ECLI:NL:GHARL:2025:7783

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
5 december 2025
Zaaknummer
23/1466
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake naheffingsaanslag BPM en schadevergoeding

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 2 december 2025 uitspraak gedaan in het hoger beroep van [belanghebbende] B.V. tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 1 mei 2023. De zaak betreft een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) van € 4.746, opgelegd aan belanghebbende. Belanghebbende had bezwaar gemaakt tegen deze aanslag, maar de Inspecteur verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende tegen deze beslissing eveneens ongegrond verklaard, waarna belanghebbende hoger beroep heeft ingesteld.

De kern van het geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd en of het bedrag juist is vastgesteld. Belanghebbende betoogt dat de afschrijving voor de BPM moet worden berekend op basis van de historische nieuwprijs van de auto, en niet op basis van een referentieauto met een lagere CO2-uitstoot. Daarnaast is er discussie over de waardevermindering wegens schade aan de auto en de mogelijkheid om over te stappen naar een andere taxatiemethode. Het Hof oordeelt dat belanghebbende niet in haar bewijslast is geslaagd en dat de naheffingsaanslag niet te hoog is vastgesteld.

Wel heeft het Hof geoordeeld dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van immateriële schade van € 1.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn in het hoger beroep. De uitspraak benadrukt de bewijslastverdeling in belastingzaken en de noodzaak voor belastingplichtigen om hun stellingen adequaat te onderbouwen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 23/1466
uitspraakdatum: 2 december 2025
Uitspraak van de tiende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] B.V.te
[vestigingsplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 1 mei 2023, nummer ARN 22/371 in het geding tussen belanghebbende en
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen/Team auto bpm(hierna: de Inspecteur)
en
de Staat der Nederlanden(Minister van Justitie en Veiligheid; hierna: de Staat)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd van € 4.746.
1.2.
Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft in zijn uitspraak op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Op 27 november 2024 en 2 april 2025 hebben regiezittingen plaatsgevonden waar BPM-zaken aan de orde zijn geweest die bij het Hof aanhangig waren en waarin de gemachtigde van belanghebbende namens verschillende belanghebbenden als procesvertegenwoordiger optrad, waaronder de onderhavige zaak. In het kader van deze regiezittingen hebben partijen over en weer stukken uitgewisseld.
1.6.
Belanghebbende heeft een nader stuk ingediend.
1.7.
Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 19 november 2025. Namens belanghebbende is mr. [naam1] verschenen. Namens de Inspecteur zijn mr. [naam2] en mr. [naam3] verschenen.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende heeft een uit Duitsland afkomstige gebruikte personenauto van het merk Mercedes (Benz E-klasse 400 4Matic; hierna: de auto) gekocht. De datum van eerste toelating van de auto is 13 juni 2018. De auto heeft een CO2-uitstoot van 179 gr/km.
2.2.
De auto is op 17 augustus 2020 door de RDW gekeurd. Belanghebbende heeft op 25 augustus 2020 voor de auto aangifte BPM gedaan naar een verschuldigd bedrag van € 2.537. De daarbij gehanteerde vermindering (afschrijving) heeft belanghebbende berekend aan de hand van een door [naam4] van [bedrijf1] B.V. op 18 augustus 2020 opgesteld taxatierapport. De schouw van de auto door deze taxateur heeft op 5 augustus 2020 plaatsgevonden. De kilometerstand beliep toen 31.002. In het taxatierapport is onder meer – op basis van een schadecalculatie – uitgegaan van een bedrag aan herstelkosten wegens schade aan de auto van € 29.767 welk bedrag voor 90% (€ 26.790) als waardevermindering in aanmerking is genomen.
2.3.
Op verzoek van de Inspecteur heeft Domeinen Onroerende Zaken (hierna: DRZ) belanghebbende uitgenodigd om de auto op 28 augustus 2020 te tonen. Bij e-mail van 26 augustus 2020 heeft belanghebbende het volgende geschreven:
“Geachte,
Graag zou ik de datum voor onderstaande oproep voor toonplicht willen uitstellen.
Zoals telefonisch met medewerkers van zowel de Domeinen als de Belastingdienst besproken zijn de schadeherstel werkzaamheden reeds in volle gang en is helaas de datum van 28-08-2020 voor ons niet haalbaar. Het schadeherstelbedrijf heeft aangegeven dat zij de auto eind volgende week klaar verwachten te hebben. Graag verzoek ik dan ook om een nieuwe datum te plannen vanaf maandag 7 september. Op 11 september is reeds een controle afspraak gepland bij de RDW.
Bijgaand treft u voor de beeldvorming enkele foto's van hoe de auto er op dit moment bij staat. De beschadigde delen blijven bewaard en zullen op de nieuwe datum ook getoond worden.
(…)”
2.4.
Belanghebbende heeft de auto op 8 september 2020 getoond bij DRZ. DRZ heeft op basis van het onderzoek met dagtekening 9 september 2020 een rapport opgesteld. DRZ heeft geen waardevermindering wegens schade in aanmerking genomen. Het rapport vermeldt daarover: “Voertuig is volledig hersteld. Hierdoor wordt er geen waardevermindering aan het voertuig toegekend.” De handelsinkoopwaarde van de auto heeft DRZ op basis van een koerslijst van XRAY (Marge) bepaald op € 40.210.
2.5.
De auto had een zogenoemde WOK-2-status van 28 augustus 2020 tot en met 14 september 2020.
2.6.
De Inspecteur heeft op basis van voornoemd DRZ-rapport de onderhavige naheffingsaanslag BPM ten bedrage van € 4.746 aan belanghebbende opgelegd.
2.7.
Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag vergeefs bezwaar en beroep aangetekend.
2.8.
Belanghebbende heeft op 31 mei 2023 hoger beroep tegen de uitspraak van de Rechtbank aangetekend.

