ECLI:NL:GHARL:2025:8236

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
22 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
21-002361-24
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake ontuchtige handelingen met kleinkinderen, bewijsvoering en schadevergoeding

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 22 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Gelderland. De verdachte, een grootvader, is beschuldigd van ontuchtige handelingen met zijn kleinkinderen, [benadeelde 1] en [benadeelde 2]. De tenlastelegging omvatte meerdere feiten van seksueel misbruik, gepleegd tussen 2011 en 2020. Het hof heeft de verklaringen van de slachtoffers als consistent en betrouwbaar beoordeeld, en heeft vastgesteld dat er voldoende bewijs is voor de bewezenverklaring van de feiten. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd en opnieuw recht gedaan, waarbij de verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk. Daarnaast zijn er vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen toegewezen, waarbij het hof de immateriële schade heeft vastgesteld op €8.000 voor [benadeelde 1] en €3.500 voor [benadeelde 2]. Het hof heeft de ernst van de feiten en de impact op de slachtoffers zwaar laten wegen in de strafmaat.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-002361-24
Uitspraakdatum: 22 december 2025
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 28 mei 2024 met parketnummer 05-137373-21 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1950 in [geboorteplaats] ,
wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zittingen van het hof van 3 april 2025 en 8 december 2025 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. H.J.M. Nijenhuis, en mr. A. van der Geest, de advocaat van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] hebben aangevoerd.

Het vonnis

Het hof vernietigt het vonnis om redenen van doelmatigheid en doet daarom opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 19 juli 2011 tot en met 18 juli 2017 te [plaats] , althans in Nederland, met [benadeelde 1] , geboren op [geboortedatum] 2005, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde 1] , te weten het meermaals, althans eenmaal, - duwen en/of brengen van een of meer van zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina van die [benadeelde 1] en/of - betasten en/of strelen van de vagina en/of de vulva en/of de schaamstreek van die [benadeelde 1] ;
2.
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 19 juli 2011 tot en met 30 september 2020 te [plaats] , althans in Nederland met [benadeelde 1] , geboren op [geboortedatum] 2005, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het meermaals, althans eenmaal, betasten en/of strelen van de vagina en/of de vulva en/of de schaamstreek van die [benadeelde 1] ;
3.
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 23 november 2017 tot en met 9 oktober 2020 te [plaats] , althans in Nederland met [benadeelde 2] , geboren op [geboortedatum] 2007, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het meermaals, althans eenmaal, betasten en/of strelen van de vagina en/of de vulva en/of de schaamstreek van die [benadeelde 2] .
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging

Door en namens verdachte is aangevoerd dat vrijspraak moet volgen. Verdachte heeft de feiten ontkend en de raadsman heeft – kort en zakelijk samengevat – aangevoerd dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is, nu de verklaringen van de slachtoffers het enige bewijsmiddel zijn, deze niet betrouwbaar zijn en dat ondersteuning aan deze verklaringen ontbreekt.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat er ten aanzien van alle drie de feiten voldoende bewijs is. Het hof twijfelt niet aan de juistheid en betrouwbaarheid van dat bewijs. Als cassatie wordt ingesteld, neemt het hof de bewijsmiddelen op in een aanvulling op dit arrest. Het hof overweegt als volgt.
Toetsingskader
Op grond van het bepaalde in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige (de zogenoemde ‘unus testis-regel). Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat het de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de feiten en omstandigheden die door die aangever/getuige worden genoemd op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Ingevolge vaste jurisprudentie van de Hoge Raad staat hier echter tegenover dat, met name in zedenzaken, een geringe mate aan steunbewijs in combinatie met geloofwaardige verklaringen van het slachtoffer toch het volgens de wet vereiste minimum aan bewijs kan opleveren.
