ECLI:NL:GHARL:2025:8396

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
200.359.762
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling en vervroeging van de termijn

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 19 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over de toelating van de appellant tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (wsnp). De appellant had eerder, op 24 september 2025, een afwijzing van de rechtbank Midden-Nederland ontvangen op zijn verzoek om toelating tot de wsnp. Het hof heeft vastgesteld dat de appellant in de drie jaren voorafgaand aan zijn verzoek te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden. De rechtbank had eerder geoordeeld dat de appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij te goeder trouw was, maar het hof heeft deze conclusie verworpen. Het hof heeft ook geoordeeld dat de appellant voldoende inspanningen heeft geleverd om zijn schulden te voldoen en dat de informatieplicht inmiddels is nageleefd. Het hof heeft de ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling vastgesteld op 19 juni 2024, met een verlenging van zes maanden van de termijn van de wsnp. De appellant is gedurende deze verlenging ontheven van de verplichting tot afdracht aan de boedel en van zijn inspanningsverplichting. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd en de toepassing van de wsnp uitgesproken.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.359.762
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht 594869
arrest van 19 december 2025
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats1]
die hoger beroep heeft ingesteld
hierna: [appellant]
advocaat: mr. S. van Beers

1.De procedure bij de rechtbank

1.1.
Bij vonnis van 24 september 2025 heeft de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht (hierna: de rechtbank) het verzoek van [appellant] van 6 juni 2025 om te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (hierna: de wsnp) afgewezen. Het hof verwijst naar dat vonnis.

2.De procedure bij het hof

2.1.
Door middel van een op 30 september 2025 bij het hof binnengekomen beroepschrift heeft [appellant] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 24 september 2025. De bedoeling van het hoger beroep is dat [appellant] alsnog wordt toegelaten tot de wsnp.
2.2.
Het hof heeft naast het beroepschrift met producties kennis genomen van:
  • de brief van mr. Van Beers van 15 oktober 2025 met een aanvullende productie
  • de brief van mr. Van Beers van 20 november 2025 met aanvullende producties
  • de brief van mr. Van Beers van 21 november 2025 met aanvullende producties
  • de brief van mr. Van Beers van 4 december 2025 met aanvullende producties
  • de brief van mr. Van Beers van 15 december 2025 met aanvullende producties.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 november 2025. Hierbij is [appellant] verschenen bijgestaan door mr. Van Beers. Tijdens de mondelinge behandeling heeft het hof [appellant] verzocht aanvullende informatie te verstrekken. Deze informatie is op 4 en 15 december 2025 door het hof ontvangen.

