoe de hogerberoepsrechter heeft besloten. Tegen die aanvullende rentebeschikking kan eveneens bezwaar worden gemaakt. Indien het bedrag aan te vergoeden rente volgens de uitspraak in hoger beroep lager is dan het bedrag dat is vermeld in de rentebeschikking naar aanleiding van de eerste rechterlijke uitspraak, dan heeft dat geen gevolgen voor de belanghebbende. In dat geval moet worden uitgegaan van het bedrag van de te vergoeden rente zoals vermeld in de rentebeschikking naar aanleiding van de eerste rechterlijke uitspraak, en kan in bezwaar en beroep tegen deze rentebeschikking worden bepleit dat een nog hoger bedrag aan rente moet worden vergoed.
Indien een rentebeschikking is gegeven bij uitspraak op een bezwaar tegen een op aangifte voldaan bedrag aan belasting, staat tegen deze beschikking op grond van artikel 30j, lid 1, tweede volzin, AWR beroep open en moet naar analogie van artikel 24a, lid 3, AWR het beroep tegen deze uitspraak op bezwaar tevens worden opgevat als beroep tegen de rentebeschikking. Indien tegen de rentebeschikking bezwaar is gemaakt, dient de inspecteur daarop niet een beslissing te nemen maar moet hij dit geschrift op de voet van artikel 6:15 Awb Pro als beroepschrift doorzenden aan de rechtbank.
Een bezwaar tegen een bedrag aan te vergoeden rente dat is vermeld in een naar aanleiding van een rechterlijke uitspraak verzonden kennisgeving van een teruggaaf van belasting die op aangifte is voldaan, is – mits de overige voorwaarden voor ontvankelijkheid ook zijn vervuld – ontvankelijk indien hetgeen in die kennisgeving over dat rentebedrag is vermeld, is aan te merken als een rentebeschikking. Dit laatste kan in elk geval niet worden aangenomen voor zover met betrekking tot die rentevergoeding door de inspecteur eerder een beschikking is gegeven die als rentebeschikking moet worden aangemerkt.
Gelet op hetgeen hiervoor in 5.7 is overwogen, is een aldus vastgestelde rente niet in strijd met het doeltreffendheidsbeginsel indien het daarbij te hanteren rentepercentage ten minste het rentepercentage benadert waartegen een belastingplichtige het bedrag aan in strijd met het Unierecht betaalde belasting bij een bank zou kunnen lenen. Bij de beantwoording van de vraag tegen welk rentepercentage de belastingplichtige dit bedrag bij een bank zou kunnen lenen, sluit de Hoge Raad in gevallen waarin terugbetaling van in strijd met het Unierecht geheven belasting plaatsvindt, steeds aan bij de periodiek op de website van De Nederlandsche Bank gepubliceerde gegevens betreffende “Bancaire rente op consumptief krediet en overige leningen aan huishoudens” (www.dnb.nl/statistieken/dashboards/rente/). Deze keuze voor één uniforme vergelijkingsmaatstaf berust op overwegingen van eenvoud en uitvoerbaarheid. Er wordt dus geen onderscheid gemaakt tussen belastingplichtigen die wel en belastingplichtigen die niet als consument zijn aan te merken. Het voorgaande betekent ook dat niet op individuele, subjectieve basis wordt onderzocht welk rentepercentage van toepassing zou (kunnen) zijn indien de betrokken belastingplichtige het bedrag aan in strijd met het Unierecht betaalde belasting zou hebben moeten lenen bij een bank.