De vraag of voldoende steunbewijs aanwezig is, is afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval. Wel zijn hiervoor in de jurisprudentie enige regels geformuleerd. Zo moet het steunbewijs ‘voldoende steun’ geven aan de verklaring van de aangever/getuige. Dit betekent dat het steunbewijs op relevante wijze in verband moet staan met de inhoud van de verklaring van de aangever/getuige. Het steunbewijs mag in beginsel niet afkomstig zijn van dezelfde bron, in die zin dat als steunbewijs zou kunnen worden gebruikt de verklaring van een ander aan wie de getuige heeft verteld wat hem of haar is overkomen. Een dergelijke
de auditu-verklaring levert op zichzelf niet voldoende steunbewijs op. Wel kunnen bepaalde waarnemingen die de
de auditu-getuige persoonlijk heeft gedaan voldoende steunbewijs opleveren. Ook kunnen eigen waarnemingen van getuigen, die weliswaar niet het kernverwijt, bijvoorbeeld de verweten seksuele handelingen, bevestigen, binnen de context van de gebeurtenissen voldoende zelfstandig onderscheidend zijn om als objectief gegeven in combinatie met andere omstandigheden een rol van betekenis spelen als steunbewijs naast de verklaring van het slachtoffer. Niet is vereist dat het steunbewijs betrekking dient te hebben op de ten laste gelegde gedragingen. Ook is niet vereist dat het steunbewijs rechtstreeks de betrokkenheid van de verdachte bij het ten laste gelegde feit bevestigt.
Het hof zal eerst beoordelen of de verklaringen van de slachtoffers betrouwbaar zijn en gebruikt kunnen worden voor het bewijs. Vervolgens zal het hof beoordelen of hun verklaringen in voldoende mate steun vinden in andere bewijsmiddelen.
Verklaringen [benadeelde 1]
Het hof overweegt dat [benadeelde 1] consistent heeft verklaard over de wijze waarop zij, toen zij jong was, door haar opa is aangeraakt. Haar verklaring tijdens het informatieve gesprek komt op belangrijke onderdelen en in de kern overeen met haar verklaringen bij de politie en later bij de rechter-commissaris. Zo komen de aard van de handelingen, namelijk het aanraken van de vagina, de locatie waar dit gebeurde, namelijk bij opa en oma thuis in de woonkamer en éénmaal op de trap, de manier waarop zij reageerde, namelijk door te bevriezen, en de voorbeelden die zij daarbij heeft gegeven in alle verklaringen overeen. Ook is zij consistent in haar verklaringen dat zij nooit met haar zusje [benadeelde 2] over het misbruik heeft gesproken.
Verder is [benadeelde 1] ook consistent in hoe het misbruik door opa aan het licht is gekomen, namelijk door middel van een gesprek met haar mentor en daarna pas een gesprek met haar ouders. Het hof stelt daarnaast vast dat de manier van bevraging door zowel moeder als door de politie niet sturend is geweest en [benadeelde 1] uit eigen beweging en in eigen woorden haar verklaring heeft afgelegd. Het hof overweegt voorts dat [benadeelde 1] gedetailleerde verklaringen heeft afgelegd. Tijdens het informatief gesprek zeden op 18 september 2020 heeft zij verklaard dat de laatste keer dat het gebeurd was, ongeveer tweeëneenhalve week geleden was toen zij samen met haar zusje bij opa thuis op de bank zat. Over dit moment heeft zij bij de rechter-commissaris verklaard dat zij op de bank bij haar opa en oma zat en dat zij op haar telefoon zat. Opa kwam binnen en kwam naar haar toe. Dat zij op dat moment niet wegliep, kwam door een soort bevriezen en het niet weg kunnen lopen. Bij de politie heeft zij verklaard dat zij toen met haar moeder en zusje bij haar opa en oma was. Haar moeder en oma waren boven, omdat zij iets met borduren/stof aan het doen waren. Zij zat met haar zusje [benadeelde 2] op de bank. [benadeelde 2] liep weg en opa kwam naar haar toe en raakte haar vagina weer aan.
De moeder van [benadeelde 1] heeft namens [benadeelde 1] aangifte gedaan. De verklaring van [benadeelde 1] vindt steun in de verklaring (aangifte) van haar moeder [naam van moeder] . Zij bevestigt dat [benadeelde 1] (en [benadeelde 2] ) op woensdagen bij opa en oma waren tot zij naar de brugklas gingen. Daarnaast heeft zij verklaard dat zij met [benadeelde 1] heeft gesproken over de laatste keer. Moeder heeft verklaard dat zij op 28 augustus 2020 met haar kinderen naar het huis van haar ouders is gegaan omdat zij met haar moeder ging borduren. Zij was met haar moeder op de eerste etage en haar kinderen zaten in de woonkamer op hun telefoon. [benadeelde 2] kwam naar boven om te vragen of zij naar huis zouden gaan. De verklaring van [benadeelde 1] wordt hiermee ondersteund door de verklaring van haar moeder dat zij 28 augustus 2020 in het huis van opa en oma waren en dat [benadeelde 1] enige tijd alleen beneden was.
