ECLI:NL:GHARL:2025:8224

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
23/1364 t/m 23/1379
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:24 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken bevoegde machtiging in belastingzaak

In deze belastingzaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het hoger beroep van Bartels, handelend namens belanghebbende, niet-ontvankelijk verklaard. De reden hiervoor was het ontbreken van een geldige machtiging die door een bevoegde vertegenwoordiger van belanghebbende was ondertekend.

Het hof heeft Bartels meerdere malen verzocht om een nieuwe, juiste machtiging te overleggen, maar hieraan is niet voldaan. Ook na een laatste termijn en een schriftelijke waarschuwing bleef een toereikende machtiging uit. Tijdens de zitting op 19 maart 2025 is het onderzoek gesloten voor de zaken waarin de machtiging ontbrak of niet toereikend was.

Het hof oordeelde dat zonder een geldige machtiging niet kon worden vastgesteld dat Bartels bevoegd was om namens belanghebbende hoger beroep in te stellen. Daarom werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn werd niet behandeld omdat niet was gebleken dat Bartels bevoegd was dit te doen.

Er werd geen griffierecht vergoed en geen proceskosten toegewezen. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige belastingkamer op 16 december 2025 en is openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een geldige machtiging.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem
nummers BK-ARN 23/1364 tot en met 23/1379
uitspraakdatum: 16 december 2025
Uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer
op het door mr. D.A.N. Bartels (hierna: Bartels) ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank) van 27 maart 2023, nummers UTR 21/2313 tot en met 21/2328 in het geding tussen
Bartels, veronderstellenderwijs handelend namens [belanghebbende]te
[vestigingsplaats](hierna: belanghebbende)
en
de
heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht(hierna: de heffingsambtenaar)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Het hoger beroep is volgens het hogerberoepschrift ingesteld namens belanghebbende. In het hogerberoepschrift staat onder meer: “De volmacht maakt reeds deel uit van het Rechtbankdossier”. In het dossier van de Rechtbank bevindt zich een volmacht. Deze volmacht is ondertekend door [naam1] . Blijkens het eveneens in het rechtbankdossier aanwezige uittreksel van de KvK is [naam1] geen bestuurder van belanghebbende.
1.2.
Het Hof heeft Bartels in de gelegenheid gesteld een nieuwe machtiging in te brengen binnen een termijn van vier weken. Bartels heeft hieraan niet voldaan.
1.3.
Bij brief van 27 november 2023 heeft het Hof Bartels een laatste gelegenheid geboden om uiterlijk 31 december 2023 een nieuwe machtiging in te brengen. Hierbij is medegedeeld dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien aan deze uitnodiging niet binnen de gestelde termijn gehoor wordt gegeven.
1.4.
Bartels heeft hierop gereageerd, maar een nieuwe machtiging waar het Hof om heeft verzocht is daarbij niet verstrekt.
1.5.
De onderhavige zaken zijn gaan behoren tot een cluster van zaken waarin Bartels voor verschillende belanghebbenden optreedt, telkens met de heffingsambtenaar als wederpartij. Voor het verloop van de behandeling van dit cluster verwijst het Hof naar de uitspraak van 24 juni 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:3894.
1.6.
In het kader van die clustergewijze behandeling is aan Bartels bij bericht van 15 januari 2025 een lijst verstrekt met zaken waarin de machtiging ontbreekt of niet toereikend is. De onderhavige zaken staan op die lijst. Bartels is daarbij in de gelegenheid gesteld om deze lijst op juistheid te controleren en daarop schriftelijk te reageren. Verder is Bartels in voornoemd bericht (nogmaals) erop gewezen dat niet in alle gevallen de rechtbankdossiers aan het Hof zijn overgelegd, zodat de enkele verwijzing naar het rechtbankdossier niet volstaat. Ook heeft het Hof (nogmaals) erop gewezen dat het hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard wanneer een toereikende machtiging niet uiterlijk 29 januari 2025 wordt ontvangen. Bartels heeft niet gereageerd.
1.7.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2025. Daarbij zijn verschenen en gehoord Bartels, alsmede mr. [naam2] , namens de heffingsambtenaar, bijgestaan door mr. [naam3] en [naam4] . Aan het eind van die zitting is het onderzoek gesloten in de zaken waarin de machtiging in hoger beroep ontbreekt of niet toereikend is. Het proces-verbaal van die zitting is aan partijen toegezonden.

2.Beoordeling door het Hof

2.1.
In een procedure voor de bestuursrechter kunnen partijen zich door een gemachtigde laten vertegenwoordigen (artikel 8:24, eerste lid, van de Awb). De bestuursrechter kan van een gemachtigde die geen advocaat is, een schriftelijke machtiging verlangen (artikel 8:24, tweede en derde lid, van de Awb).
2.2.
Niet gebleken is dat degene die de machtiging heeft ondertekend bevoegd is belanghebbende te vertegenwoordigen. Daarom heeft het Hof herhaaldelijk verzocht om een nieuwe, door een bevoegde vertegenwoordiger ondertekende machtiging over te leggen. Daarbij is Bartels op de mogelijke gevolgen voor de ontvankelijkheid van het hoger beroep gewezen. De daarvoor gestelde termijnen zijn onbenut gelaten. Ook op het bericht van 15 januari 2025 heeft Bartels niet gereageerd.
2.3.
Gelet op het vorenstaande kan het Hof niet vaststellen dat Bartels bevoegd was namens belanghebbende hoger beroep in te stellen. Het hoger beroep zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. Aan het namens belanghebbende gedane verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn komt het Hof niet toe, omdat niet is gebleken dat Bartels bevoegd was dat verzoek te doen.
SlotsomOp grond van het vorenstaande is het hoger beroep niet-ontvankelijk.

3.Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

Het Hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.W. van de Sande, voorzitter, mr. V.F.R. Woeltjes, mr. T. Tanghe, raadsheren, in tegenwoordigheid van A. Tax als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025.
De griffier, De voorzitter,
(A. Tax) (J.M.W. van de Sande)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een
afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.