ECLI:NL:GHARL:2025:7672

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
3 december 2025
Publicatiedatum
2 december 2025
Zaaknummer
21-004955-20
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling van een leerkracht wegens ontucht met minderjarigen

In deze zaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 3 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een leerkracht die zich schuldig heeft gemaakt aan ontucht met meerdere minderjarige leerlingen. De verdachte, geboren in 1956, werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 25 maanden voor het plegen van ontuchtige handelingen met vier basisschoolleerlingen, waarbij hij zijn positie als leerkracht misbruikte. De ontuchtige handelingen omvatten het betasten van de blote vagina en billen van de slachtoffers. Het hof achtte de verklaringen van de slachtoffers betrouwbaar, ondanks dat de verdachte gedeeltelijk werd vrijgesproken van ontucht met andere leerlingen. Naast de gevangenisstraf werd er een beroepsverbod van zes jaar opgelegd. De vorderingen van de benadeelde partijen werden deels toegewezen, waarbij schadevergoeding werd toegekend voor immateriële en materiële schade. Het hof oordeelde dat de verdachte geen contact mocht hebben met de slachtoffers en hun ouders, maar besloot de eerder opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel op te heffen. De zaak benadrukt de ernst van seksueel misbruik in een onderwijscontext en de impact daarvan op de slachtoffers en hun omgeving.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004955-20
Uitspraakdatum: 3 december 2025
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, van 11 december 2020 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 16-301968-19 en 16-097617-20, tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1956 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .

Hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 7 november 2025 en 3 december 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
  • veroordeling van de verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 16-301968-19;
  • oplegging van een gevangenisstraf van dertig maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht;
  • oplegging van de maatregel van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) strekkende tot beperking van de vrijheid, inhoudende een contactverbod met de slachtoffers en hun ouders en dat de verdachte zich niet zal ophouden in de [gemeente] . Per overtreding van dit verbod acht de advocaat-generaal twee weken hechtenis op zijn plaats, met een maximum van zes maanden;
  • oplegging van een beroepsverbod voor de duur van tien jaren;
  • niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie ter zake van het tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 16-097617-20 dan wel te oordelen overeenkomstig het oordeel van de rechtbank;
  • toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [slachtoffer 2] , [benadeelde 6] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 8] , [benadeelde 2] , [benadeelde 4] , [benadeelde 3] en [slachtoffer 1] , de bedragen te vermeerderen met de wettelijke en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat de verdachte en zijn raadsman,
mr. D.A.W. Dekker, hebben aangevoerd.
Ook heeft het hof kennisgenomen van wat de benadeelde partij, [benadeelde 1] , en haar advocaat, mr. F.M.M. Buijs (waarnemend voor mr. C.H. Dijkstra), op de terechtzitting van het hof naar voren hebben gebracht.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat de benadeelde partijen, [slachtoffer 1] , [benadeelde 4] en [benadeelde 3] , en hun advocaat, mr. W.A. Monster, op de terechtzitting van het hof naar voren hebben gebracht.

De ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door rechtbank Midden-Nederland partieel vrijgesproken van hetgeen aan de verdachte impliciet cumulatief onder 2 primair en subsidiair in de zaak met parketnummer 16-301968-19 ten laste is gelegd ten aanzien van [slachtoffer 4] .
Verder heeft de rechtbank de verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 16-097617-20 ontslagen van alle rechtsvervolging omdat het door haar bewezen verklaarde feit niet kan worden gekwalificeerd als een strafbaar feit.
Verdachte heeft onbeperkt hoger beroep ingesteld. Daarmee heeft hij het hoger beroep mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot partiële vrijspraak van het onder 2 primair tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 16-301968-19. Daarnaast heeft hij het hoger beroep daarmee gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot ontslag van alle rechtsvervolging van het tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 16-097617-20.
De officier van justitie heeft beperkt hoger beroep ingesteld, te weten tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot ontslag van alle rechtsvervolging van het tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 16-097617-20.
Op de terechtzitting van het hof heeft de advocaat-generaal naar voren gebracht dat het Openbaar Ministerie zijn grieven niet langer handhaaft en verzocht om het Openbaar Ministerie ten aanzien van dat feit in het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren.
Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, Sr staat voor de verdachte tegen de beslissing tot vrijspraak geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak ten aanzien van [slachtoffer 4] .
Verder overweegt het hof dat voor een ontslag van alle rechtsvervolging, anders dan bij een vrijspraak, hoger beroep voor de verdachte wel open staat. Nu de verdachte ook hiertegen hoger beroep heeft ingesteld is het tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 16-097617-20 ook aan het oordeel van het hof onderworpen.

Het vonnis

De rechtbank heeft bij voornoemd vonnis, waartegen het hoger beroep gericht is:
  • het tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 16-097617-20 deels bewezenverklaard, maar de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging omdat het bewezenverklaarde feit niet kan worden gekwalificeerd als een strafbaar feit;
  • de verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 16-301968-19 veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van vijf jaren en daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden dat verdachte geen contact zal opnemen met de slachtoffers en hun ouders en zich niet zal ophouden in de [gemeente] ;
  • de maatregel van artikel 38v Sr opgelegd voor de duur van vijf jaren, inhoudende dat de verdachte zich onthoudt van contact met de slachtoffers en hun ouders en zich niet zal ophouden in de [gemeente] . De rechtbank heeft de dadelijke uitvoerbaarheid van deze maatregel bevolen;
  • een beroepsverbod opgelegd voor de duur van acht jaren;
  • het bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte opgeheven;
  • de vorderingen van de benadeelde partijen deels toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en heeft de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Het hof komt in dit arrest, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, tot een andere beslissing over het bewijs dan de rechtbank. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Op de zitting bij de rechtbank Midden-Nederland is de tenlastelegging gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijziging, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, ten laste gelegd dat:
Zaak met parketnummer 16-301968-19:
1.
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 september 2018 tot en met 8 november 2019 te [plaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, met meerdere, althans een, aan zijn zorg, opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige(n), te weten [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum] 2011) en/of [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum] 2011) en/of [slachtoffer 3] (geboren op [geboortedatum] 2010), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had(den) bereikt, buiten echt, in voornoemde periode meermalen, althans éénmaal, (telkens) één of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande die handelingen uit:
- het betasten/aanraken van en/of het brengen van één of meer van zijn, verdachtes, vinger(s), althans hand, op de met kleding bedekte vagina, althans schaamstreek, van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of
- het betasten/aanraken van en/of het brengen van één of meer van zijn, verdachtes, vinger(s) op de (ontblote) vagina, althans schaamstreek, van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of
- het maken van heen en weer gaande bewegingen over en/of het wrijven over en/of het aaien van de met kleding bedekte en/of ontblote vagina, althans schaamstreek, van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of
- het vast pakken van de hand en/of vuist van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of (vervolgens) het leggen/drukken van die hand op zijn, verdachtes, been en/of (stijve) geslachtsdeel en/of
- het knijpen in/vastpakken van de met kleding bedekte en/of ontblote billen en/of de borst(en) van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] ;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 september 2018 tot en met 8 november 2019 te [plaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, in zijn functie als docent/leraar van de [school] te [plaats] , met de aan zijn opleiding en/of zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige(n) [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum] 2011) en/of [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum] 2011) en/of [slachtoffer 3] (geboren op [geboortedatum] 2010), die toen daar op die school (een) leerling(en) was(ren), in voornoemde periode meermalen, althans eenmaal, opzettelijk (telkens) ontucht heeft gepleegd, bestaande die ontucht uit:
- het betasten/aanraken van en/of het brengen van één of meer van zijn, verdachtes, vinger(s), althans hand, op de met kleding bedekte vagina, althans schaamstreek, van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of
- het betasten/aanraken van en/of het brengen van één of meer van zijn, verdachtes, vinger(s) op de (ontblote) vagina, althans schaamstreek, van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of
- het maken van heen en weer gaande bewegingen over en/of het wrijven over en/of het aaien van de met kleding bedekte en/of ontblote vagina, althans schaamstreek, van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of
- het vast pakken van de hand en/of vuist van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of (vervolgens) het leggen/drukken van die hand op zijn, verdachtes, been en/of (stijve) geslachtsdeel en/of
- het knijpen in/vastpakken van de met kleding bedekte en/of ontblote billen en/of de borst(en) van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] ;
2.
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 september 2018 tot en met 8 november 2019 te [plaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, met meerder, althans een, aan zijn zorg, opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige(n) [slachtoffer 5] (geboren op [geboortedatum] 2009) en/of [slachtoffer 6] (geboren op [geboortedatum] 2009) en/of [slachtoffer 7] (geboren [geboortedatum] 2009) en/of [slachtoffer 8] (geboren op [geboortedatum] 2010) die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had(den) bereikt, buiten echt, in voornoemde periode meermalen, althans éénmaal, (telkens) één of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande die ontuchtige handelingen uit:
- het aanraken van en/of het geven van een tik en/of het leggen van zijn, verdachtes, hand op de (met kleding bedekte) billen van die [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] en/of
- het aanraken van en/of wrijven over de rug en/of be(e)n(en) van die [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] en/of
- het haar/hen daarbij mondeling toevoegen van de woorden "je bent een lekker wijffie", althans woorden van gelijke strekking of aard;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 september 2018 tot en met 8 november 2019 te [plaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, in zijn functie als docent/leraar van de [school] te [plaats] , met de aan zijn opleiding en/of zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige(n) [slachtoffer 5] (geboren op [geboortedatum] 2009) en/of [slachtoffer 6] (geboren op [geboortedatum] 2009 ) en/of [slachtoffer 7] (geboren op [geboortedatum] 2009) en/of [slachtoffer 8] (geboren op [geboortedatum] 2010), die toen daarop die school (een) leerling(en) was(ren), in voornoemde periode meermalen, althans eenmaal, opzettelijk (telkens) ontucht heeft gepleegd, bestaande uit
- het aanraken van en/of het geven van een tik en/of het leggen van zijn, verdachtes, hand op de (met kleding bedekte) billen van die [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] en/of
- het aanraken van en/of wrijven over de rug en/of be(e)n(en) van die [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] en/of
- het haar/hen daarbij mondeling toevoegen van de woorden "je bent een lekker wijffie" althans woorden van gelijke strekking of aard.
Zaak met parketnummer 16-097617-20 (gevoegd):
hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2019 tot en met 22 oktober 2019 te [plaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, (een) gegevensdrager(s) bevattende (een) afbeelding(en), te weten een computer/laptop (Acer), in bezit heeft gehad en/of zich daartoe door middel van een geautomatiseerd werk en/of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang heeft verschaft, terwijl op die afbeelding(en) (een) ontuchtige handeling(en) zichtbaar is/zijn waarbij een mens en (een) dier(en) is/zijn betrokken of schijnbaar is/zijn betrokken, welke ontuchtige handelingen bestonden uit:
- het door een of meerdere dier(en) oraal en/of vaginaal penetreren van het lichaam van een persoon en/of
- het door een persoon betasten en/of aanraken van het geslachtsdeel van een of meerdere dier(en).
