Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2025:8239

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
23/1535 en 23/1536
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbWet waardering onroerende zakenArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken geldige machtiging in WOZ-zaak

De heffingsambtenaar stelde op grond van de Wet WOZ een beschikking vast ten name van belanghebbende. Tegen de uitspraak op bezwaar werd beroep ingesteld door een gemachtigde zonder dat een geldige machtiging werd overgelegd. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van een geldige machtiging en wees het verzoek om immateriële schadevergoeding af.

Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. Het Hof organiseerde een clustergewijze behandeling van soortgelijke zaken om efficiëntie te bevorderen. Tijdens de procedure bleek dat de gemachtigde niet binnen de gestelde termijnen een geldige machtiging had overgelegd, ondanks meerdere kansen en herinneringen van de rechtbank.

Het Hof oordeelde dat het van belang is dat de rechter binnen een redelijke termijn kan vaststellen of een rechtsmiddel bevoegd is ingesteld. Verwijzing naar machtigingen buiten de gestelde termijnen is onvoldoende. De stelling van de gemachtigde dat hij meerdere zaken behartigt en daarom gemachtigd was, volstaat niet om het verzuim te herstellen.

Het verzoek om vergoeding van immateriële schade werd afgewezen omdat niet kon worden aangenomen dat dit verzoek namens belanghebbende was gedaan. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard. Het Hof constateerde een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, maar vond dit niet aanleiding voor vergoeding vanwege het geringe financiële belang.

De uitspraak bevestigt de noodzaak van tijdige en correcte indiening van machtigingen in bestuursrechtelijke procedures en benadrukt het belang van een efficiënte rechtspleging.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep bevestigd wegens het ontbreken van een geldige machtiging.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer(s) BK-ARN 23/1535 en 23/1536
uitspraakdatum: 16 december 2025
Uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank) van
26 mei 2023, nummer(s) UTR 21/4989 en 21/5213 in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht(hierna: de heffingsambtenaar)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) een of meer beschikking(en) ten name van belanghebbende vastgesteld en/of aanslagen gemeentelijke heffingen bekendgemaakt.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft bij uitspraken op bezwaar beslist op de daartegen gemaakte bezwaren.
1.3.
De Rechtbank heeft de daartegen ingestelde beroepen niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om vergoeding van immateriële schade afgewezen.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.5.
Bij brief van 19 september 2024 heeft het Hof partijen uitgenodigd om deel te nemen aan een comparitiezitting. In deze brief is aangekondigd dat het Hof voornemens is om een groot aantal zaken waarbij de gemachtigde, namens meerdere belanghebbenden, en de heffingsambtenaar betrokken zijn, waaronder de onderhavige zaken, clustergewijs te behandelen.
1.6.
Op 8 november 2024 heeft een comparitiezitting plaatsgevonden. Namens belanghebbende is gemachtigde, mr. D.A.N. Bartels, verschenen en namens de heffingsambtenaar is verschenen mr. [naam1] , bijgestaan voor mr. [naam2] . Na de zitting is een proces-verbaal van de comparitiezitting aan partijen toegezonden.
1.7.
Op 13 december 2024 heeft via beeldverbinding een tweede comparitiezitting plaatsgevonden. Namens belanghebbende is gemachtigde, mr. D.A.N. Bartels, verschenen en namens de heffingsambtenaar is verschenen mr. [naam2] , bijgestaan door [naam3] . Na de zitting is een proces-verbaal van de comparitiezitting aan partijen toegezonden.
1.8.
Op 8 januari 2025 heeft een derde comparitiezitting plaatsgevonden. Namens belanghebbende is gemachtigde, mr. D.A.N. Bartels, verschenen en namens de heffingsambtenaar is verschenen mr. [naam4] , bijgestaan door [naam5] . Na de zitting is een proces-verbaal van de comparitiezitting aan partijen toegezonden.
1.9.
Partijen hebben voorafgaand aan de comparitiezittingen en het onderzoek ter zitting nadere stukken ingediend.
1.10.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2025. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. D.A.N. Bartels namens belanghebbende en mr. [naam4] namens de heffingsambtenaar, bijgestaan door mr. [naam2] en [naam5] . Na de zitting is een proces-verbaal aan partijen toegezonden.