Daarnaast weet [benadeelde 1] nog specifiek te noemen welke pyjama zij droeg bij het incident dat op de trap bij opa en oma thuis plaatsvond toen 6 of 7 jaar oud was. Dit was namelijk een oranje pyjamajurk. De moeder van [benadeelde 1] heeft op 10 juni 2025 naar aanleiding van haar verhoor door de raadsheer-commissaris een foto van [benadeelde 1] aan het hof doen toekomen waarop [benadeelde 1] te zien is met een oranjekleurig bovenkledingstuk. Moeder heeft verklaard dat dit de desbetreffende pyjama is. Op de afbeelding staat dat de foto dateert van 8 mei 2012. Het hof stelt vast dat dit binnen de ten laste gelegde periode is en dat [benadeelde 1] op 8 mei 2012 zeven jaar oud was.
Verder weet [benadeelde 1] zich te herinneren dat haar opa een keer vroeg ‘of daar al wat groeide’. In de andere gevallen dat het gebeurde, zei haar opa juist niets. [benadeelde 1] heeft haar verklaring over de gebeurtenissen na verloop van tijd, en ondanks het grote tijdsverloop, niet groter of erger gemaakt, wat bijdraagt aan het waarheidsgetrouwe karakter daarvan. Zo blijft zij bij haar verklaring dat het stoppen van de vinger in haar vagina door opa alleen die ene keer op de trap is gebeurd. Later bleef het bij het aanraken van en wrijven over haar vagina. Gelet op dit alles acht het hof de verklaring van [benadeelde 1] betrouwbaar en neemt het hof deze als uitgangspunt. Dat [benadeelde 1] de gebeurtenissen niet exact in de tijd weet te plaatsen, doet aan de betrouwbaarheid van haar verklaringen niet af, gelet op het tijdsverloop en op de voornoemde consistentie en gedetailleerdheid en de nog jonge leeftijd van [benadeelde 1] op het moment dat het misbruik volgens haar plaatsvond.
De verklaringen van [benadeelde 1] zijn naar het oordeel van het hof consistent en gedetailleerd. Het hof acht deze betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.
Verklaringen [benadeelde 2]
Het hof overweegt dat [benadeelde 2] consistent heeft verklaard over de wijze waarop zij, toen zij jong was, door haar opa is aangeraakt. Haar verklaring tijdens het informatieve gesprek komt op belangrijke onderdelen overeen met haar verklaringen bij de politie en later bij de rechter-commissaris. Zo komen de aard van de handelingen, namelijk het aanraken van de vagina, de wijze waarop het gebeurde, namelijk het friemelen alsof het een speeltje was, en de locatie waar dit gebeurde, namelijk op woensdag(en) bij opa en oma thuis in de woonkamer, overeen. Ook verklaarde zij telkens dat zij alleen was met opa als het gebeurde.
Het hof stelt daarnaast vast dat de manier van bevraging door zowel moeder als door de politie niet sturend is geweest en zij uit eigen beweging en in eigen woorden haar verklaringen heeft afgelegd. Dat [benadeelde 2] meteen emotioneel werd nadat door haar moeder/ouders werd gevraagd naar mogelijk vervelende dingen met opa, biedt eveneens steun aan de verklaringen van [benadeelde 2] . Daarnaast overweegt het hof dat de verklaringen gedetailleerd zijn. Zo weet [benadeelde 2] te benoemen welke kleding zij op één specifiek moment aanhad en dat zij op een ander specifiek moment een filmpje keek op haar iPad en op een bepaalde stoel zat. In een ander geval zat zij juist op de bank. Verder beschrijft ze het gedrag van opa – “hij zei niets en lachte een beetje” -, en haar eigen gevoel bij wat er gebeurde: ze vond het niet leuk en ook raar dat hij ineens zo deed. [benadeelde 2] heeft – evenals [benadeelde 1] – de gebeurtenissen na verloop van tijd, ondanks het grote tijdsverloop, ook niet groter of erger gemaakt, wat ook in haar geval bijdraagt aan het waarheidsgehalte ervan. Zij geeft aan dat het altijd om het aanraken van haar vagina ging door opa en dat zij nooit iets bij opa hoefde te doen. Ook geeft zij aan dat het stopte toen zij twaalf was en minder vaak naar opa en oma ging.