3.Geschil

In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot een juist bedrag is vastgesteld. Belanghebbende betoogt in hoger beroep dat voor het berekenen van de afschrijving ingevolge artikel 10 lid 2 Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM) de historische nieuwprijs moet worden gebaseerd op het bedrag aan BPM dat voor de te registreren auto (met een CO2-uitstoot van 179 gr/km) is verschuldigd, en niet aan de hand van de BPM die voor de referentieauto (met een CO2-uitstoot van 173 gr/km) is verschuldigd. Voorts is in geschil of grond bestaat voor het in aanmerking nemen van een waardevermindering wegens schade en schadeverleden. Subsidiair heeft belanghebbende een switch naar de koerslijstmethode bepleit. Belanghebbende heeft tot slot aanspraak gemaakt op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.

4.Beoordeling van het geschil

Historische nieuwprijs; BPM van te registreren auto
4.1.
Ter bepaling van de historische nieuwprijs moet in aanmerking worden genomen het bedrag aan BPM dat voor de te registreren auto verschuldigd zou geweest op het tijdstip waarop deze voor het eerst in gebruik werd genomen (HR 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703). Het gelijk op dit punt is daarom aan belanghebbende.
Handelsinkoopwaarde; invloed van hogere CO2-uitstoot
4.2.
Om de werkelijke waarde(daling) van de te registreren auto zo goed mogelijk te benaderen, moet volgens de Inspecteur in dat geval ook de handelsinkoopwaarde naar boven worden bijgesteld. De handelsinkoopwaarde is blijkens de aangifte gebaseerd op een auto met een CO2-uitstoot van 173 gr/km, terwijl de te registreren auto een CO2-uitstoot van 179 gr/km heeft.
4.3.
Naar het oordeel van het Hof is, gelijk de Inspecteur heeft betoogd, een afwijkende CO2-uitstoot een verschil dat in aanmerking moet worden genomen ten opzichte van de handelsinkoopwaarde van het referentievoertuig (vgl. HR 12 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:692, r.o. 2.4.3). Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat een hogere CO2-uitstoot in zijn algemeenheid een waardeverhogende invloed op de handelsinkoopwaarde zal hebben. Die hogere CO2-uitstoot wordt immers veroorzaakt door een andere – over het algemeen duurdere – uitrusting of uitvoering (Hof Arnhem-Leeuwarden 12 maart 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:1852 en 1858; Hof Arnhem-Leeuwarden 11 juni 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:3914; Hof Arnhem-Leeuwarden 23 juli 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4876).
4.4.
Indien, zoals in het onderhavige geval, de inspecteur gemotiveerd de door de belastingplichtige verdedigde vermindering (afschrijving) betwist, ligt het op de weg van de belastingplichtige om de feiten aannemelijk te maken die deze vermindering meebrengen (HR 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:147, r.o. 3.5.3). Naar het oordeel van het Hof brengt deze bewijsregel mee dat de belastingplichtige – in geval van betwisting – het bewijs dient te leveren dat een afwijkende CO2-uitstoot niet leidt tot een hogere handelsinkoopwaarde en dus een lager afschrijvingspercentage van de te registreren auto. Een dergelijke verdeling van de bewijslast ligt te meer voor de hand nu als uitgangspunt heeft te gelden dat een afwijkende CO2-uitstoot in zijn algemeenheid een waardeverhogende invloed zal hebben op de handelsinkoopwaarde. De partij die stelt dat dit uitgangspunt niet opgaat, zoals belanghebbende doet, dient de daarvoor relevante feiten en omstandigheden aan te voeren en zo nodig aannemelijk te maken (Hof Arnhem-Leeuwarden 12 maart 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:1852 en 1858; Hof Arnhem-Leeuwarden 11 juni 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:3914; Hof Arnhem-Leeuwarden 23 juli 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4876). Deze bewijslastverdeling brengt mee dat indien er twijfel bestaat over het door belanghebbende gestelde, dit ten nadele werkt van belanghebbende.