2.Vaststaande feiten

2.1.
De heffingsambtenaar heeft in de uitspraak op bezwaar het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat geen geldige machtiging is overgelegd. De gemachtigde heeft namens belanghebbende op 30 december 2022 beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar. Bij die brief is geen machtiging overgelegd.
2.2.
De Rechtbank heeft de gemachtigde bij brief van 17 december 2021 in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen door het overleggen van een machtiging.
2.3.
De gemachtigde heeft bij brieven van 1 februari 2022 verschillende machtigingen overgelegd.
2.4.
De Rechtbank heeft bij aangetekende brief van 22 april 2022 nogmaals gewezen op het ontbreken van een toereikende machtiging en gelegenheid gegeven het verzuim te herstellen door het overleggen van een machtiging. Daarbij heeft de Rechtbank aangegeven dat dit binnen vier weken moet zijn ingediend en dat om uitstel van die termijn kan worden gevraagd uiterlijk een week voor afloop van deze termijn onder vermelding van redenen. Tot slot heeft de Rechtbank aangegeven dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard als het verzuim niet tijdig wordt hersteld.
2.5.
De gemachtigde heeft bij brief van 17 mei 2022, door de Rechtbank op 29 juni 2022 ontvangen, een machtiging overgelegd van een andere belanghebbende.
2.6.
De Rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat geen toereikende volmacht is overgelegd, aangezien de op 1 februari 2022 en 17 mei 2022 overgelegde machtiging van andere belanghebbenden of onleesbaar zijn. De Rechtbank heeft het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen omdat de redelijke termijn nog niet was overschreden.

3.Geschil

3.1.
In geschil is of de beroepen terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard. Belanghebbende meent van niet, de heffingsambtenaar is de tegengestelde mening toegedaan.
3.2.
Voorts is in geschil of het verzoek om vergoeding van immateriële schade terecht is afgewezen.
3.3.
Daarnaast heeft belanghebbende in hoger beroep eveneens verzocht om vergoeding van immateriële schade, indien de redelijke termijn wordt overschreden.