Gelet op dit alles acht het hof de verklaring van [benadeelde 2] betrouwbaar en neemt zij deze als uitgangspunt. Dat [benadeelde 2] wisselend heeft verklaard over het aantal keren dat het misbruik volgens haar is voorgekomen en dat ze niet precies kan aangeven wanneer het misbruik is begonnen en gestopt, doet naar het oordeel van het hof aan de betrouwbaarheid van haar verklaringen niet af, gelet op het tijdsverloop, hetgeen hiervóór is overwogen en haar nog jonge leeftijd op het moment dat het misbruik volgens haar plaatsvond. Het hof acht in dat verband van doorslaggevend belang dat [benadeelde 2] in de kern consequent heeft verklaard dat het meermaals is gebeurd en dat zij daarbij ook specifieke voorbeelden heeft genoemd.
Dat de verklaringen van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] zoveel overeenkomsten vertonen, draagt voor het hof in grote mate bij aan de betrouwbaarheid van hun verklaringen. Ook wordt de betrouwbaarheid van hun verklaringen versterkt door het gegeven dat niet is gebleken van concrete aanknopingspunten dat er voor [benadeelde 1] en [benadeelde 2] aanleiding was om verdachte – hun opa – ten onrechte te beschuldigen van het tenlastegelegde.
Zowel [benadeelde 1] als [benadeelde 2] hebben, onafhankelijk van elkaar, aan moeder/ouders en de politie verteld wat er is gebeurd. Zij hebben elkaar daarvoor niet gesproken over de gebeurtenissen en wisten van elkaar ook niet dat zij iets naars met opa hadden meegemaakt. Van beïnvloeding is naar het oordeel van het hof dan ook geen sprake.
De verklaringen van [benadeelde 2] zijn naar het oordeel van het hof consistent en gedetailleerd. Het hof acht deze betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.
Steunbewijs in de vorm van schakelbewijs
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat het gebruik van aan andere, soortgelijke feiten ten grondslag liggende bewijsmiddelen als steunbewijs (in de vorm van zogenaamd schakelbewijs) onder omstandigheden is toegelaten. Voor de bewezenverklaring van een feit wordt in dat geval mede redengevend geacht de - uit één of meer bewijsmiddelen blijkende - omstandigheid dat de verdachte bij één of meer andere strafbare feiten betrokken was. Daarbij moet het gaan om bewijsmateriaal ten aanzien van die andere feiten dat op essentiële punten belangrijke overeenkomsten of kenmerkende gelijkenissen vertoont met het bewijsmateriaal van het te bewijzen feit en duidt op een herkenbaar en gelijksoortig patroon in de handelingen van de verdachte (ECLI:NL:HR:2017:3118 en ECLI:NL:HR:2019:552).
Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een overeenkomende modus operandi kunnen betrokken worden de feitelijke gang van zaken ten aanzien van de betreffende feiten, waaronder begrepen de context waarbinnen zij zich hebben voorgedaan, de omstandigheden waarmee zij zijn omgeven en het desbetreffende handelen van de verdachte, alsmede de verklaringen die de verdachte daarover heeft afgelegd. Daarbij kan het bewijs in verschillende zaken over en weer redengevend worden geacht, zelfs als geen enkel feit afzonderlijk – dus los van de schakelbewijsconstructie – wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Het hof gaat uit van schakelbewijs ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten op grond van de verklaringen van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] . Het hof zal hun verklaringen aldus over en weer gebruiken als steunbewijs van de bewezenverklaarde feiten. Daartoe gaat het hof over, omdat het bewijsmateriaal ten aanzien van de tenlastegelegde feiten onderling, zoals reeds hiervoor aangegeven, op essentiële punten belangrijke overeenkomsten en kenmerkende gelijkenissen vertoont met het bewijsmateriaal van de andere te bewijzen feiten, hetgeen volgens het hof duidt op een herkenbaar en gelijksoortig patroon in de handelingen van de verdachte.
Het hof gaat daarbij meer in het bijzonder uit van de volgende modus operandi.
[benadeelde 1] en [benadeelde 2] , beiden kleinkind van verdachte en beiden meisjes van een jonge leeftijd, verklaarden dat zij regelmatig op woensdag naar opa en oma gingen. Het misbruik gebeurde altijd bij opa en oma thuis, voornamelijk in de woonkamer. De handelingen van verdachte bestonden uit het aanraken van en wrijven over de vagina. Verdachte zei daarbij (meestal) niets. Hij raakte hen voornamelijk over de kleding aan. Verder ging het steeds om vluchtige momenten, als oma even niet in dezelfde ruimte was. [benadeelde 1] en [benadeelde 2] verklaarden beiden dat zij nooit wat bij verdachte hoefden te doen.