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van de zaak met parketnummer 16-301968-19

Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair en 2 subsidiair tenlastegelegde. Hiertoe heeft de advocaat-generaal – kort samengevat – aangevoerd dat zij geen grond ziet voor twijfel aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de zeven meisjes. De verklaringen zijn dan ook bruikbaar voor het bewijs. De risicovolle ontstaansgeschiedenis noopt niet tot een andere conclusie. Hun verklaringen ondersteunen elkaar en er kan bovendien gebruik worden gemaakt van schakelbewijs. Gelet hierop komt de advocaat-generaal tot dezelfde bewezenverklaring als de rechtbank.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft, overeenkomstig de inhoud van zijn aan het hof overgelegde pleitaantekeningen, bepleit dat de verdachte integraal wordt vrijgesproken. De verdachte ontkent de tenlastegelegde feiten te hebben gepleegd. De raadsman heeft – kort samengevat – aangevoerd dat sprake is van een dusdanig onfortuinlijke ontstaansgeschiedenis dat van betrouwbare verklaringen die bruikbaar zijn voor het bewijs, geen sprake meer is.
Anders gezegd: de verklaringen van de meisjes en hun ouders helpen onvoldoende te differentiëren tussen de concurrerende scenario’s van enerzijds het Openbaar Ministerie en anderzijds van de verdachte. De verklaringen passen beter bij het door de verdachte geschetste alternatieve scenario waarin de verdachte onschuldig is, dan bij het primaire scenario dat de verdachte zich wel schuldig heeft gemaakt aan het onzedelijk betasten van kinderen tijdens de les. Het scenario waarin de verdachte niet meer heeft gedaan dan alledaagse onschuldige aanrakingen die ten onrechte zijn uitgelegd als seksueel getinte handelingen, is ook zinnig en reëel te noemen. De verklaringen van de kinderen zijn bestaanbaar in een alternatief scenario. In dat scenario gaan na een eerste onthulling van een kind, kinderen elkaar napraten. Zij komen onbedoeld aangemoedigd door hun ouders met beschuldigingen die niet op waarheid berusten, maar op een initiële misinterpretatie van alledaagse niet-seksuele, onschuldige aanrakingen door de verdachte. Die aanrakingen kunnen als onprofessioneel, ongepast, ongewenst of – best genomen – als grensoverschrijdend worden bestempeld, maar niet als ontuchtig in de zin van de wet. De verdediging concludeert dan ook dat niet met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden vastgesteld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onzedelijk betasten van aan zijn zorg toevertrouwde leerlingen.
Het oordeel van het hof
Korte inleiding
De verdenking tegen de verdachte bestaat hierin dat hij in de tenlastegelegde periode als leerkracht van een basisschool ontucht heeft gepleegd met zeven van zijn leerlingen uit de groepen 5 en 6/7, te weten: [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ), [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ), [slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3] ), [slachtoffer 5] (hierna: [slachtoffer 5] ), [slachtoffer 6] (hierna: [slachtoffer 6] ), [slachtoffer 7] (hierna: [slachtoffer 7] ) en [slachtoffer 8] (hierna: [slachtoffer 8] ).
De zeven meisjes hebben belastende verklaringen over de verdachte afgelegd, namelijk dat hij hen ontuchtig zou hebben aangeraakt.
Tegenover de verklaringen van de meisjes staat de stellige ontkenning van de verdachte van het tenlastegelegde.
Deskundigenrapporten
In eerste aanleg heeft de deskundige drs. J. van der Sleen, in opdracht van de rechtbank, onderzoek gedaan naar de betrouwbaarheid van de verklaringen van de zeven meisjes.
De deskundige heeft met betrekking tot de ontstaansgeschiedenis van de verklaringen onderzocht of er alternatieve scenario’s zijn waardoor de verklaringen van deze minderjarige meisjes zijn ontstaan, terwijl het vermeende delict niet of niet op de in de verklaringen beschreven wijze heeft plaatsgevonden. Daarnaast heeft de deskundige de inhoud van die verklaringen onderzocht op de volledigheid, accuraatheid en consistentie waarbij eventuele problemen in de verklaringen worden opgespoord.
In het rapport van 24 november 2020 heeft de deskundige het volgende geconcludeerd:
- Er zijn geen aanknopingspunten voor de mogelijkheid dat de verhalen van de zeven meisjes zijn ontstaan door bewuste beïnvloeding. Geen van de ouders of de kinderen lijkt een motief te hebben om verdachte bewust vals te beschuldigingen.
- Er is geen steun voor de mogelijkheid dat er seksuele handelingen met de meisjes zijn gepleegd door iemand anders dan de verdachte.
- Er zijn geen aanknopingspunten voor de mogelijkheid dat de meisjes hun verhalen over de betastingen door verdachte hebben verzonnen.
- Voor de mogelijkheid dat sprake is van een misverstand en dat onschuldige handelingen ten onrechte zijn uitgelegd als seksueel getinte handelingen is geen ondersteuning bij [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] . Bij [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] sluit de deskundige niet uit dat de intentie van verdachte bij de handelingen anders was dan de meisjes en hun ouders in de context van de geruchten over seksueel grensoverschrijdend gedrag achteraf hebben geïnterpreteerd.
- Het risico op onbedoelde onderlinge beïnvloeding en “collaborative storytelling” is in deze zaak groot. Toch vindt de deskundige in het dossier een aantal belangrijke punten die het scenario van onbedoelde beïnvloeding en “collaborative storytelling” niet ondersteunen. Er zijn geen serieuze problemen met de inhoud van de verklaringen van de minderjarige meisjes.
In hoger beroep heeft de deskundige mr. dr. E. Rassin, in opdracht van de raadsheer-commissaris en op verzoek van de verdediging, onderzoek gedaan naar de betrouwbaarheid van de verklaringen van de zeven meisjes.
In het rapport van 18 november 2024 heeft deze deskundige onder meer het volgende geconcludeerd:
- In het huidige dossier zitten meerdere aspecten die in de literatuur zijn beschreven als voedingsbodem voor onjuiste verklaringen. Daarbij gaat het om het onderlinge overleg tussen de kinderen, de slechte reputatie van de verdachte, de gesprekken die de ouders met de kinderen hebben gevoerd en het actief zoeken naar slachtoffers.
Dat maakt dat de verklaringen – niet alleen nog steeds goed passen in het primaire (beschuldigende) scenario – maar ook bestaanbaar zijn in een alternatief scenario waarin de verdachte niet meer heeft gedaan dan een incidentele onschuldige aanraking.
- De verklaringen passen goed in het primaire scenario. Als de verdachte meerdere kinderen onzedelijk heeft betast, kan worden verwacht dat die kinderen zich na enige aanmoediging melden met hun getuigenis.
- De verklaringen passen ook goed in het alternatieve scenario, waarin verschillende onfortuinlijke omstandigheden hebben geresulteerd in onterechte beschuldigingen. In dat scenario zou een initiële misinterpretatie van onschuldige aanrakingen als een sneeuwbal zijn uitgegroeid tot meerdere aangiften. Zelfs als de verhoren suggestievrij zouden zijn geweest, kan daarmee al hetgeen ten nadele van de betrouwbaarheid van de verklaringen daaraan voorafgaand heeft plaatsgevonden, niet ongedaan zijn gemaakt.
- De deskundige concludeert dat, vanwege de onfortuinlijke ontstaansgeschiedenis, de verklaringen niet sterk differentiëren tussen de scenario’s, omdat ze in beide scenario’s bestaanbaar zijn.
De deskundigen Van der Sleen en Rassin zijn op de terechtzitting van het hof ondervraagd. Zij hebben op de terechtzitting verklaard dat zij bij hun eerdere conclusie blijven.
De verklaringen van de meisjes in hoger beroep
In hoger beroep zijn, op verzoek van de verdediging, de zeven meisjes op 2 en 4 april 2024 en 9 juli 2024 in aanwezigheid van de raadsheer-commissaris in een kindvriendelijke verhoorstudio verhoord.
Het hof merkt hierbij op dat grote vraagtekens geplaatst kunnen worden bij de betrouwbaarheid van de verklaringen uit die verhoren, maar dat mede gelet op de Keskin-jurisprudentie de verdediging het recht had om deze meisjes te horen en het hof zich genoodzaakt zag de verzoeken toe te wijzen.
Het hof verwijst voor de betrouwbaarheid van verklaringen die na langere tijd worden afgelegd, naar wat de deskundigen Van der Sleen en Rassin hierover hebben vermeld.
Van der Sleen heeft gerapporteerd dat onder meer tijdsverloop een negatief effect kan hebben op de accuraatheid van de verklaringen. Normaal gesproken treden tussen verschillende verklaringen door geheugenfouten inconsistenties op. Veel inconsistenties bestaan uit omissies (eerder wel en later niet meer genoemde details) of commissies (eerder niet en later wel genoemde details). Dergelijke verschillen worden meestal groter naarmate de tijd tussen het voorval en het afleggen van een verklaring toeneemt.
Uit het rapport van Rassin, die in zijn onderzoek ook de latere bij de raadsheer-commissaris afgelegde verklaringen heeft onderzocht, volgt dat de meisjes in de kern bij hun eerdere verklaringen blijven. Vanuit de geheugenliteratuur is het riskant om de getuigen na vijf jaar nog eens te horen. Enerzijds kunnen (in het primaire scenario) relevante details door spontaan vergeten niet meer authentiek worden opgehaald. Anderzijds is (in het alternatieve scenario) de kans op contaminatie en pseudoherinneringen (spontaan dan wel door suggestie) groot.
Het hof zal, gelet op de zeer jonge leeftijd van de meisjes en het tijdserverloop, de verklaringen van de meisjes in de fase van hoger beroep niet betrekken bij zijn oordeel.
De verklaringen zijn jaren na dato afgelegd en daardoor aanzienlijk minder betrouwbaar dan de verklaringen die relatief korter na het tenlastegelegde zijn afgelegd. Het hof zal zich dan ook focussen op de verklaringen van de meisjes die in het politiedossier zijn opgenomen.
Betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 8] (klas 5B)
De vraag is of de verklaringen van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 8] betrouwbaar zijn.
Het hof onderzoekt in alle strafzaken verklaringen kritisch en zorgvuldig. Verklaringen dienen onder meer te worden beoordeeld op consistentie, accuraatheid en volledigheid. Het enkele feit dat in verklaringen op punten tegenstrijdigheden voorkomen, maakt deze verklaringen op zichzelf nog niet onbetrouwbaar. Dat kan immers te wijten zijn aan de feilbaarheid van het menselijk geheugen of het gevolg zijn van emoties die zijn ontstaan door het delict of tijdsverloop. Het gaat om de totale indruk die de verklaringen maken en de wijze waarop zij zijn afgelegd.
Dat [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 8] bij elkaar in de klas zaten, elkaar kenden en op enig moment contact met elkaar hebben gehad, doet naar het oordeel van het hof in deze zaak aan de betrouwbaarheid van hun verklaringen niet af. Hoewel de verklaringen niet volledig gelijkluidend zijn, ziet het hof in die inconsistenties geen aanleiding om de verklaringen van de meisjes onbetrouwbaar te achten.