4.5.
Belanghebbende is naar het oordeel van het Hof niet in haar bewijslast geslaagd. Hoewel belanghebbende in hoger beroep een nieuwe koerslijst van XRAY heeft overgelegd waarin de CO2-uitstoot van 173 gr/km van de referentieauto is aangevuld met een rubriek “CO2 klant” met een CO2-uitstoot van 179 gr/km waarbij de historische nieuwprijs van de referentieauto nader is bepaald op € 115.252 en de handelsinkoopwaarde ervan op € 40.210 is gebleven, is bij het Hof – zonder nadere toelichting van de koerslijstprovider die hier ontbreekt – twijfel erover blijven bestaan of de vermelde handelsinkoopwaarde van € 40.210 hoort bij de in de koerslijst vermelde rubriek “CO2 XRAY 173 NEDC” of bij de rubriek “CO2 klant 179 NEDC”. Gelet op de bewijslastverdeling werkt deze twijfel, zoals gezegd, ten nadele van belanghebbende, zodat het Hof – met de Inspecteur – ervan uitgaat dat de hogere CO2-uitstoot van de te registreren auto een zodanige invloed heeft op de handelsinkoopwaarde dat ondanks de hogere historische nieuwprijs het afschrijvingspercentage daardoor niet wijzigt.
Omvang schade
4.6.
De bewijslast met betrekking tot het in aanmerking nemen van een waardevermindering wegens schade rust op belanghebbende. Deze bewijslastverdeling brengt zoals eerder vermeld mee dat indien er twijfel bestaat over het door belanghebbende gestelde, dit ten nadele van belanghebbende werkt.
4.7.
Belanghebbende gaat naar het oordeel van het Hof terecht ervan uit dat de hoogte van de afschrijving van een gebruikte auto in een zaak als hier moet worden bepaald naar de staat van de auto ten tijde van het doen van aangifte (vgl. onder meer HR 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:317, r.o. 3.1.3 en 3.1.4 en HR 26 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:415, r.o. 3.5.2). Anders dan belanghebbende betoogt, betekent dit naar het oordeel van het Hof dat wanneer (deel)herstel van aanwezige schade aan de auto heeft plaatsgevonden vóórdat de aangifte is ingediend, met die schade in het kader van de afschrijving geen rekening kan worden gehouden. De omstandigheid dat een bij een aangifte gebruikt taxatierapport (op grond van goedkeurend beleid) een geldigheidsduur van één maand heeft, dat wil zegen dat het bij de aangifte gebruikte taxatierapport moet zijn opgemaakt uiterlijk één maand voordat de aangifte is ingediend (vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 18 november 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:7364), doet daaraan niet, aangezien daarbij wel de voorwaarde geldt dat de staat van de auto ten tijde van de taxatie dezelfde is als de staat van de auto ten tijde van het doen van de aangifte.
4.8.
Belanghebbende heeft in hoger beroep gesteld, en ter zitting desgevraagd verklaard, dat eerst na het moment waarop zij aangifte heeft gedaan (op 25 augustus 2020) het herstel van de schade aan de auto in gang is gezet, Daarom moet, aldus belanghebbende, worden uitgegaan van de door haar taxateur bepaalde schade van € 29.767 (€ 26.790). De Inspecteur heeft een en ander gemotiveerd weersproken.
4.9.