Het hof acht de stelling van verdachte dat hij nooit in de gelegenheid is geweest om de genoemde handelingen te verrichten, ongeloofwaardig. Verdachte en zijn echtgenote woonden immers met zijn tweeën in de woning in [plaats] en verdachtes echtgenote paste gedurende een lange periode regelmatig op. Verdachte heeft verklaard dat hij dan weleens thuis was. Dat zijn echtgenote in die periode nooit de ruimte verliet waar de kleinkinderen op dat moment waren en dat zij dus nooit alleen in een ruimte waren, is niet aannemelijk. Het ging bovendien om korte, vluchtige momenten waarop verdachte [benadeelde 1] of [benadeelde 2] aanraakte.
Al het voorgaande brengt het hof tot de conclusie dat de verklaringen van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] in voldoende mate worden ondersteund door hun verklaringen over en weer en door de overige bewijsmiddelen in het dossier. Van beïnvloeding door elkaar of door hun ouders is het hof op geen enkele wijze gebleken. Zowel [benadeelde 1] als [benadeelde 2] hebben verklaard nooit met elkaar over het misbruik te hebben gesproken. Dit vindt bevestiging in de verklaring van getuige [getuige] , de mentor van [benadeelde 1] op de middelbare school. Daaruit blijkt dat [benadeelde 1] haar heeft verteld dat niemand nog wist van het misbruik en dat [benadeelde 1] ook niet wist van mogelijk misbruik van [benadeelde 2] . Ook tegen haar moeder heeft [benadeelde 1] verteld dat ze niet wist van het misbruik van [benadeelde 2] . Moeder heeft voorts nog verklaard dat ze, nadat [benadeelde 1] en [benadeelde 2] hadden verteld van het misbruik, er verder niet meer inhoudelijk met [benadeelde 1] en [benadeelde 2] over hebben gesproken, waardoor naar het oordeel van het hof geen sprake is geweest van sturing of beïnvloeding.
Daarnaast heeft het hof op grond van de bewijsmiddelen onverminderd de overtuiging gekregen dat de feiten zijn gepleegd zoals deze aan verdachte worden verweten.
De periode
Hoewel zowel [benadeelde 1] als [benadeelde 2] de gebeurtenissen niet exact in de tijd hebben kunnen plaatsen, kunnen zij hun uitlatingen over hun leeftijd ten tijde van de gebeurtenissen wel koppelen aan specifieke details (zoals de oranje pyjama die [benadeelde 1] droeg op haar zesde of zevende, dat [benadeelde 2] op een stoel op haar iPad zat op haar tiende, en dat het bij [benadeelde 2] ook is gebeurd toen ze in groep 8 zat - toen ze dus elf of twaalf jaar was -). Zoals eerder overwogen gaat het hof uit van hun verklaringen. Moeder heeft bovendien bevestigd dat [benadeelde 1] en [benadeelde 2] op woensdagen naar opa en oma gingen tot zij naar de brugklas gingen.
Daarnaast wijst het hof op de verklaring van oma bij de raadsheer-commissaris, afgelegd op 10 juni 2025, waarin zij heeft verklaard dat [benadeelde 1] en [benadeelde 2] behalve tijdens het oppassen op de woensdagen, aanvankelijk bij haar in [plaats] en later bij de familie [naam] in [plaats] , ook in de grote vakanties af en toe een dag bij haar kwamen. Dit brengt het hof tot de conclusie dat het seksueel binnendringen bij en het aanraken van de vagina van [benadeelde 1] door verdachte, terwijl zij nog geen twaalf jaar was, gebeurde in de periode van 19 juli 2011 tot en met 18 juli 2017. In de periode van 19 juli 2011 tot en met 11 september 2020 (het moment dat [benadeelde 1] tegen de mentor heeft verteld wat er is gebeurd) is zij door verdachte meermaals aangeraakt aan haar vagina, terwijl zij nog geen zestien jaar was. Voor [benadeelde 2] geldt dat zij in ieder geval in de periode van 23 november 2017 tot en met 11 september 2020 - tussen haar tiende en haar twaalfde jaar - meermaals door verdachte is aangeraakt aan haar vagina. Het hof gaat ervanuit dat na het melden van [benadeelde 1] bij haar mentor op 11 september 2020 niets meer is gebeurd, omdat de kinderen daarna niet meer bij opa en oma zijn geweest.