Het hof is van oordeel dat die inconsistenties hoofdzakelijk ondergeschikte onderdelen in die verklaringen betreffen die niet de kern raken van het aan de verdachte tenlastegelegde verwijt. De strekking van de verklaringen komt overeen, namelijk dat de verdachte hun ontuchtig heeft aangeraakt.
Anders dan [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 8] heeft [slachtoffer 2] bij de politie in eerste instantie op 18 december 2019 verklaard dat de verdachte haar hand op zijn been heeft gelegd en dat er verder niets is gebeurd. Zij komt hierop zelfstandig terug tijdens het tweede verhoor op 22 januari 2020. Zij heeft tijdens dit verhoor verklaard dat zij gaat vertellen wat er echt is gebeurd en dat zij de vorige keer niet alles heeft verteld omdat zij het heel spannend vond. [slachtoffer 2] legt ook uit dat ze pas later alles aan haar moeder heeft verteld. Ook dat vond ze spannend, want haar ouders hadden het te druk met werk. De angst om het te vertellen aan haar ouders wordt bevestigd door [slachtoffer 1] . Zij vertelt tijdens haar verhoor dat [slachtoffer 2] om die reden het nog niet heeft verteld aan haar ouders.
Deskundige Van der Sleen schrijft in haar rapport dat [slachtoffer 2] goed heeft kunnen motiveren hoe het kwam dat zij tijdens het eerste verhoor niet alles heeft verteld wat er zou zijn gebeurd. Gelet hierop komt zij tot de conclusie dat er geen problemen zijn met de inhoud van de verklaring van [slachtoffer 2] .
Het hof acht het plausibel en navolgbaar dat [slachtoffer 2] op een later moment haar verklaring heeft uitgebreid.
Het hof acht de door [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 8] afgelegde verklaringen en de wijze waarop zij uiteindelijk tot het afleggen van een verklaring bij de politie komen oprecht en navolgbaar. De verklaringen van deze meisjes acht het hof dan ook betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs en het hof zal hun verklaringen als uitgangspunt nemen bij de beoordeling van de tenlastegelegde ontucht.
Bewijsminimumregels
Het hof stelt voorop dat in zedenzaken het bijeenbrengen van voldoende bewijs van betrokkenheid van een verdachte, gelet op de besloten aard van de strafbare gedraging, doorgaans problematisch is als een verdachte ontkent. De vraag die het hof moet beantwoorden is of er is voldaan aan het bewijsminimum. Ook in deze zaak ligt die vraag voor.
Ingevolge het tweede lid van artikel 342 Sv is alleen de verklaring van het slachtoffer, zelfs als die betrouwbaar is, onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Daar staat tegenover dat – op grond van vaste rechtspraak – in zedenzaken een geringe mate aan steunbewijs in combinatie met de verklaringen van het slachtoffer voldoende wettig bewijs kan opleveren.
Of sprake is van voldoende steunbewijs is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat niet is vereist dat het tenlastegelegde als zodanig bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal, maar dat het afdoende is wanneer de verklaring van het slachtoffer, als die betrouwbaar wordt bevonden, op onderdelen steun vindt in andere bewijsmiddelen die afkomstig zijn van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Enkel één verklaring van-horen-zeggen (een zogenaamde
de auditu-verklaring) levert op zichzelf onvoldoende steunbewijs op. Wél kan een verklaring van een getuige die mede een zelfstandige, eigen waarneming inhoudt ten aanzien van de emotionele of fysieke toestand van aangeefster op het moment dat het strafbare feit plaatsvindt, of vlak daarna, voldoende steunbewijs opleveren voor het bewezen verklaarde. Het is niet (per se) vereist dat het steunbewijs betrekking heeft op de tenlastegelegde gedragingen.
Een bijzondere vorm van steunbewijs vormt het zogeheten schakelbewijs. Met de term schakelbewijs pleegt te worden aangeduid een bewijsvoering waarbij voor de bewezenverklaring van een feit mede redengevend wordt geacht de – uit één of meer bewijsmiddelen blijkende – omstandigheid dat de verdachte bij één of meer andere soortgelijke strafbare feiten betrokken was. De vraag of dergelijk – in diverse varianten voorkomend – schakelbewijs redengevend is, moet worden beoordeeld in het licht van de gehele bewijsvoering. Daarbij is ten minste vereist dat de wijze waarop de onderscheidende feiten zijn begaan op essentiële punten overeenkomt of kenmerkende gelijkenissen vertoont en het duidelijk is dat verdachte bij die andere feiten betrokken is geweest. Voor wat betreft het overeenkomen van essentiële punten tussen de geschakelde feiten wordt in de regel in het bijzonder gekeken naar de (werk)wijze waarop de onderscheidende feiten zijn gepleegd, de zogenaamde
modus operandi. Daarbij kan ook de feitelijke gang van zaken bij de tenlastegelegde feiten meewegen, waaronder de context waarbinnen de feiten zich hebben afgespeeld, de omstandigheden waarmee zij zijn omgeven, het desbetreffende handelen van de verdachte, alsmede de verklaringen die de verdachte daarover heeft afgelegd. Hieruit zou een herkenbaar en gelijksoortig patroon in het handelen van de verdachte kunnen worden opgemaakt.
Het hof benadrukt dat deze maatstaf omtrent het toereikend zijn van een verklaring van een slachtoffer dient te worden onderscheiden van de beoordeling of een verklaring betrouwbaar is.
Steun- en schakelbewijs
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is het, zoals hierboven ook uiteen gezet, toegestaan om bewijsmiddelen, die ten grondslag zijn gelegd aan de bewezenverklaring van een strafbaar feit, mede te gebruiken als bewijs voor andere – soortgelijke – strafbare feiten, mits – kort gezegd – uit de bewijsmiddelen blijkt dat de wijze waarop de te onderscheiden feiten zijn begaan op essentiële punten overeenkomt of kenmerkende gelijkenissen vertoont.
Het hof stelt vast dat [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 8] ieder vanuit hun eigen perceptie hebben verklaard over hun ervaringen met de verdachte en dat hun verklaringen daarin weliswaar niet geheel gelijkluidend zijn, maar wel op essentiële punten belangrijke overeenkomsten vertonen. Dit geldt zowel voor de door de meisjes uiteengezette werkwijze waarop de feiten zijn gepleegd, de context waarbinnen de feiten zich hebben afgespeeld als de omstandigheden waarmee zij zijn omgeven.
In het bijzonder acht het hof de volgende overeenkomsten van belang.
  • [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 8] zijn meisjes.
  • Het zijn allemaal leerlingen van de verdachte.
  • Het zijn meisjes van tussen acht à negen jaar oud.
  • Deze meisjes zaten in groep 5B.
  • Het contact vond plaats tijdens de les.
  • Het klaslokaal was tijdens de les vol.
  • De handelingen van de verdachte werden verricht terwijl er werd gewerkt door de leerlingen.
  • De handelingen vonden plaats aan of bij het bureau van de verdachte.
  • Het gebeurde tijdens de uitleg van de verdachte als de meisjes een vraag hadden of iets niet begrepen en zij voor uitleg dan wel hulp naar het bureau van de verdachte waren toegegaan.
  • De verdachte deed dit over de kleding, maar bij [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] ook onder de kleding aan de voorzijde van de schaamstreek dan wel de vagina.
  • Verdachte gaf ook een tikje op de billen.
  • Verdachte vroeg soms of het lekker voelde.
Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 8] ten aanzien van de feitelijke gang van zaken – waaronder de context waarbinnen de feiten zich hebben afgespeeld, de omstandigheden waarmee zij zijn omgeven en het desbetreffende handelen van de verdachte, inclusief de werkwijze waarop de verdachte de verschillende feiten heeft gepleegd – op essentiële punten overeenkomen en kenmerkende gelijkenissen vertonen. Daaruit leidt het hof een herkenbaar en gelijksoortig patroon in het handelen van de verdachte af. Het hof zal de verklaringen van de meisjes daarom over en weer gebruiken als schakelbewijs voor de ten laste gelegde feiten.
Daarnaast is er ander steunbewijs voor de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 8] .
Ten aanzien van het tenlastegelegde dat betrekking heeft op [slachtoffer 1] blijkt het volgende uit het verhoor van [slachtoffer 6] . Zij heeft verklaard dat zij mediator was en dat haar rol was dat zij leerlingen op het schoolplein hielp als er iets was. In deze hoedanigheid zag zij een meisje op het schoolplein huilen. Dit meisje bleek [slachtoffer 1] te zijn. Toen [slachtoffer 6] aan haar vroeg wat er was, zei [slachtoffer 1] tegen haar dat de verdachte aan haar billen had gezeten en dat de verdachte in de broek van haar is gegaan.
Ten aanzien van het tenlastegelegde dat betrekking heeft op [slachtoffer 8] , heeft [slachtoffer 3] tijdens haar verhoor verklaard dat zij heeft gezien dat de verdachte [slachtoffer 8] in haar billen kneep. Ook geeft [slachtoffer 3] in haar verklaring duidelijk aan wat zij wel heeft gezien, maar ook wat zij niet heeft gezien. Op de vraag of zij heeft gezien dat de verdachte ook aan de vagina van [slachtoffer 8] heeft gezeten, verklaart zij dat zij dit niet heeft gezien en dat zij alleen heeft gezien dat de verdachte aan haar billen heeft gezeten.
Het hof is van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 8] die het hof betrouwbaar acht, niet op zichzelf staan. Er is daarom aan het bewijsminimum voldaan.
De verweren van de raadsman worden dan ook verworpen. Kort gezegd: het hof gelooft de meisjes waar het de tenlastegelegde gedragingen betreft en gelooft de verdachte niet in zijn ontkenning daarvan.
Het hof stelt daarnaast vast dat de verklaringen van de meisjes volgens deskundige Rassin weliswaar ook goed kunnen passen in het hiervoor omschreven alternatieve scenario. Dat scenario behelst dat verschillende onfortuinlijke omstandigheden hebben geresulteerd in onterechte beschuldigingen tegen de verdachte. Hij waardeert de omstandigheden waaronder de verklaringen van de meisjes tot stand zijn gekomen en hoe die omstandigheden hebben doorgewerkt in de betrouwbaarheid van die verklaringen echter anders dan deskundige Van der Sleen en ook hoe het hof die omstandigheden en de doorwerking waardeert.
Ontuchtige handelingen
Uit de hieronder opgenomen bewijsmiddelen volgt dat de verdachte als leerkracht voor de groep stond. De verdachte is bij [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] met zijn hand in hun broek geweest, waarbij hij hen op hun vagina en blote huid heeft betast. De verdachte heeft daarbij ook bewegingen met zijn vingers gemaakt. Ook heeft hij [slachtoffer 2] bij haar hand gepakt en heeft hij haar hand op zijn been en stijve geslachtsdeel gelegd of gedrukt. Verder heeft hij [slachtoffer 3] over de kleding heen in haar billen geknepen of vastgepakt. Bij [slachtoffer 8] heeft de verdachte haar over de kleding heen een tikje gegeven op haar billen of zijn hand op haar billen gelegd. Ook heeft hij [slachtoffer 8] bij haar benen aangeraakt of gewreven.