4.Beoordeling van het geschil

Vooraf: clustergewijze behandeling
4.1.
De onderhavige zaken staan niet op zichzelf, maar maken onderdeel uit van een cluster van zaken (hierna: het cluster). Dit cluster bestaat uit alle hoger beroepen – bij het Hof ingekomen tot medio oktober 2024 – die zijn ingesteld door de gemachtigde tegen uitspraken van de Rechtbank waarbij de heffingsambtenaar het verwerend bestuursorgaan is. Het cluster omvat 423 zaaknummers, verdeeld over 177 aangevallen uitspraken ten name van 126 belanghebbenden.
4.2.
Het Hof heeft bij brief van 19 september 2024 het initiatief genomen om in overleg met partijen – zijnde de gemachtigde, de heffingsambtenaar en uiteindelijk ook de Staat – te komen tot een effectievere wijze van afdoening van de zaken die tot dit cluster behoren. De reden voor dit initiatief is de constatering dat in een zeer omvangrijk aantal zaken (nagenoeg) gelijkluidende geschilpunten spelen. Een individuele afdoeningswijze heeft dan geen meerwaarde en leidt bovendien tot onnodige en ongewenste vertraging in de afdoening, ook van andere bij het Hof aanhangige zaken. Het Hof heeft partijen daarom uitgenodigd om tijdens een comparitiezitting op een zaaksoverstijgende wijze in gesprek te gaan over de mogelijkheden van een effectievere behandeling en daarnaast om te onderzoeken of het wenselijk is om ook voor (andere) knelpunten in de samenwerking tussen de gemachtigde en de heffingsambtenaar oplossingen te vinden.
4.3.
Namens de heffingsambtenaar is na de (digitale) comparitiezitting van 13 december 2024 aangegeven dat deze geen schikking wilde beproeven. Vervolgens heeft het Hof bij brief van 19 december 2024 partijen uitgenodigd voor de regiezitting van 8 januari 2025. In die brief heeft het Hof aangekondigd afspraken te willen maken over de behandelwijze en planning van de zaken van het cluster. In de meegezonden agenda heeft het Hof een onderscheid gemaakt in de behandeling van (A) zaken met een formeel probleem in de voorfase van het hoger beroep, (B) zaken waarin een formeel probleem speelde bij de heffingsambtenaar en/of de Rechtbank en (C) zaken waarin in hoger beroep het materiële geschilpunt aan de orde is. Daarnaast heeft het Hof als afzonderlijk agendapunt benoemd de behandeling van de in die zaken gelijkluidende geschilpunten over de redelijke termijn en bijbehorende nevenbeslissingen in beroep. Het cluster is vervolgens op de zitting van 19 maart 2025 inhoudelijk behandeld. In een deel van het cluster, waaronder de onderhavige zaken, is het onderzoek vervolgens gesloten. In een ander deel is het onderzoek voortgezet. Het Hof heeft partijen nogmaals een voorstel voor een schikking gedaan, maar ook dat is door de heffingsambtenaar, op 18 april 2025, afgewezen. Vervolgens zijn de resterende zaken verder behandeld.
Is het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard omdat niet tijdig een machtiging is overgelegd?
4.4.
Een beroepschrift kan op grond van artikel 6:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) niet-ontvankelijk worden verklaard indien niet is voldaan aan artikel 6:5 van Pro de Awb of enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
4.5.
Een bezwaar- of beroepschrift moet op grond van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb worden ondertekend en bevat in ieder geval de naam van degene die het indient. Als een beroepschrift wordt ingediend door iemand die stelt daartoe gemachtigd te zijn, dan moet bij het beroepschrift bewijs van die machtiging worden overgelegd. Als een schriftelijke machtiging niet bij het beroepschrift wordt overgelegd, dan bevat het beroepschrift in zoverre een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 van Pro de Awb. [1]
4.6.
De Rechtbank heeft belanghebbende tot tweemaal toe in de gelegenheid gesteld om een schriftelijke machtiging over te leggen waaruit kan worden afgeleid dat de gemachtigde is gemachtigd namens belanghebbende beroep in te stellen. Binnen de termijn die de Rechtbank daarbij heeft gegeven om het verzuim te herstellen heeft de gemachtigde geen (geldige) machtiging overgelegd.
4.7.
In hoger beroep heeft de gemachtigde aangevoerd dat hij geen brief heeft ontvangen waarin hij op het verzuim is gewezen. Daarnaast heeft de gemachtigde aangevoerd dat hij meerdere zaken heeft lopen namens deze belanghebbende, zodat aannemelijk was dat hij ook voor deze beroepsprocedure was gemachtigd.
4.8.
De gemachtigde heeft op beide brieven gereageerd (zie 2.3. en 2.5). Uit de uitspraak volgt daarnaast dat de Rechtbank onderzoek heeft gedaan naar het Track & Trace-systeem van PostNL en dat daaruit is gebleken dat de tweede brief is afgehaald en dat voor ontvangst is getekend. Het Hof ziet in de enkele, niet onderbouwde ontkenning van de ontvangst geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van dit onderzoek en aangenomen moet daarom worden dat gemachtigde kennis heeft genomen van het verzuim en de mogelijkheid om het te herstellen binnen de termijn.
4.9.