Vaststaat dat de auto van 28 augustus 2020 tot en met 14 september 2020 een WOK-2-status had. Daardoor is het aannemelijk dat de auto ook ten tijde van het doen van de aangifte schade had, hetgeen ook kan worden opgemaakt uit de door belanghebbende overgelegde e-mail van 26 augustus 2020 met foto’s (zie 2.3). In die e-mail is door belanghebbende echter aangegeven dat het schadeherstel op dat moment (26 augustus 2020) reeds in volle gang was. Belanghebbende heeft desgevraagd niet kunnen aangeven wanneer de bij de email gevoegde foto’s zijn genomen. Gelet op bedoelde email – met name op de daarin gebezigde woorden dat schadeherstel op 26 augustus 2020 reeds in volle gang was – acht het Hof het niet aannemelijk dat het schadeherstel aan de auto pas op 26 augustus 2020 is aangevangen. Veeleer acht het Hof het aannemelijk dat het schadeherstel aan de auto reeds in de periode vóór 25 augustus 2020, de datum waarop de aangifte is ingediend, in gang is gezet. Dit betekent dat de staat van de auto ten tijde van het doen van aangifte door belanghebbende niet overeenkomt met de staat van de auto waarop het taxatierapport van belanghebbende is gebaseerd. Daardoor is het taxatierapport in zoverre niet bruikbaar ter bepaling van de omvang van de schade. Gelet op het bewijsrisico dat op dit punt voor rekening van belanghebbende komt, moet daarom worden geconcludeerd dat belanghebbende niet is geslaagd in de op haar rustende bewijslast aannemelijk te maken dat een (bepaalde) waardevermindering wegens schade in aanmerking moet worden genomen.
Schadeverleden
4.10.
Het in aanmerking nemen van een (extra) waardevermindering wegens een (ernstig) schadeverleden van een auto kan door een belastingplichtige in een concreet geval op twee manieren worden bewerkstelligd, te weten (i) via de weg van de in artikel 10, leden 8 en 9, Wet BPM vervatte taxatiemethode of (ii) via de weg van het in artikel 110 VWEU vervatte discriminatieverbod (vgl. HR 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:147, r.o. 3.6.2).
Nationaal recht: taxatiemethode
4.11.
Gelet op de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, dient belanghebbende aannemelijk te maken – kort gezegd – dat sprake is van een auto met een schadeverleden waarvan een blijvende waardevermindering uitgaat en, zo daarvan sprake is, hoeveel die waardevermindering beloopt.
4.12.
Belanghebbende is naar het oordeel van het Hof niet erin geslaagd aannemelijk te maken dat met betrekking tot de auto ten opzichte van de taxatiewaarde sprake is van een waardevermindering wegens het schadeverleden. Het taxatierapport dat door belanghebbende bij de aangifte is gebruikt, is – zoals gezegd – in deze procedure niet bruikbaar. Maar zelfs als het rapport wel bruikbaar zou zijn, is het niet toereikend aangezien in dat rapport geen rekening is gehouden met een waardevermindering wegens schadeverleden.
Artikel 110 VWEU
4.13.
De omstandigheid dat belanghebbende niet via de taxatiemethode haar aanspraak op een waardevermindering wegens schadeverleden kan verzilveren, laat onverlet dat zij in dit concrete geval met succes een beroep zou kunnen doen op het discriminatieverbod van artikel 110 VWEU. In dat geval moet belanghebbende ter weerlegging van de onderhavige naheffingsaanslag aannemelijk maken dat het geheven bedrag aan BPM hoger is dan het restbedrag aan BPM dat is vervat in de handelswaarde van een of meer gelijksoortige, gebruikte personenauto’s die al in het binnenland zijn geregistreerd. Daartoe moet belanghebbende de werkelijke handelswaarde van de auto aantonen. Om dat te staven moet belanghebbende op basis van deskundigenonderzoek aantonen dat er ten tijde van de registratie een gelijksoortige, gebruikte personenauto met een vergelijkbaar schadeverleden in Nederland was geregistreerd en wat de waardeverminderende invloed van dat schadeverleden op de handelsinkoopwaarde werkelijk is geweest ten opzichte van gelijksoortige, gebruikte personenauto’s die toentertijd in Nederland waren geregistreerd en niet een dergelijk schadeverleden kenden. Een verwijzing naar een algemeen bekend feit en/of een schatting in goede justitie is niet voldoende (vgl. HR 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:147, r.o. 3.6.2).