Al deze handelingen vonden plaats tijdens de les in het klaslokaal.
Deze handelingen, gepleegd in deze context, zijn onmiskenbaar ontuchtige handelingen omdat deze handelingen seksueel getinte handelingen zijn die in strijd zijn met de sociaal-ethische norm.
Periode
Het hof overweegt, evenals de rechtbank, over de tenlastegelegde periode dat het een feit van algemene bekendheid is dat de zomervakantie in de regio Noord in 2019 is geëindigd op 26 augustus 2019. Dat betekent dat op maandag 26 augustus 2019 het schooljaar 2019/2020 is aangevangen.
Vrijspraak feit 2 primair en subsidiair met betrekking tot [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7]
[slachtoffer 5] heeft verklaard dat wanneer zij bij het bureau van de verdachte stond met een vraag, dat hij zijn hand op haar rug plaatste. Vervolgens ging hij met zijn hand naar beneden tot aan haar billen. Zijn hand bleef daar op haar billen. Dat gebeurde iedere dinsdag. Zij heeft gezien dat [slachtoffer 7] bij het bureau van de verdachte stond en dat hij met zijn hand over haar rug ging en dat hij een beweging naar beneden maakte.
Op de vraag of zij ook wel eens heeft gezien dat de verdachte het bij iemand anders deed dan [slachtoffer 7] , verklaart zij dat ze het ook heel vaak bij [slachtoffer 6] heeft gezien.
Het hof merkt hierbij op dat [slachtoffer 5] niet heeft verklaard
watzij heeft gezien bij [slachtoffer 6] .
[slachtoffer 6] heeft verklaard dat wanneer zij bij het bureau van de verdachte stond met een vraag, dat hij op een gegeven moment aan haar ging zitten. Dat dit ongeveer drie keer is gebeurd. Zij heeft verder verklaard dat de verdachte eerst bij de schouders begon en dan omlaag ging en dan aan haar billen zat. Dit was op haar kleren. [slachtoffer 6] heeft over de duur hiervan verklaard:
‘Ohh uhh eigenlijk ..uhh eigenlijk uhh ...ik weet niet hoor het was wel heel kort, iets van acht seconden, ik weet niet.’
Het hof merkt hierbij op dat [slachtoffer 6] tijdens dit verhoor niets heeft verklaard over haar waarnemingen bij andere kinderen.
[slachtoffer 7] heeft verklaard dat wanneer zij uitleg kreeg bij het bureau van de verdachte dat hij van haar schouder naar beneden ging naar haar kont. Toen de verdachte klaar was met de uitleg was hij nog niet bij haar kont, maar bij haar stuitje. Dit vond zij raar en niet leuk. Dit is één keer gebeurd. Zij weet niet of hij dit ook bij andere kinderen deed.
Uit de verklaringen van [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] volgt dat zij elkaar hebben verteld dat de verdachte aan hen heeft gezeten dan wel dat de verdachte ook iets bij hen heeft gedaan.
Het hof is van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] beperkt zijn tot hetgeen bij henzelf is gebeurd, waarbij onduidelijk is in hoeverre die verklaringen op eigen waarneming zijn gebaseerd. [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] hebben namelijk in elkaars bijzijn de onthulling gedaan bij de moeder van [slachtoffer 6] , waarbij [slachtoffer 7] het voortouw heeft genomen en [slachtoffer 6] slechts heeft aangevuld of beaamd.
[slachtoffer 5] heeft weliswaar verklaard over wat bij haar is gebeurd en dat zij bij [slachtoffer 7] en [slachtoffer 6] handelingen van verdachte heeft gezien, maar over wat zij precies bij hen heeft gezien, is zij onvoldoende concreet en gedetailleerd.
Ook overigens bevatten de verklaringen van deze meisjes onvoldoende uit eigen wetenschap bekende feiten of omstandigheden die een concrete ondersteuning bieden voor de tenlastegelegde gedragingen. Het hof is dan ook van oordeel dat hun verklaringen onvoldoende steunbewijs opleveren voor de tenlastegelegde gedragingen.
Het hof heeft in het voorgaande geoordeeld dat het dossier voor de feiten die betrekking hebben op [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] onvoldoende steunbewijs bevat. Dat betekent dat ten aanzien van geen van de afzonderlijk tenlastegelegde feiten voldoende wettig bewijs voorhanden is. Hoewel dat op zichzelf niet aan het gebruik van schakelbewijs in de weg hoeft te staan, heeft dit wel betekenis voor de bewijsvoering in het geheel. Tegen deze achtergrond is het hof van oordeel dat de door de advocaat-generaal genoemde overeenkomsten een te algemeen karakter dragen om daaraan de vereiste redengevendheid toe te kunnen kennen. Het hof acht het gebruik van een schakelbewijsconstructie bij deze feiten daarom niet mogelijk.
Het hof kan dus niet bewijzen dat de verdachte ontuchtige handelingen bij [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] heeft verricht.
Gelet hierop zal het hof de verdachte vrijspreken van het deel van het onder 2 tenlastegelegde dat betrekking heeft op deze drie meisjes. Deze conclusie houdt niet in dat de verklaringen van de meisjes niet betrouwbaar of geloofwaardig zijn, maar wel dat die onvoldoende steun vinden in de overige bewijsmiddelen die zich in het dossier bevinden om tot een bewezenverklaring te komen.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van de zaak met parketnummer 16-097617-20

Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft (subsidiair) gerekwireerd tot bevestiging overeenkomstig het oordeel van de rechtbank.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde, omdat – kort samengevat – op basis van het dossier niet met de vereiste mate van zekerheid vastgesteld kan worden dat de verdachte de website met het dierenpornografisch materiaal daadwerkelijk heeft bezocht.
Het oordeel van het hof
Net als de rechtbank is het hof van oordeel dat uit de hieronder genoemde bewijsmiddelen volgt dat de verdachte zich door middel van een geautomatiseerd werk en met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang heeft verschaft tot dierenpornografisch materiaal, door met zijn laptop tweemaal een website te bezoeken, waarbij de URL expliciet verwijst naar dierenporno, met een film met dierenpornografisch materiaal.
Ook het hof komt tot zover tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit. Maar hieruit volgt niet dat de verdachte een gegevensdrager met dat dierenpornografisch materiaal in zijn bezit heeft gehad, nu hiervoor een element van vastlegging op een gegevensdrager van de verdachte vereist is.
Ook het hof zal de verdachte van dit onderdeel (bezit) dus vrijspreken.
Bewijsmiddelen [1]
Ten aanzien van parketnummer 16-301968-19
1. Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben in een proces-verbaal van verhoor verdachte het volgende gerelateerd:
V: U werkt nu op de basisschool de [school] in [plaats] , hoeveel dagen per week werkt u daar?
A: 3 dagen
V: Sinds wanneer werkt u daar?
A: 1 september 2018
V: Hoe noemen de kinderen u in [plaats] ?
A: Meester [verdachte] [2]
2. Verbalisant [verbalisant 3] heeft in een proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden met mevrouw [benadeelde 3] , zakelijk weergegeven, het volgende gerelateerd:
Ik ben de moeder van [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 2011. [slachtoffer 1] zit sinds dit jaar in groep 5B mij meester [verdachte] . [slachtoffer 1] zei mij begin van het jaar dat ze het lievelingetje van meester [verdachte] was. Ze zei dat hij altijd wilde knuffelen. Ze vertelde later dat [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] ook lievelingetjes van meester [verdachte] waren. Op donderdag 7 november vertelde ze toen dat meester [verdachte] haar aanraakt en aan haar zit. Toen zei ze dat hij aan haar vagina zit. Ze vertelde dat hij het ook bij [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] deed. Ik vroeg hoe vaak hij het dan deed. Ze zei toen: "Heel vaak." Ze zei als ik som heb en naar hem toe ga aan zijn bureau of aan de instructietafel, dan doet hij dat. Zij vertelde dat ze naar hem toe gaat en dan legt hij zijn hand op haar kruis. Hij doet dat op haar broek, panty of maillot maar ook een keer op haar blote huid. Ze vertelde dat ze er met [slachtoffer 2] over praat en [slachtoffer 3] vertelde dat meester [verdachte] ook aan haar zit. [slachtoffer 1] vertelde dat ze ook kan zien dat [verdachte] aan [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] zit als zij bij hem staan. Dat hij dat onder de tafel doet en zij dat kan zien. Ik weet dat de meester [verdachte] heet. [3]
3. Verbalisanten [verbalisant 4] heeft in proces-verbaal van bevindingen, zakelijk weergegeven, het volgende gerelateerd:
Ik, verbalisant, heb het verhoor van [slachtoffer 1] , letterlijk uitgewerkt.
V=verhoorder
A= [slachtoffer 1]
V: En wat heeft ie gedaan wat niet goed is?
A: Ja. Eigenlijk heeft ie aan [slachtoffer 2] , mij en [slachtoffer 3] mijn vriendinnen aan een privé ding gezeten wat dus niet mag.
V: En welk privé ding heeft meester [verdachte] dan aangezeten?
A: Aan.. aan het kruis
A: Eigenlijk dus de vagina
A: Soms doet ie het gewoon op mijn broek, maar soms dus ook gewoon bloot en soms ook gewoon op mijn onderbroek.
A: hij gaat dan met zijn hand in mijn broek en dan ook in mijn onderbroek dus.
A: Eigenlijk gaat ie gewoon een beetje eraan voelen en eigenlijk een beetje heen en weer
A: Eigenlijk gaat ie meestal wrijven of meestal zo (heeft hand op bureau en beweegt duim heen en weer) Maar soms ook gewoon erop leggen en verder niets dan.
V: Want hoe lang heb je al les van meester [verdachte] ?
A: Toen ik net naar groep 5 ging.
V: En je zit nu in groep 5?
A: Ja
V: Dus in deze groep voor het eerst.
A: Ja
V: Oke. Oh je bedoelt alleen meester [verdachte] heeft zoiets gedaan bij jou.
A: Ja en bij [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3]
V: Ja, nou zeg je al een paar keer ook bij [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] . Hoe weet je dat hij dat ook bij [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] dan heeft gedaan?
A: Nou meestal staan we dan allemaal bij hem en mogen dus ook naast hem zitten met z'n drietjes
A: En dan eigenlijk soms zie ik ook dat hij het doet, en ze vertellen het aan mij dat ze dat doen.
V: En van wie heb je het gezien dat ie het ook deed?
A: Uhm..Bij [slachtoffer 2] vooral, maar bij [slachtoffer 3] niet echt. [slachtoffer 3] zei het alleen
V: Oke. En wat heeft [slachtoffer 2] daar zelf over verteld?