Dat belanghebbende meerdere zaken heeft lopen en daarom aannemelijk was dat de gemachtigde ook voor de procedure in beroep was gemachtigd doet – veronderstellenderwijs uitgaande van de juistheid van deze stelling – naar het oordeel van het Hof niet af aan het bestaan van het verzuim. Voor ieder ingesteld rechtsmiddel moet kunnen worden vastgesteld dat het is ingesteld door iemand die daartoe is gerechtigd. Als het rechtsmiddel door een ander namens diegene is ingesteld, moet bovendien vastgesteld kunnen worden dat die ander daadwerkelijk daartoe is gevolmachtigd. In het belang van een efficiënte rechtspleging mag van rechthebbenden en hun gemachtigden worden verlangd dat zij de rechter in staat stellen om binnen een redelijke termijn en op eenvoudige wijze te kunnen beoordelen of een rechtsmiddel bevoegdelijk is ingesteld, in dit geval door de rechter binnen een redelijke termijn van alle benodigde schriftelijke bewijsstukken te voorzien. Dit geldt in het bijzonder voor gevallen als deze, waarin – zoals het Hof op 24 juni 2025 [2] reeds eerder uitvoerig heeft geoordeeld – sprake is van een beroepsmatig rechtsbijstandverlener die grote aantallen beroepen instelt maar vervolgens op onprofessionele en chaotische wijze procedeert met als (beoogd) gevolg dat het gebruikelijke werkproces van een gerecht ernstig wordt gehinderd. In zo’n geval is het van belang dat het de rechter, na het bieden van de mogelijkheid om het verzuim te herstellen, vrij staat om te kunnen bepalen hoe een zaak vervolgens wordt behandeld. Het past daarbij niet dat buiten de gestelde termijn nog de vertegenwoordigingsbevoegdheid aannemelijk gemaakt kan worden. Dit zou tot gevolg hebben dat de zaak weer zou moeten worden teruggewezen naar het vooronderzoek om vervolgens weer inhoudelijk op een zitting te worden behandeld met alle vertraging en verlies van zittingscapaciteit van dien. Gelet hierop, en omdat de gemachtigde al jaren op grote schaal procedeert in vergelijkbare zaken en volledig op de hoogte is van de vereisten voor een toereikende machtiging, en omdat van enige reden van verschoonbaarheid niet is gebleken, heeft de Rechtbank onder deze omstandigheden zonder schending van enige rechtsregel het beroep niet-ontvankelijk kunnen verklaren. Hieruit volgt, tot slot, dat het verzuim in dit geval niet meer kon worden hersteld doordat de gemachtigde op de ochtend van de zitting bij de Rechtbank alsnog een machtiging heeft toegezonden per e-mail.
4.10.
Verder heeft de gemachtigde nog gesteld dat de heffingsambtenaar beschikte over de machtiging en dat die de machtiging kon toesturen. Zoals hierboven al is geoordeeld, moet de bestuursrechter in staat worden gesteld om binnen een redelijke termijn en op eenvoudige wijze te kunnen vaststellen of, indien een rechtsmiddel door een ander is ingesteld, dat bevoegdelijk is gedaan. De verplichting om een machtiging tijdig ter beschikking te stellen rust op degene die stelt bevoegd te zijn. Hierbij past niet dat diegene zich aan zijn verplichting kan onttrekken door te verwijzen naar de op de zaak betrekking hebbende stukken, terwijl die stukken er nog niet zijn en nog niet vaststaat dat het rechtsmiddel bevoegdelijk is ingesteld. Daarbij past evenmin dat de bestuursrechter ambtshalve die stukken zou onderzoeken om te beoordelen of zich daarin een geldige machtiging bevindt, alsmede stukken op grond waarvan die geldigheid zo nodig kan worden onderzocht.
4.11.
Het voorgaande brengt met zich mee dat voor het verzoek om vergoeding van immateriële schade in beroep ervan moet worden uitgegaan dat de gemachtigde het verzoek niet namens belanghebbende heeft gedaan. De Rechtbank heeft het verzoek dan ook terecht op die grond afgewezen, ongeacht de vraag of de redelijke termijn in eerste aanleg was overschreden.
4.12.
Gelet hierop is het hoger beroep ongegrond.
Redelijke termijn in hoger beroep
4.13.
Belanghebbende heeft voor de hogerberoepsfase ook verzocht om toekenning van een vergoeding van immateriële schade vanwege een overschrijding van de redelijke termijn. De redelijke termijn voor het doen van uitspraak in hoger beroep bedraagt twee jaar. Dat betekent dat in deze procedure de redelijke termijn is overschreden met minder dan twaalf maanden. Als compensatie voor deze overschrijding volstaat het Hof met de constatering ervan, nu het Hof niet aannemelijk acht dat het financiële belang bij de procedure in hoger beroep € 1.000 of meer bedraagt. [3] Belanghebbende heeft weliswaar bij brief van 13 maart 2025 zich op het standpunt gesteld dat het belang in alle voorliggende zaken meer dan € 1.000 beloopt, maar dit standpunt acht het Hof gezien de onderbouwing die gemachtigde daarvoor geeft (te weten: dat het belang meer dan € 1.000 is aangezien de mogelijkheid bestaat dat de gehele aanslag dient te worden vernietigd) evident tegen beter weten in ingenomen, zodat het Hof het daarmee samenhangend financieel effect buitenbeschouwing laat. [4] Ook overigens heeft belanghebbende geen (concrete) onderbouwing naar voren gebracht voor het standpunt dat het belang meer dan € 1.000 is.

5.Griffierecht en proceskosten

Nu het Hof het hoger beroep ongegrond verklaart, bestaat geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenvergoeding.

6.Beslissing

Het Hof:
– bevestigt de uitspraak van de Rechtbank, en
– wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade in hoger beroep af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.W. van de Sande, voorzitter, mr. V.F.R. Woeltjes en mr. T. Tanghe, in tegenwoordigheid van mr. J. Hollander als griffier.
De beslissing is op 16 december 2025 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(J. Hollander) (J.M.W. van de Sande)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Hoge Raad 10 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:2.
2.Hof Arnhem-Leeuwarden 24 juni 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:3894.
3.Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853.
4.Vlg. Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.3.3, laatste volzin.