4.14.
Belanghebbende heeft naar het oordeel van het Hof niet aan deze bewijslast voldaan, aangezien zij in deze procedure geen bewijs heeft bijgebracht dat voldoet aan deze door de Hoge Raad geformuleerde maatstaf. De NIVRE-Richtlijn – waarop belanghebbende zich beroept – kan niet als een deskundigenonderzoek worden aangemerkt. Dit betekent dat belanghebbende ook via het Unierecht geen recht heeft op de door haar in hoger beroep bepleite vermindering wegens schadeverleden.
Switch naar koerslijstmethode
4.15.
Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof het standpunt ingenomen dat zij – subsidiair – wil switchen van de taxatiemethode naar de koerslijstmethode, waarbij zij gebruik wil maken van de door haar in hoger beroep overgelegde koerslijst van XRAY. Als uitgangspunt heeft te gelden dat een dergelijke switch mogelijk is (vgl. HR 3 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1472). In dit geval is die switch naar het oordeel van het Hof echter niet mogelijk, aangezien omtrent de door belanghebbende ingebrachte koerslijst van XRAY geen duidelijkheid bestaat over de daarin opgenomen handelsinkoopwaarde van de referentieauto van € 40.210. Niet duidelijk is namelijk of de handelsinkoopwaarde van € 40.210 hoort bij de in de koerslijst vermelde rubriek “CO2 XRAY 173 NEDC” of bij de rubriek “CO2 klant 179 NEDC” (zie overweging 4.5).
4.16.
De naheffingsaanslag is niet tot een te hoog bedrag vastgesteld. De door de Inspecteur ingenomen standpunten inzake – kort gezegd – ‘essentiële gebreken’ en ‘interne compensatie’ behoeven geen behandeling.
Vergoeding immateriële schade
4.17.
Belanghebbende heeft eerst ter zitting in hoger beroep aanspraak gemaakt op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. In aanmerking genomen dat belanghebbende op 31 mei 2023 hoger beroep heeft ingesteld en het Hof op 2 december 2025 uitspraak doet, is die aanspraak terecht, aangezien de redelijke behandeltermijn van twee jaar in hoger beroep is overschreden. Redenen voor een termijnverlenging zijn hier niet aanwezig. Dit betekent dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van immateriële schade van € 1.000. De termijnoverschrijding is geheel toe te rekenen aan de rechterlijke fase, zodat de schadevergoeding dient te worden betaald door de Staat.
Slotsom
4.18.
Uit het hiervoor overwogene volgt dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is. Wel dient aan belanghebbende de in 4.17 vermelde vergoeding van € 1.000 te worden toegekend.

5.Griffierecht en proceskosten

5.1.
Omdat het hoger beroep op zichzelf beschouwd ongegrond is, wordt uitsluitend een vergoeding van proceskosten toegekend voor de proceshandelingen die samenhangen met het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Bij de berekening van die vergoeding wordt een wegingsfactor 0,25 gehanteerd. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 226,75 (1 punt voor verzoekschrift, wegingsfactor 0,25, waarde per punt € 907). Opmerking verdient dat het Hof, in afwijking van zijn eerdere rechtspraak, niet langer een punt toekent voor de zitting (vgl. ABRvS 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:771).
5.2.
Nu het hoger beroep ongegrond is verklaard, wordt geen griffierecht vergoed.

6.Beslissing

Het Hof:
  • verklaart het hoger beroep ongegrond;
  • veroordeelt de Staat tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade van € 1.000; en
  • veroordeelt de Staat in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 226,75.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, lid van de tiende enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 december 2025.
De griffier, De raadsheer,
(E.D. Postema) (R. den Ouden)
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.