A: uhm, eigenlijk alleen dat ie het heeft gedaan
A: [slachtoffer 3] die zei eigenlijk een beetje hetzelfde wat we allemaal zeiden. [4]
4. Verbalisant [verbalisant 4] heeft in een proces-verbaal van bevindingen, zakelijk weergegeven, het volgende gerelateerd:
Ik, verbalisant, heb het verhoor van [slachtoffer 2] , letterlijk uitgewerkt.
V=verhoorder
A=slachtoffer [slachtoffer 2]
A: Ik moest naast zitten en dan ging hij altijd een hand op mijn been doen en dan ging ie stap voor stap ging ie in mijn onderbroek hieraan zitten. Zo onder mijn onderbroek en dat was best vaak
A: Dat ik heel misselijk werd en ik vond het echt niet leuk, dat hij dat bij ons deed.
A: Hij vroeg of het lekker was en dat was echt heel raar en dan ging hij hieraan zitten (wijst naar kruis)
V: En je zegt dat [slachtoffer 1] (het hof begrijpt: [slachtoffer 1] ) toch
A: [slachtoffer 1]
A: En [slachtoffer 3]
A: Ik moest mijn eigen hand bij hem maar dan buiten de broek dan moest ik een boks maken (maakt vuist) en moest ik best hard dmv en (Doet voor op kruis)
V: Nou heb je het steeds over een hij en wie is die hij dan?
A: Meester [verdachte]
V: Maar is dat in school gebeurd?
A: In de school
V: En in welke klas?
A: 5B
V: En dan zit ie daar, dat noem jij dan zit ie hier. Hoe noem jij dat waar hij dan zit?
A: Vagina
V: En wat deed die hand dan daar bij het midden?
A: Zo (doet 2 vingers, wijs en middelvinger, bij elkaar en gaat op en neer)
V: Is dat aaien, knijpen, is dat kietelen of anders
A: Een soort van (doet de beweging op de tafel voor). Leg hier zo je hand neer.
Verhoorder legt hand op tafel. [slachtoffer 2] doet het voor
V: Oke, ik voel dat je best wat druk zet en ik zie dat je heen en weer gaat en dat merk ik ook. En is dat dan op jou blote huid of is dat dan nog tussen je onderbroek en je broek of je
A: Het is echt op mijn blote huid.
A: Hij deed gewoon erop en dan bewegen
V: Ja oke, En je zegt dat was de eerste keer, weet je nog hoe oudje toen was?
A: Het was de eerste dag dat ik in groep (5) was.
V: Je zegt het is vaker dan 1 keer gebeurd he.
A: Ja
A: Ik zeg niet altijd met zn drieën, maar hij doet het op zich. Hij doet het niet als we alle drie tegelijk zitten, het is een (1) voor een (1)
V: Je zegt verder heeft hij niet aan jou gezeten
A: Maar ik heb het bij hun allebei ook gemerkt
V: Wat gemerkt?
A: Nou, Ik zit echt heel dicht bij het bureau, tegenover [slachtoffer 1] .
V: Heb je het gemerkt of heb je het gezien?
A: Gezien
V: En wat voelde jij toen jij jou hand in een boks had en op zijn broek legde bij zijn piemel?
A: Nou uhh een hard soort van langwerpig ding [5]
5. Verbalisant [verbalisant 5] heeft in een proces-verbaal samenvatting studioverhoor, zakelijk weergegeven, het volgende gerelateerd:
[slachtoffer 2]
Geboren op [geboortedatum] 2011 [6]
6. Verbalisant [verbalisant 6] heeft in een proces-verbaal uitwerking studioverhoor, zakelijk weergegeven, het volgende gerelateerd:
Ik, verbalisant, heb het verhoor van [slachtoffer 3] (geboortedatum [geboortedatum] 2010) letterlijk uitgewerkt.
H: [verbalisant 7]
A: [slachtoffer 3]
A: Over meester in de klas, die bij heel veel meisjes wel eens de vagina's aanraakte. En daar ben ik dus ook één (1) van.
A: Toen ging ie bij mijn billen pakken.
A: Daar ging ie in knijpen en dat deed ie ook op een gegeven moment ging ie in mijn vagina aanraken. En ik zag ook bij heel veel andere meisjes gebeuren. Dat zijn [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .
A: Ik zag bij [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] dat 'ie dat hij hun bij hun vagina ging aanraken.
A: Toen stond er een heel moeilijk woord, dat kon ik niet lezen. Toen zei die dat ik naast hem moest zitten. En toen ging 'ie me aanraken en hij helpte me en ook wou die aan mijn buik zitten. zo..
O: [slachtoffer 3] wrijft met een draaiende beweging haar hand over haar borst.
A: Maar hij bleef bij mij buik wrijven en hij vroeg wel of dat lekker voelde.
H: En dat 'ie begonnen was toen je acht (8) jaar was.
A: Ja.
A: Bij [slachtoffer 8] was het niet
A: Dat was toen allen bij haar billen.
H: Oké en dat is meester [verdachte] van de [school] ?
O: [slachtoffer 3] knikt.
A: En toen ging ik naar de meester die pakte me toen bij mijn billen. Die kneep er toen in
H: Was dat één (1) hand of was dat twee (2) handen?
A : Ééntje (1).
H: Eén hand. Oké en zat 'ie aan één (1) bil of alle twee (2) de billen?
A: Aan ééntje.
H: En toen jij terugging naar je plek, toen bleef jij kijken en toen zag je dat meester [verdachte] het ook bij [slachtoffer 8] deed.
A: Ja.
H: en wat deed 'ie precies bij haar?
A: Ook in haar billen te knijpen.
H: (…) Want je vertelde ook daarstraks dat ie in je kleren op je vagina aanraakte.
O: [slachtoffer 3] knikt.
H: Vertel me daar eens alles over, hoe dat ging.
(…)
A: Ja toen ging die gewoon in mijn kleren terwijl ik zat gewoon heel rustig naar mijn vagina toe. En toen bleef die daar aan aaien.
A: Boven de kleren. Deed 'ie het eerst ook zoals bij mij.
A: En daarna toen begon die in de kleren aan te raken.
H: En heb je het nu over [slachtoffer 2] of heb je het nu over jezelf?
A: Over ons allebei.
A: En toon ging die in mijn kleren te zakken en toen zat 'ie, toen deed ie daarin aaien.
A: En toen ging die gewoon verder.
H: Begrijp ik dan goed, dat 'ie ook met zijn hand in je onderbroek ging?
A: Ja.
H: He en wat jij mij nu vertelde van wat 'ie, dat hij je bij de billen pakte en uh.. in je
kleren bij je vagina aanraakte. Hoe vaak is dat allemaal gebeurd?
A: Ik denk ongeveer vier (4) keer.
H: Vertel me daar eens alles over, van [slachtoffer 2] , wat heb jij daar van gezien?
A: Dat 'ie haar erin raakte en er op.
H: En waar d'r in raakte en waar d'r op?
A: Op haar, op haar vagina.
H: En was dat toen op de kleren, of in de kleren van [slachtoffer 2] ?
A: Op en in. [7]
7. Verbalisant [verbalisant 4] heeft in een proces-verbaal van bevindingen, zakelijk weergegeven, het volgende gerelateerd:
Ik, verbalisant, heb het verhoor van [slachtoffer 6] uitgewerkt.
V=verhoorder
A=slachtoffer
A: En toen ik mediator was, uhh dat is dan ga je naar buiten en dan ga je kinderen helpen die ruzies hebben ofzo. Dus ik was die dag was ik ook mediator. En uuh toen zag ik een meisje huilen en dat was uhh precies die meisje waar hij ook aan had gezeten. Dus ze ging huilen en toen zei ik gaat het, wat is er? En toen zei ze dat tegen mij en toen zei ik tegen haar je moet er niet aan denken ga maar gewoon lekker spelen zei ik.
A: Maar ze had, meester [verdachte] had ook aan haar billen gezeten en daarom moest ze ook huilen.
V: ja, want hoe heet zij?
A: [slachtoffer 1] (het hof begrijpt: [slachtoffer 1] ).
V: En toen [slachtoffer 1] daarover vertelde he, wat hoorde je dan van haar daarover?
A: Uhh... dat meester [verdachte] ook aan haar zat, maar dan veel erger. Want meester [verdachte] ging echt in haar broek. Toen ik dat hoorde vond ik dat echt zielig, want een klein meisje die nog in groep 5 zit en dat gebeurd al met haar. [8]
8. Verbalisant [verbalisant 6] heeft in een proces-verbaal uitwerking studioverhoor, zakelijk weergegeven, het volgende gerelateerd:
[slachtoffer 8] , geboortedatum [geboortedatum] 2010
W: [verbalisant 8]
J: [slachtoffer 8]
O: Opmerking verbalisant
W: Meester [verdachte] . En wat kom je vertellen over meester [verdachte] ?
J: En als we dan weer teruggingen dan uh.. dan gaf hij ons steeds een billenkoek.
J: En het kwam ook van dat ‘ie eerst hier zo zeg maar begon en dat ‘ie uiteindelijk helemaal hier zat.
O: [slachtoffer 8] wijst eerst haar bovenbeen ter hoogte van haar knieholte aan en vervolgens hoger op de achterkant van haar been.
W: Wanneer had jij les van meester [verdachte] ?
A: Maandag.
W: En was dat in de groep waarin je nu zit?
A: De groep waarin ik nu gewoon nog in zit
W: Waar gebeurde dat meester [verdachte] jou daar zo aanraakte?
J: Nou zeg maar bij zijn bureau als ik naast hem uh stond.