De aard van de handelingen
Het hof is van oordeel dat de genoemde seksuele gedragingen in strijd zijn met de
sociaal-ethische norm, nu deze hebben plaatsgevonden tussen een grootvader en zijn minderjarige kleindochters. Deze handelingen kunnen daarom zonder meer worden
aangemerkt als ontuchtig. In het geval van [benadeelde 1] was daarnaast sprake van seksueel binnendringen (feit 1), nu uit haar verklaringen volgt dat verdachte zijn vinger op enig moment in haar vagina heeft gebracht.
Conclusie
Op grond van al het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat
verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder feit 1, feit 2 en feit 3 ten laste gelegde gedragingen.
Voorwaardelijke verzoeken verdediging
De verdediging heeft, indien het hof komt tot een bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten, ter terechtzitting in hoger beroep twee voorwaardelijke verzoeken gedaan, inhoudende dat:
(1) een deskundige, bij voorkeur een rechtspsycholoog, wordt benoemd zodat deze een objectief en wetenschappelijk oordeel kan geven over de betrouwbaarheid van de afgelegde verklaringen van aangeefsters en
(2) het videoverslag van het getuigenverhoor van [benadeelde 1] op 9 oktober 2020 woordelijk moet worden uitgewerkt.
Oordeel van het hof
Ten aanzien van het verzoek onder:
1. Dit betreft een herhaald verzoek. Het hof wijst het verzoek af. Het hof acht toewijzing van dit verzoek niet noodzakelijk voor de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering. Het is bij uitstek een taak van het hof om over de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefsters te oordelen;
2. Het hof wijst ook dit verzoek af. Het hof acht toewijzing van dit verzoek niet noodzakelijk voor de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering. Het hof is van oordeel dat in hetgeen is aangevoerd onvoldoende aanknopingspunten aanwezig zijn voor essentiële discrepanties tussen de opnames van de politieverhoren en de door de verbalisanten uitgewerkte processen-verbaal. Dit maakt dat de zaak, naar het oordeel van het hof, niet en zeker niet op een dermate laat moment -het verzoek is pas bij pleidooi in hoger beroep geformuleerd- alsnog moet worden aangehouden. Het hof acht de processen-verbaal dan ook bruikbaar voor het bewijs.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten:
1.
hij op een
of meertijdstip
(pen
)in
of omstreeksde periode van 19 juli 2011 tot en met 18 juli 2017 te [plaats]
, althans in Nederland,met [benadeelde 1] , geboren op [geboortedatum] 2005, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt,
een of meerhandelingen heeft gepleegd, die
bestonden uit ofmede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde 1] , te weten
het meermaals, althans eenmaal,
- duwen en/of brengen van
een of meer vanzijn, verdachtes, vinger
(s)in de vagina van die [benadeelde 1] en
/of
- betasten en
/ofstrelen van de vagina en/of de vulva en/of de schaamstreek van die [benadeelde 1] ;
2.
hij op
een of meertijdstip
(pen
)in
of omstreeksde periode van 19 juli 2011 tot en met
1130september 2020 te [plaats] ,
althans in Nederlandmet [benadeelde 1] , geboren op [geboortedatum] 2005, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt,
een of meerontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het meermaals
, althans eenmaal,betasten en/of strelen van de vagina en/of de vulva en/of de schaamstreek van die [benadeelde 1] ;
3.
hij op
een of meertijdstip
(pen
)in
of omstreeksde periode van 23 november 2017 tot en met
11 september9 oktober2020 te [plaats]
, althans in Nederlandmet [benadeelde 2] , geboren op [geboortedatum] 2007, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt,
een of meerontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het meermaals,
althans eenmaal,betasten en/of strelen van de vagina en/of de vulva en/of de schaamstreek van die [benadeelde 2] .
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.
Het onder 2 en 3 bewezenverklaarde levert op:
met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Gelderland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straffen als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.
Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht dat hij geen gevangenisstraf opgelegd wil krijgen.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Verdachte heeft zich over een periode van meerdere jaren schuldig gemaakt aan het plegen van ontucht met zijn kleindochters [benadeelde 1] en [benadeelde 2] . Het misbruik bestond uit het betasten van de vagina van de nog jonge slachtoffers. Ook heeft verdachte bij [benadeelde 1] zijn vinger in haar vagina gebracht. Dit gebeurde bij verdachte en zijn echtgenote - bij opa en oma - thuis, een plek waar [benadeelde 1] en [benadeelde 2] zich veilig en geborgen hadden moeten voelen. Verdachte heeft met zijn handelen op ernstige wijze inbreuk gemaakt op hun lichamelijke integriteit en hun normale en gezonde seksuele ontwikkeling verstoord. Daarbij heeft verdachte misbruik gemaakt van het vertrouwen dat hij van zowel zijn kleindochters als hun ouders genoot als opa en (schoon)vader. De ouders van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] waren in de veronderstelling dat hun kinderen veilig waren bij hun opa en oma. Het tegendeel bleek waar te zijn.
Het is algemeen bekend dat seksueel misbruik langdurige en ernstige schade kan toebrengen aan de geestelijke gezondheid van de slachtoffers. Ter terechtzitting in hoger beroep hebben [benadeelde 1] en [benadeelde 2] verwoord welke impact het misbruik op hun levens en binnen hun familie heeft gehad en nog steeds heeft. Verdachte heeft het misbruik volledig ontkend. Zonder afbreuk te doen aan het beginsel dat verdachten niet hoeven mee te werken aan hun eigen veroordeling, moet daarmee worden vastgesteld dat verdachte in zijn strafzaak op geen enkele wijze verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen, sterker nog hij heeft ze als leugenaars weggezet. Dit moet voor [benadeelde 1] en [benadeelde 2] en voor hun ouders enorm pijnlijk zijn. De ernst van het misbruik en de lange periode waarin het plaatsvond rechtvaardigen naar het oordeel van het hof de oplegging van een gevangenisstraf van langere duur.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 4 november 2025, waaruit volgt dat verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor (soortgelijke) feiten.
Hoewel de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een zedendelict, kan naar het oordeel van het hof gelet op de ernst van de feiten niet anders worden gereageerd dan met oplegging van een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Gelet op de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan, acht het hof de door de rechtbank opgelegde straf passend.
De redelijke termijn is overschreden. Als uitgangspunt dient te gelden dat de behandeling op zitting in eerste aanleg moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, in deze zaak op het moment van aanhouding op 13 april 2021. Het hof stelt – met de rechtbank - vast dat de termijn in eerste aanleg met ruim 11 maanden is overschreden. In hoger beroep in de redelijke termijn niet overschreden.
Alles overwegende, en met inachtneming van het tijdsverloop en van overschrijding van de redelijke termijn, acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren) passend en geboden. Het voorwaardelijk deel van de straf dient als stok achter de deur om zoveel als mogelijk te voorkomen dat verdachte opnieuw strafbare feiten zal plegen..
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 10.041,00, bestaande uit € 2.041,00 aan materiële schade en € 8.000,00 aan immateriële schade ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag toegewezen.
De advocaat van de benadeelde partij heeft ter terechtzitting naar voren gebracht dat uit de stukken voldoende volgt dat sprake is van aantasting van de persoon op andere wijze.
De verdediging heeft ter terechtzitting naar voren gebracht dat de vordering onvoldoende zijn onderbouwd en dat de aangehaalde jurisprudentie ter onderbouwing van de immateriële schade niet passend of vergelijkbaar is, omdat geen sprake is van jarenlange op vergaande wijze seksueel misbruik dat tot PTSS heeft geleid.
Het oordeel van het hof
Uit de stukken in het dossier en de zitting(en) is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële en immateriële schade heeft geleden door het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. Verdachte moet die schade vergoeden. De vordering wordt daarom toegewezen. Het hof overweegt als volgt.
Ten aanzien van de materiele schade is het hof van oordeel dat de gevorderde schadeposten kunnen worden toegewezen, nu deze voldoende zijn onderbouwd en uit de stukken is gebleken dat de benadeelde partij deze kosten heeft gemaakt.
Ten aanzien van de immateriële schade overweegt het hof als volgt. Voor wat betreft de vergoeding voor geleden immateriële schade geldt dat schade wordt verzocht op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW: aantasting van de persoon op andere wijze.
Volgens vaste rechtspraak is van een dergelijke aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen.
De benadeelde partij heeft ter terechtzitting in hoger beroep in haar slachtofferverklaring naar voren gebracht dat het gebeurde een enorme impact op haar heeft gehad en ook nog steeds heeft.
Het hof overweegt dat concrete gegevens over de aard van de psychische schade bij de benadeelde partij ontbreken, zodat het bestaan van geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld. Het hof is echter van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan met zich brengen dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ kan worden aangenomen.