J: Nou dat ik naast hem stond en dat ‘ie dan een beetje over m ’n been ging wrijven
J: Ja dan geeft 'ie een tikje op mijn billen. [9]
Ten aanzien van parketnummer 16-097617-20
1. Verbalisant [verbalisant 9] heeft in een proces-verbaal van bevindingen, zakelijk weergegeven, het volgende gerelateerd:
Op vrijdag 20 december 2019 was ik in de woning gelegen aan [adres] . In de woning werd verdachte [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte] ) aangehouden. In de woonkamer zag ik op de keukentafel een laptop liggen. [verdachte] gaf desgevraagd aan dat deze laptop van hem was. De laptop is later inbeslaggenomen ten behoeve van de waarheidsvinding. [10]
2. Een kennisgeving van inbeslagneming, zakelijk weergegeven:
Inbeslagname
Adres: [adres]
Beslagene: [verdachte]
Bijzonderheden: Acer laptop met HDD van 500 GB
SIN: AAJL1881NL [11]
3. Verbalisant [verbalisant 10] heeft in een proces-verbaal van bevindingen, zakelijk weergegeven, het volgende gerelateerd:
Documentcode 20191230.0920.3727.BEV
Computer-laptop ACER
SIN AAJL1881NL
Ik heb deze laptop veiliggesteld en in de veiliggestelde data heb ik nader onderzoek verricht. [12]
4. Verbalisant [verbalisant 10] heeft in een proces-verbaal van bevindingen, zakelijk weergegeven, het volgende gerelateerd:
Onder documentcode: 20191230.0840.3727 werd door mij een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt over zoektermen en bezochte websites, aangetroffen op de in beslag genomen laptop. Naar aanleiding van de door mij aangetroffen zaken heb ik nogmaals in de data van de laptop 1 zoekterm ingevoerd, namelijk "sex". Ik vond de volgende websites, bezocht met de browser Chrome:
[URL 1]
datum bezocht: 12 oktober 2019
[URL 2]
datum bezocht: 22 oktober 2019 [13]
5. Verbalisant [verbalisant 11] heeft in een proces-verbaal van bevindingen, zakelijk weergegeven, het volgende gerelateerd:
Ik ontving de volgende link:
[URL 2]
Ik heb deze link geopend en zag dat dit een filmpje betrof. Ik zag dat een man met zijn hand het geslachtsdeel van een hond aanraakte. Ik zie dat de man met zijn hand heen en weer gaat. Na enige tijd is te zien dat de hond een erectie heeft. De vrouw begint dan aan het geslachtsdeel van de hond te likken. Vervolgens wordt zij door de hond vaginaal gepenterd (het hof begrijpt: gepenetreerd). [14]

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 16-301968-19 onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde en het in de zaak met parketnummer 16-301968-19 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
Zaak met parketnummer 16-301968-19:
1. primair
hij op tijdstippen in de periode van 26 augustus 2019 tot en met 8 november 2019 te [plaats] met meerdere aan zijn zorg, opleiding en waakzaamheid toevertrouwde minderjarigen, te weten [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum] 2011) en [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum] 2011) en [slachtoffer 3] (geboren op [geboortedatum] 2010), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet hadden bereikt, buiten echt, meermalen ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande die handelingen uit:
- het betasten/aanraken van en het brengen van zijn, verdachtes, vingers, althans hand, op de met kleding bedekte vagina, althans schaamstreek, van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] en
- het betasten/aanraken van en het brengen van zijn, verdachtes, vingers op de ontblote vagina van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en
- het maken van heen en weer gaande bewegingen over en het wrijven over en het aaien van de met kleding bedekte en/of ontblote vagina van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en - het vastpakken van de hand en vuist van die [slachtoffer 2] en het leggen/drukken van die hand op zijn, verdachtes, been en stijve geslachtsdeel en
- het knijpen in/vastpakken van de met kleding bedekte billen van die [slachtoffer 3] ;
2. primair
hij op tijdstippen in de periode van 26 augustus 2019 tot en met 8 november 2019 te [plaats] met een aan zijn zorg, opleiding en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, te weten [slachtoffer 8] (geboren op [geboortedatum] 2010), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, meermalen ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande die ontuchtige handelingen uit:
- het aanraken van en/of het geven van een tik en/of het leggen van zijn, verdachtes, hand op de met kleding bedekte billen van die [slachtoffer 8] en
- het aanraken van en/of wrijven over benen van die [slachtoffer 8] .
Zaak met parketnummer 16-301968-19:
hij in de periode van 12 oktober 2019 tot en met 22 oktober 2019 te [plaats] zich door middel van een geautomatiseerd werk en met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang heeft verschaft tot afbeeldingen, terwijl op die afbeeldingen ontuchtige handelingen zichtbaar zijn waarbij een mens en een dier zijn betrokken of schijnbaar zijn betrokken, welke ontuchtige handelingen bestonden uit:
- het door een dier vaginaal penetreren van het lichaam van een persoon en
- het door een persoon betasten en/of aanraken van het geslachtsdeel van een dier.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er is met betrekking tot de bewezenverklaarde feiten onder parketnummer 16-301968-19 geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Net als de rechtbank acht het hof het onder parketnummer 16-097617-20 bewezenverklaarde niet strafbaar nu dit niet valt onder de wettelijke delictsomschrijving van artikel 254a (oud) Sr. In die bepaling is het verspreiden, openlijk tentoonstellen, vervaardigen, invoeren, doorvoeren, uitvoeren of in bezit hebben van een afbeelding met dierenporno strafbaar gesteld. Het
toegang verschaffen tot(en op die manier bekijken) van een of meer van zulke afbeeldingen (van een film in een browser) is immers niet gelijk te stellen aan het
bezitvan die afbeeldingen en is niet strafbaar gesteld. Ook het hof zal de verdachte daarom ten aanzien van dit feit ontslaan van alle rechtsvervolging.
Het in de zaak met parketnummer 16-301968-19 onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde levert op:
telkens: met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn zorg, opleiding en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

Het standpunt van de verdediging
De raadsman verzoekt, indien en voor zover het hof tot een bewezenverklaring komt, om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, het tijdsverloop, de overschrijding van de redelijke termijn in de fase van hoger beroep en met de reeds door de verdachte ondervonden gevolgen van dit strafproces, waaronder de tijd dat de verdachte in voorarrest heeft gezeten. Het is in het belang van de verdachte, maar vooral ook in dat van de samenleving dat de positieve ontwikkelingen van de afgelopen jaren niet worden doorkruist door een straf die zou meebrengen dat de verdachte opnieuw gedetineerd raakt, met alle gevolgen die dat voor hem en ook voor zijn gezin zou hebben.
De raadsman verzoekt het hof daarom om geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan de verdachte op te leggen dan de duur van het voorarrest, te begeleiden door een forse voorwaardelijke gevangenisstraf en een werkstraf van eventueel de maximale duur.
Het oordeel van het hof
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Het hof verenigt zich met de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de straftoemeting die hieronder cursief zijn weergegeven en maakt deze tot de zijne. Waar de rechtbank staat moet dus worden gelezen: het hof. Verbeteringen en aanvulling door het hof in deze overwegingen zijn niet in cursief weergegeven.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich in zijn functie als leerkracht van een basisschool in het begin van het schooljaar 2019/2020 schuldig gemaakt aan het plegen van ontucht metvier
van zijn leerlingen uit de groepen 5 en 6/7 te weten: [slachtoffer 1] (destijds 8 jaar oud), [slachtoffer 2] (destijds 7/8 jaar oud), [slachtoffer 3] (destijds 8 jaar oud),(...)
en [slachtoffer 8] (destijds 9 jaar oud). De ontuchtige handelingen van verdachte bestonden onder meer uit het betasten van de blote vagina, het leggen van de hand van een slachtoffer op zijn stijve met kleding bedekte geslachtsdeel en het betasten van de billen van slachtoffers. De ontucht vond plaats in het klaslokaal in de aanwezigheid van andere basisschoolleerlingen. Verdachte pleegde deze ontuchtige handelingen als de slachtoffers naar zijn bureau toe kwamen voor uitleg over een som of een opdracht. Door hun jonge leeftijd en ontzag voor verdachte als hun leerkracht waren zij niet bij machte meteen te zeggen dat zij dit niet wilden. Bij de onder feit 1 ten laste gelegde feiten waren de betrokken meisjes ook zodanig gepositioneerd dat ze niet makkelijk konden weglopen. Zij stonden namelijk tussen verdachte en zijn bureau in, terwijl hij zijn hand soms op en soms in hun broek of maillot deed. De meisjes hebben er lang niets over durven zeggen, kennelijk uit angst en schaamte.
Verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan zeer ernstige strafbare feiten. Hij had een vertrouwenspositie als leerkracht van deze jonge meisjes en het klaslokaal moet bij uitstek een plek zijn waar kinderen veilig kunnen zijn. Verdachte heeft ernstig misbruik gemaakt van de afhankelijkheidsrelatie die bestond tussen hem en deze kinderen en hij heeft zijn taak en verantwoordelijkheid als leraar volledig miskend. Hij heeft het in hem gestelde vertrouwen op grove wijze beschaamd.
Verdachte heeft door zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van de slachtoffers. Het is een feit van algemene bekendheid dat door seksueel misbruik de psychische gezondheid van het slachtoffer ernstig kan worden geschaad. Seksueel misbruik van jonge kinderen kan een normale en gezonde seksuele ontwikkeling doorkruisen. Het is nog afwachten wat de gevolgen op lange termijn zijn voor de slachtoffers. Maar uit de afgelegde slachtofferverklaringen door ouders van de slachtoffers en de onderbouwing van ingediende vorderingen tot schadevergoeding blijkt dat het handelen van verdachte nu al grote psychische en lichamelijke gevolgen heeft (gehad) voor een aantal slachtoffers. Ouders van de meisjes hebben een heel zwaar jaar gehad, waarin zij grote zorgen over het welzijn van hun kinderen hebben gehad en nog steeds hebben en waarbij zij in grote onzekerheid over het proces en de gevolgen hebben verkeerd.
De ervaring leert dat slachtoffers van zedendelicten daarvan langdurig geestelijke schade plegen te ondervinden. Dat dit in de onderhavige zaak ook het geval is, blijkt uit de slachtofferverklaringen die op de terechtzitting van het hof zijn voorgedragen en uit de op de terechtzitting van het hof afgespeelde geluidsopname van [slachtoffer 1] waarin zij op indringende wijze heeft verwoord hoe het handelen van de verdachte voor haar is geweest. Het hof heeft hieruit begrepen dat de feiten een grote impact op de slachtoffers en hun ouders hebben gehad en nog altijd hebben.
Dit soort feiten veroorzaken daarnaast ook gevoelens van angst, onveiligheid en boosheid in de samenleving als geheel en in het bijzonder bij de gemeenschap die bij de school betrokken is. Op de school waar verdachte werkzaam was heeft het handelen van verdachte veel impact gehad, ook op andere kinderen en hun ouders die les kregen op deze school. Veel ouders hebben zich met angst afgevraagd of er ook iets met hun kind is gebeurd.
De rechtbank rekent verdachte dit alles zwaar aan. Zij rekent het verdachte tevens aan dat hij geen verantwoordelijkheid heeft willen nemen voor zijn handelen. Verdachte heeft zich ter terechtzitting gepresenteerd als het enige slachtoffer in deze zaak, wat niet alleen een grove miskenning van de werkelijkheid is maar ook voor de slachtoffers en hun ouders zeer pijnlijk moet zijn geweest.
Hij erkent daarmee het leed van de slachtoffers niet.
De persoon van de verdachte en zijn omstandigheden
Het hof heeft acht geslagen op het verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 30 september 2025. Daaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van strafbare feiten.
Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van de reclasseringsrapportages van 27 februari 2020 en 12 november 2020 en van het forensisch psychologisch onderzoek van 5 november 2020.De reclassering schat het recidiverisico in als laag op basis van diverse risico-instrumenten, maar kan gezien de ontkennende houding van verdachte geen delictgerelateerde risicofactoren vaststellen. De reclassering adviseert geen interventies of behandeling in een strafrechtelijk kader, mede nu verdachte ontkent en niet bereid is tot het volgen van interventies/behandeling. De reclassering adviseert wel een aantal bijzondere voorwaarden in het kader van slachtofferbescherming.De psycholoog is van oordeel dat verdachte niet lijdend is aan een psychische stoornis en schat het risico op recidive in als laag. Gelet hierop wordt geen behandeling in een strafrechtelijk kader geadviseerd.
De op te leggen straf
Naar het oordeel van het hof rechtvaardigt de hierboven weergegeven aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten enkel de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Ondanks dat het hof tot een bewezenverklaring komt van minder feiten dan waartoe de advocaat-generaal heeft gerekwireerd, acht het hof de door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf van dertig maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden. Een straf gelijk aan het voorarrest, zoals bepleit door de raadsman, doet geen recht aan de ernst van de feiten.
In het feit dat het hof de verdachte anders dan de advocaat-generaal vrijspreekt van een aantal feiten ziet het hof – gezien het feit dat het onder 1 primair bewezenverklaarde in verhouding tot wat onder 2 primair is tenlastegelegd nóg ernstiger feiten betreft – geen reden om de straf te matigen.
Het hof overweegt over het procesverloop in hoger beroep in deze zaak dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden. De verdachte heeft op 22 december 2020 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 11 december 2020. De rechtbank heeft toen de voorlopige hechtenis doen herleven door de schorsing daarvan op te heffen. Het hof heeft op 27 januari 2021 de voorlopige hechtenis opnieuw geschorst. De verdachte heeft dus in de fase van het hoger beroep beduidend minder dan zestien maanden in voorlopige hechtenis doorgebracht. In dat geval geldt dat de fase van het hoger beroep in beginsel binnen twee jaren moet zijn geëindigd in een einduitspraak van het hof. [15] Dat kan anders zijn als sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.
De verdachte heeft dus op 22 december 2020 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. Het hof wijst op 3 december 2025, ruim vier jaar en elf maanden later, arrest.
In hoger beroep heeft op verzoek van de verdediging nader onderzoek plaatsgevonden. Dat bestond onder meer uit het doen horen van de slachtoffertjes en het doen verrichten van deskundigenonderzoek naar de betrouwbaarheid van de verklaringen van die slachtoffertjes. Die onderzoeken hebben geruime tijd in beslag genomen. Niettemin is onredelijk veel tijd verlopen tussen de beslissingen van het hof en het moment dat de onderzoeken zijn verricht en daarover verslag is gedaan.
Het hof is van oordeel dat deze overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep matiging van de op te leggen straf tot gevolg moet hebben. Gelet op de relevante jurisprudentie van de Hoge Raad zal het hof de op te leggen gevangenisstraf matigen tot een gevangenisstraf van 25 maanden. [16]
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv, aan de orde is.
Beroepsverbod
Met de rechtbank acht het hof naast de gevangenisstraf ook een beroepsverbod passend. De bewezenverklaarde feiten zijn immers door verdachte begaan in de uitoefening van zijn beroep als leerkracht van kinderen. Hoewel de verdachte inmiddels met pensioen is, is het opleggen van een beroepsverbod als zelfstandig signaal naar de samenleving onmisbaar. Het is van groot maatschappelijk belang dat wordt uitgedragen dat een leerkracht die zich schuldig maakt aan dergelijk ernstig gedrag zijn beroep of een soortgelijke functie waarin met kinderen wordt gewerkt, niet langer mag uitoefenen.
Gelet op het voorgaande zal het hof de verdachte ontzetten uit zijn recht tot het uitoefenen van een beroep als leerkracht, begeleider of instructeur waarbij hij in contact komt met minderjarigen voor de duur van zes jaren.
Vrijheidsbeperkende maatregel
De advocaat-generaal heeft gevorderd de verdachte de vrijheidsbeperkende maatregel van artikel 38v Sr op te leggen. Die maatregel houdt in dat verdachte gedurende een periode geen contact mag hebben met de slachtoffers en hun ouders en dat verdachte zich niet mag ophouden in [plaats] . De vrijheidsbeperkende maatregel van artikel 38v Sr kan worden opgelegd ter beveiliging van de maatschappij of ter voorkoming van strafbare feiten.
Bij het hof zijn – ondanks het geruime tijdsverloop sinds het plegen van de bewezenverklaarde feiten – geen omstandigheden bekend geworden die er op duiden dat de verdachte gedurende dit tijdsverloop contact heeft opgenomen met de slachtoffers en hun ouders en/of die maken dat er rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte zal proberen contact op te nemen met hen.
Daarnaast betrekt het hof bij zijn oordeel dat de rechtbank de dadelijke uitvoerbaarheid van de vrijheidsbeperkende maatregel heeft bevolen en dat de verdachte zich hierdoor reeds een geruime tijd, die de wettelijke maximale termijn vrijwel volledig benadert, moest houden aan het contact- en locatieverbod.
Gelet op het voorgaande ziet het hof geen reden meer om de vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen.
Het hof zal daarom de door de rechtbank gelaste dadelijke uitvoerbaarheid van de vrijheidsbeperkende maatregel opheffen.

Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partijen

De volgende personen hebben zich in eerste aanleg als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
1. [slachtoffer 1]
[benadeelde 4] en [benadeelde 3] hebben, als wettelijk vertegenwoordigers van [slachtoffer 1] , een vordering tot schadevergoeding van € 2.500,00 aan immateriële schade ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag toegewezen.
2. [benadeelde 4] en [benadeelde 3]
heeft een vordering tot schadevergoeding van € 5.777,40 aan verplaatste materiële schade ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag toegewezen.
[benadeelde 4] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.843,38 aan verplaatste materiële schade ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag toegewezen.
Benadeelde partijen [benadeelde 4] en [benadeelde 3] hebben tevens gezamenlijk verzocht verdachte te veroordelen in de proceskosten, te begroten op € 3.226,60. De rechtbank heeft dit bedrag aan proceskosten toegewezen.
3. [slachtoffer 2]
[benadeelde 1] heeft, als wettelijk vertegenwoordiger van [slachtoffer 2] , een vordering tot schadevergoeding van € 2.500,00 aan immateriële schade ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag toegewezen.
4. [benadeelde 1]
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 4.428,91 aan verplaatste materiële schade ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 956,97 aan verplaatste materiële schade. Voor het overige heeft de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.
5. [slachtoffer 3]
[benadeelde 5] heeft, mede als wettelijk vertegenwoordiger van [slachtoffer 3] , een vordering tot schadevergoeding van € 2.590,61, bestaande uit € 90,61 aan materiële schade en € 2.500,00 aan immateriële schade, ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 2.540,61. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd, met uitzondering van de gevorderde reiskosten in hoger beroep ad € 50,00. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding, met uitzondering van de gevorderde reiskosten in hoger beroep.
6. [slachtoffer 8]
[benadeelde 2] heeft, als wettelijk vertegenwoordiger van [slachtoffer 8] , een vordering tot schadevergoeding van € 750,00 aan immateriële schade ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag toegewezen.
7. [benadeelde 2]
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 462,17 aan verplaatste materiële schade ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 412,17. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd, met uitzondering van de gevorderde reiskosten in hoger beroep ad € 50,00. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding, met uitzondering van de gevorderde reiskosten in hoger beroep.
8. [slachtoffer 5]
[benadeelde 6] , mede als wettelijk vertegenwoordiger van [slachtoffer 5] , heeft een vordering tot schadevergoeding van € 826,21, bestaande uit € 76,21 aan materiële schade en € 750,00 aan immateriële schade, ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 776,21. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd, met uitzondering van de gevorderde reiskosten in hoger beroep ad € 50,00. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding, met uitzondering van de gevorderde reiskosten in hoger beroep.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vorderingen van de benadeelde partijen, voor zover verzocht, volledig worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaategel.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair bepleit alle benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in hun vordering tot schadevergoeding vanwege de bepleite vrijspraken.
Subsidiair heeft de raadsman ten aanzien van de materiële schade het volgende bepleit.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de volgende posten niet aan te merken zijn als verplaatste schade als bedoeld in artikel 6:107 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
De gevorderde gederfde inkomsten die zien op de vergoeding voor de door de vader en moeder van [slachtoffer 1] opgenomen vrije arbeidsuren ten behoeve van haar begeleiding en ondersteuning, en de gevorderde reiskosten eerste aanleg en hoger beroep, behandeling acupuncturist en gederfde inkomsten wegens ouderschapsverlof van de moeder van [slachtoffer 2] .
Deze kosten hadden niet door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zelf kunnen worden gevorderd indien zij de betreffende kosten hadden gemaakt.
De raadsman verzoekt dan ook om [benadeelde 4] , [benadeelde 3] en [benadeelde 1] in deze posten niet te ontvangen.
De raadsman verzoekt subsidiair om de vorderingen van [benadeelde 4] , [benadeelde 3] en [benadeelde 1] als het gaat om de posten die zien op de inkomstenderving en reiskosten van de moeder en de vader van [slachtoffer 1] en de moeder van [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk te verklaren, omdat die vorderingen te veel vragen oproepen en onvoldoende zijn onderbouwd en nader onderzoek daarnaar een onevenredig belasting van het geding zou opleveren, althans de gevorderde bedragen fors te matigen en te schatten naar billijkheid. Er kunnen geen vaststellingen gedaan worden over de verdeling van de kosten over de ouders en hun dochters. De tijd die is besteed aan het zoeken naar en de gesprekken met de advocaat, en de reiskosten naar het getuigenverhoor, de zittingen en de slachtoffergesprekken zijn niet alleen gemaakt ten behoeve van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .
Ten aanzien van de gevorderde kosten voor incontinentiematerialen heeft de raadsman geen opmerkingen.
Subsidiair heeft de raadsman ten aanzien van de immateriële schade het volgende bepleit.
De raadsman stelt zich ten aanzien van de vorderingen van [slachtoffer 5] en [slachtoffer 8] en hun ouders op het standpunt dat de nadelige gevolgen niet zodanig voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ kan worden aangenomen, zodat die benadeelde partijen voor wat betreft hun gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vorderingen.
Verder verzoekt de raadsman om de namens [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] gevorderde immateriële schade te matigen.
Het oordeel van het hof
Het hof stelt bij de beoordeling van de vorderingen tot schadevergoeding ter zake van de immateriële schade van de benadeelde partijen het volgende voorop.
Artikel 6:106 BW geeft een limitatieve opsomming van de gevallen waarin een persoon recht heeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, onder meer als sprake is van aantasting in de persoon op andere wijze. Van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in de persoon op andere wijze is in ieder geval sprake indien de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Daarnaast kunnen de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in de persoon op andere wijze sprake is.
Uit het onderzoek ter terechtzitting, waaronder de namens de benadeelde partijen gegeven toelichting op hun vorderingen, kan het bestaan van geestelijk letsel bij de benadeelde partijen naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Het is een feit van algemene bekendheid dat zedendelicten als de onderhavige een ernstige inbreuk maken op de integriteit en persoonlijke levenssfeer van slachtoffers en dat slachtoffers nog geruime tijd met de psychische gevolgen daarvan te kampen kunnen hebben.
Naar het oordeel van het hof brengen de aard en de ernst van de normschending dan ook mee dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de betreffende benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat reeds daarom een aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW kan worden aangenomen. Dat hier sprake van is blijkt ook uit het hiervoor vermelde, uit de bij het schadeformulier gevoegde stukken ter onderbouwing en uit de afgelegde slachtofferverklaringen op de terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep.