De aard, de ernst en de verwijtbaarheid van de onrechtmatige handelen van de verdachte, alsmede de ernst van de inbreuk die daarmee op de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij is gemaakt en de nadelige gevolgen die het handelen van de verdachte heeft gehad op het dagelijkse leven van de benadeelde partij en de schadevergoeding die in vergelijkbare gevallen door rechters worden opgelegd, maakt dat het hof de omvang van de immateriële schade naar billijkheid vast stelt op € 8.000,00, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 januari 2016.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 10.041,00, bestaande uit € 2.041,00 aan materiële schade en € 8.000,00 aan immateriële schade ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 5.541,00, bestaande uit € 2.041 aan materiële schade en € 3.500,00 aan immateriële schade. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.
De advocaat van de benadeelde partij heeft ter terechtzitting naar voren gebracht dat uit de stukken voldoende volgt dat sprake is van aantasting van de persoon op andere wijze.
De verdediging heeft ter terechtzitting naar voren gebracht dat de vordering onvoldoende zijn onderbouwd en dat de aangehaalde jurisprudentie ter onderbouwing van de immateriële schade niet passend of vergelijkbaar is, omdat geen sprake is van jarenlange op vergaande wijze seksueel misbruik dat tot PTSS heeft geleid.
Het oordeel van het hof
Uit de stukken in het dossier en de zitting(en) is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële en immateriële schade heeft geleden door het onder 3 bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. Verdachte moet die schade vergoeden. De vordering wordt daarom toegewezen. Het hof overweegt als volgt.
Ten aanzien van de materiele schade is het hof van oordeel dat de gevorderde schadeposten kunnen worden toegewezen, nu deze voldoende zijn onderbouwd en uit de stukken is gebleken dat de benadeelde partij deze kosten heeft gemaakt.
Ten aanzien van de immateriële schade overweegt het hof als volgt. Voor wat betreft de vergoeding voor geleden immateriële schade geldt dat schade wordt verzocht op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW: aantasting van de persoon op andere wijze.
Volgens vaste rechtspraak is van een dergelijke aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen.
Het hof overweegt dat concrete gegevens over de aard van de psychische schade bij de benadeelde partij ontbreken, zodat het bestaan van geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld. Het hof is echter van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan met zich brengen dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ kan worden aangenomen. De benadeelde partij heeft ter terechtzitting in hoger beroep in haar slachtofferverklaring naar voren gebracht dat het gebeurde een enorme impact op haar heeft gehad en ook nog steeds heeft. Dit alles in samenhang bezien maakt naar het oordeel van het hof dat zij recht heeft op immateriële schadevergoeding. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen. Het hof stelt die vergoeding naar billijkheid vast op een bedrag van € 3.500,00, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 mei 2019. Het hof kan in deze procedure niet vaststellen dat de gehele door de benadeelde gevorderde schade veroorzaakt is door het handelen van verdachte. De behandeling van dat deel van de vordering levert een onevenredige belasting van deze strafprocedure op. Daarom kan de benadeelde partij in dat deel van de vordering nu niet worden ontvangen. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering indienen bij de burgerlijke rechter.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.

Wetsartikelen

De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 244 en 247 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
24 (vierentwintig) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
10 (tien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 10.041,00 (tienduizend eenenveertig euro) bestaande uit € 2.041,00 (tweeduizend eenenveertig euro) materiële schade en € 8.000,00 (achtduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 10.041,00 (tienduizend eenenveertig euro) bestaande uit € 2.041,00 (tweeduizend eenenveertig euro) materiële schade en € 8.000,00 (achtduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 85 (vijfentachtig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 29 juni 2022 en van de immateriële schade op 1 januari 2016.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 5.541,00 (vijfduizend vijfhonderdeenenveertig euro) bestaande uit € 2.041,00 (tweeduizend eenenveertig euro) materiële schade en € 3.500,00 (drieduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 5.541,00 (vijfduizend vijfhonderdeenenveertig euro) bestaande uit € 2.041,00 (tweeduizend eenenveertig euro) materiële schade en € 3.500,00 (drieduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 62 (tweeënzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op
29 juni 2022 en van de immateriële schade op 1 mei 2019.
Dit arrest is gewezen door mr. D. Stikkelbroeck, voorzitter,
mr. TH.C.M. Willemse en mr. K. Gilhuis, raadsheren,
in aanwezigheid van de griffier mr. H.A.C. Peters
en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 22 december 2025.