Het hof acht, rekening houdend met alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard en ernst van de schade, de gevolgen, de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen plegen toe te kennen en de bedragen zoals opgenomen in de ‘Rotterdamse Schaal’, toewijzing van na te melden bedragen aan immateriële schadevergoeding billijk.
Met betrekking tot de gevorderde vergoeding van de verplaatste materiële schade overweegt het hof als volgt.
In artikel 6:107, eerste lid, onder a, BW is bepaald dat, indien iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is, lichamelijk of geestelijk letsel oploopt, die ander behalve tot vergoeding van de schade van de gekwetste zelf, ook verplicht is tot vergoeding van de kosten die een derde anders dan krachtens een verzekering ten behoeve van de gekwetste heeft gemaakt en die deze laatste, zo hij ze zelf zou hebben gemaakt, van die ander had kunnen vorderen.
1. [slachtoffer 1]
Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het in de zaak met parketnummer 16-301968-19 onder 1 primair bewezenverklaarde strafbare handelen van de verdachte. De verdachte moet die schade vergoeden. De vordering wordt daarom toegewezen, te weten een bedrag van € 2.500,00 aan immateriële schade. De vordering zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 november 2019 tot aan de dag der voldoening.
Gelet op het vorenstaande dient de verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op € 3.226,60, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Het hof is van oordeel dat de gevorderde bedragen redelijk zijn, mede gelet op de vrijheid van advocaatkeuze, de onderbouwing van het aantal uren en het uurtarief van de advocaat in samenhang bezien met de ernst van het feit.
Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.
2. [benadeelde 4] en [benadeelde 3]
Gederfde inkomsten
Door de ouders van [slachtoffer 1] , te weten [benadeelde 4] en [benadeelde 3] , is verplaatste materiële schade gevorderd die bestaat uit onder meer gederfde inkomsten. Ter onderbouwing van deze schadepost hebben zij bij de toelichting van hun vordering een tweetal Excel-bestanden als bijlage gevoegd.
Het hof is van oordeel dat deze Excel-bestanden vragen oproepen en dat niet duidelijk is of de kosten ten behoeve van [slachtoffer 1] zijn gemaakt. Zo is bijvoorbeeld onduidelijk ten behoeve van wie de ouderbegeleiding heeft plaatsgevonden en wijken de uren in het Excel-bestand van moeder en vader op bepaalde onderdelen van elkaar af, bijvoorbeeld als het gaat om het bijwonen van de zittingen. Deze kosten zijn onvoldoende onderbouwd. Het hof kan hierdoor in deze procedure niet vaststellen dat deze schade veroorzaakt is door het handelen van de verdachte.
De behandeling van dat deel van de vordering levert een onevenredige belasting van deze strafprocedure op. Daarom kan de benadeelde partij in dat deel van de vordering nu niet worden ontvangen. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering indienen bij de burgerlijke rechter.
Reis- en parkeerkosten [benadeelde 3]
Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het in de zaak met parketnummer 16-301968-19 onder 1 primair bewezenverklaarde strafbare handelen van de verdachte. Ten aanzien van de gevorderde reis- en parkeerkosten is de vordering naar het oordeel van het hof voldoende onderbouwd. Het hof stelt vast dat [slachtoffer 1] was aangewezen op vervoer door haar ouders en dat daar reis- en parkeerkosten mee waren gemoeid. Deze gevorderde verplaatste materiële schade zal dan ook worden toegewezen tot een bedrag van € 316,84 aan verplaatste materiële schade. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 november 2019 tot aan de dag der voldoening.
Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.
3. [slachtoffer 2]
Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het in de zaak met parketnummer 16-301968-19 onder 1 primair bewezenverklaarde strafbare handelen van de verdachte. De verdachte moet die schade vergoeden. De vordering wordt daarom toegewezen, te weten een bedrag van € 2.500,00 aan immateriële schade. De vordering zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 november 2019 tot aan de dag der voldoening.
Gelet op het vorenstaande dient de verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.
4. [benadeelde 1]
Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het in de zaak met parketnummer 16-301968-19 onder 1 primair bewezenverklaarde strafbare handelen van de verdachte.
Het hof is van oordeel dat de gevorderde ‘reiskosten’ ad € 145,65, ‘reiskosten hoger beroep’ ad € 100,00, ‘kosten acupunctuur’ ad € 105,00, ‘gederfde inkomsten door ouderschapsverlof’ ad € 3.761,01 en ‘kosten incontinentiemateriaal’ ad € 317,25 kunnen worden toegewezen ten behoeve van [slachtoffer 2] , als verplaatste schade. Deze schade is voldoende onderbouwd. Dit zijn kosten die door haar moeder zijn gemaakt ten behoeve van [slachtoffer 2] en die zij, als zij deze kosten zelf zou hebben gemaakt, had kunnen vorderen. Deze gevorderde verplaatste materiële schade zal dan ook worden toegewezen tot een bedrag van € 4.428,91.
De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 november 2019 tot aan de dag der voldoening.
Gelet op het vorenstaande dient de verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.
5. [slachtoffer 3]
Op de zitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het in de zaak met parketnummer 16-301968-19 onder 1 primair bewezenverklaarde strafbare handelen van de verdachte. De vordering is voldoende onderbouwd en door de raadsman onvoldoende betwist. De verdachte moet die schade vergoeden. De vordering wordt daarom toegewezen, te weten een bedrag van € 2.540,61 (bestaande uit € 40,61 aan materiële schade en € 2.500,00 aan immateriële schade). De vordering zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 november 2019 tot aan de dag der voldoening.
Gelet op het vorenstaande dient de verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.
6. [slachtoffer 8]
Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het in de zaak met parketnummer 16-301968-19 onder 2 primair bewezenverklaarde strafbare handelen van de verdachte. De vordering is voldoende onderbouwd. De verdachte moet die schade vergoeden. De vordering wordt daarom toegewezen, te weten een bedrag van
€ 750,00 aan immateriële schade. De vordering zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 november 2019 tot aan de dag der voldoening.
Gelet op het vorenstaande dient de verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.
7. [benadeelde 2]
Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het in de zaak met parketnummer 16-301968-19 onder 2 primair bewezenverklaarde strafbare handelen van de verdachte.
Het hof is van oordeel dat de gevorderde ‘reiskosten’ ad € 94,17 en ‘gederfde inkomsten’ ad € 318,00 kunnen worden toegewezen ten behoeve van [slachtoffer 8] , als verplaatste schade. Deze schade is voldoende onderbouwd en door de raadsman onvoldoende betwist. Dit zijn kosten die door haar vader zijn gemaakt ten behoeve van [slachtoffer 8] en die zij, als zij deze kosten zelf zou hebben gemaakt, had kunnen vorderen. Deze gevorderde verplaatste materiële schade zal dan ook worden toegewezen tot een bedrag van € 412,17. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 november 2019 tot aan de dag der voldoening.
Gelet op het vorenstaande dient de verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.
8. [slachtoffer 5]
De verdachte wordt niet schuldig verklaard aan het in de zaak met parketnummer 16-301968-19 onder 2 primair tenlastegelegde handelen dat betrekking heeft op [slachtoffer 5] waardoor de schade zou zijn ontstaan. Daarom is de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 28, 31, 36f, 57, 247 (oud) en 248 (oud) Sr.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 16-301968-19 onder 1 primair en 2 primair en in de zaak met parketnummer 16-097617-20 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in de zaak met parketnummer 16-301968-19 onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Verklaart het in de zaak met parketnummer 16-097617-20 bewezenverklaarde
nietstrafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.
Heft op het door de rechtbank gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de door de rechtbank opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel, inhoudende een contact- en locatieverbod.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
25 (vijfentwintig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Ontzet de verdachte van het recht tot uitoefening van het beroep van leerkracht, begeleider of instructeur van minderjarigen voor de duur van 6 (zes) jaren.
Beveelt de opheffing van het (geschorste) bevel voorlopige hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-301968-19 onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-301968-19 onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 35 (vijfendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 7 november 2019.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-301968-19 onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 4.428,91 (vierduizend vierhonderdachtentwintig euro en eenennegentig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-301968-19 onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 4.428,91 (vierduizend vierhonderdachtentwintig euro en eenennegentig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 54 (vierenvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 7 november 2019.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-301968-19 onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
€ 3.226,60 (drieduizend tweehonderdzesentwintig euro en zestig cent).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-301968-19 onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 35 (vijfendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 7 november 2019.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3] ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-301968-19 onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 316,84 (driehonderdzestien euro en vierentachtig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 3] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-301968-19 onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 316,84 (driehonderdzestien euro en vierentachtig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 6 (zes) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 7 november 2019.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 4] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-301968-19 onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 2.540,61 (tweeduizend vijfhonderdveertig euro en eenenzestig cent) bestaande uit € 40,61 (veertig euro en eenenzestig cent) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 3] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-301968-19 onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.540,61 (tweeduizend vijfhonderdveertig euro en eenenzestig cent) bestaande uit € 40,61 (veertig euro en eenenzestig cent) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 35 (vijfendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 7 november 2019.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 8]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 8] ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-301968-19 onder 2 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 8] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-301968-19 onder 2 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 15 (vijftien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 7 november 2019.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-301968-19 onder 2 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 412,17 (vierhonderdtwaalf euro en zeventien cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-301968-19 onder 2 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 412,17 (vierhonderdtwaalf euro en zeventien cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 8 (acht) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 7 november 2019.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 5] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Dit arrest is gewezen door mr. G.A. Versteeg, mr. J. Hielkema en mr. L. Pieters, in aanwezigheid van de griffier mr. A. Abdulkarim en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 3 december 2025.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreffen dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal die deel uitmaken van het proces-verbaal van 29 februari 2020, doorgenummerd pagina 6 tot en met 223 en het proces-verbaal van 16 juli 2020, doorgenummerd pagina 224 tot en met 434, beiden met proces-verbaalnummer 2019 334 131 (03 Dasyurus), opgemaakt door politie Eenheid Midden-Nederland. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
2.Pagina’s 106-110.
3.Pagina’s 6-9.
4.Pagina’s 320-340.
5.Pagina’s 341-355.
6.Pagina 160.
7.Pagina’s 378-399; op pagina 90 is in een proces-verbaal van bevindingen gerelateerd dat verbalisant [verbalisant 7] de vragen heeft gesteld en wie verder aanwezig zijn geweest bij dit verhoor.
8.Pagina’s 372-373 en 376.
9.Pagina 420-428; op pagina 177 is in een proces-verbaal van bevindingen gerelateerd dat verbalisant [verbalisant 8] de vragen heeft gesteld.
10.Pagina 122.
11.Pagina 123-124.
12.Pagina 130-132.
13.Pagina 135-143.
14.Schriftelijk bescheid van 27 november 2020 (proces-verbaalnummer 20201127.1404.10166.BEV), te weten een niet ondertekend proces-verbaal van bevindingen van een bevoegd ambtenaar van de politie, los opgenomen in het dossier.
15.HR 25 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1773 en 1775.
16.HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578.