3.De motivering van de beslissing in hoger beroep

De feiten
3.1.
[appellant] heeft in 2010 zijn baan in loondienst opgezegd en heeft samen met zijn broer [appellant] Endo B.V. opgericht. Als gevolg van, onder meer, een onvoorzien concurrentieverbod is de door [appellant] Endo B.V. geëxploiteerde onderneming niet van de grond gekomen. Deze B.V. is op 16 augustus 2018 failliet verklaard. Het faillissement is op 25 augustus 2020 opgeheven wegens gebrek aan baten. In 2010 heeft [appellant] Florence Beheer B.V. opgericht. Florence Beheer B.V. houdt samen met de beheervennootschap van de broer van [appellant] de aandelen in [appellant] Surgical B.V. die, ook via andere vennootschappen, actief is op het gebied van tandheelkundige zorgproducten. Op 28 oktober 2021 heeft [appellant] zijn aandelen in Florence Beheer B.V. overgedragen aan de beheervennootschap van zijn broer. Vanwege een negatief eigen vermogen van € 11.313,- in Florence Beheer B.V. per eind 2019 is de koopprijs voor de aandelen bepaald op € 1,-. Blijkens de jaarrekening over 2020 is het negatief eigen vermogen per eind 2020 opgelopen tot € 15.327,-. [appellant] is niet langer werkzaam als zelfstandig ondernemer. Vanaf 1 november 2021 is [appellant] werkzaam in loondienst bij [appellant] Surgical B.V. voor 40 uur per week op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met een bruto salaris van € 3.259,-.
3.2.
[appellant] is op 26 februari 2008 gescheiden van zijn toenmalige echtgenote en heeft van 2007 tot 2020 partneralimentatie moeten betalen. Als gevolg van, onder meer, de schuldenlast die resteerde na het faillissement van [appellant] Endo B.V. is er vanaf 2012 een achterstand ontstaan in de betaling van de partneralimentatie. Verzoeken tot nihilstelling die [appellant] heeft gedaan zijn afgewezen, kort gezegd omdat het inkomensverlies uit 2010 aan hem werd verweten. Vanwege de niet (volledig) betaalde partneralimentatie heeft het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) van februari 2022 tot en met 7 augustus 2023 loonbeslag gelegd onder [appellant] Surgical B.V. In verband met de openstaande alimentatieverplichtingen heeft de ex-echtgenote van [appellant] op 18 januari 2024 eveneens loonbeslag gelegd onder [appellant] Surgical B.V. Dit beslag loopt nog door.
3.3.
[appellant] deelt een woning met een latere ex-partner. Beiden delen de woon- en overige vaste lasten, waarbij de ex-partner feitelijk de kosten voldoet en [appellant] aan haar een vast bedrag betaalt van € 1.250,- per maand. De huur van de woning bedraagt € 1.413,87 per maand.
3.4.
Op 30 januari 2022 heeft [appellant] een schuldregelingsovereenkomst getekend met Zuidweg & Partners B.V. Naast de afdracht via de loonbeslagen onder [appellant] Surgical B.V. heeft [appellant] van februari 2022 tot en met februari 2024 maandelijks een bedrag gespaard ten behoeve van zijn schuldeisers; tijdens het loonbeslag van LBIO € 54,- per maand en na afloop daarvan ongeveer € 900,- per maand totdat de ex-echtgenote loonbeslag legde. Het eerste bedrag is op de spaarrekening bijgeschreven op 11 februari 2022. Bij de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [appellant] verklaard dat dit bedrag ter beschikking zal worden gesteld aan de bewindvoerder en ten goede zal komen aan de boedel.
3.5.
De schuldenlast van [appellant] bedroeg ten tijde van het indienen van het verzoekschrift € 412.515,58. Uit de nadien overgelegde stukken en de verklaringen bij de mondelinge behandeling in hoger beroep blijkt dat er geen crediteuren zijn bijgekomen, dat op de schuld aan de ex-echtgenote is afgelost (via het beslag) en dat op enkele andere schulden de rente is toegenomen. De schulden zijn ontstaan voor 3 juni 2022, afgezien van een in omvang beperkte schuld aan inkomstenbelasting.
Het oordeel van de rechtbank
3.6.
De rechtbank heeft het verzoek van [appellant] tot toepassing van de wsnp afgewezen omdat [appellant] naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de vijf jaren voorafgaand aan zijn verzoek te goeder trouw is geweest ten aanzien van het onbetaald laten van zijn schulden. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat het niet aannemelijk is dat [appellant] zich zal houden aan de informatieverplichting omdat de ex-partner met wie hij samenwoont niet bereid was om inkomensgegevens te verstrekken.
De grieven van [appellant]
3.7.
[appellant] is het niet eens met het oordeel van de rechtbank. [appellant] voert aan dat de rechtbank bij het beoordelen van de goede trouw ten onrechte is uitgegaan van een vijfjaarstermijn. Bovendien is hij te goeder trouw ten aanzien van de schuld wegens achterstallige partneralimentatie en heeft hij zijn schuldeisers niet benadeeld door zijn aandelen in Florence Beheer B.V. te verkopen voor een bedrag van € 1,-, aldus [appellant] . Volgens [appellant] heeft hij een volledig inzicht verstrekt in zijn financiële gegevens en kan het hem niet worden toegerekend dat zijn ex-partner (aanvankelijk) niet bereid was haar inkomensgegevens te verstrekken. Tot slot voert [appellant] aan dat hij de afgelopen jaren heeft laten zien dat hij financieel stabiel is en dat er sprake is van een keer ten goede.
Het oordeel van het hof
De goede trouw
3.8.
Op grond van artikel 288 lid 1 aanhef en onder b Fw is het aan [appellant] om aannemelijk te maken dat hij in de drie jaren voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden.
3.9.
De schulden zijn voorafgaand aan deze driejaarstermijn ontstaan, met uitzondering van een schuld aan de belastingdienst, voor een relatief zeer gering bedrag. Van deze schuld is overigens niet gebleken dat [appellant] ter zake van het ontstaan daarvan niet te goeder is geweest. Wat betreft het onbetaald laten van de schulden overweegt het hof als volgt.
3.10.
De overdracht van de aandelen in Florence Beheer B.V. heeft plaatsgevonden voor aanvang van de driejaarstermijn van artikel 288 lid 1 aanhef en onder b Fw. Dit betekent dat de vraag of [appellant] vanwege deze aandelenoverdracht niet te goeder trouw is geweest ten aanzien van het onbetaald laten van zijn schulden onbesproken kan blijven. Overigens geldt dat - gelet op het uit de jaarstukken blijkende negatieve eigen vermogen in Florence Beheer B.V. - uit de koopsom van € 1,- niet blijkt dat de aandelentransactie niet tegen marktconforme voorwaarden heeft plaatsgevonden. Daar komt bij dat uit de koopovereenkomst en de toelichting van [appellant] tijdens de mondelinge behandeling bij het hof volgt dat [appellant] geen voordeel heeft overgehouden of dat in de toekomst nog zal overhouden aan deze aandelentransactie. Dit betekent dat uit de verkoop van de aandelen in Florence Beheer B.V. niet kan worden afgeleid dat [appellant] in de drie jaren voorafgaand aan het verzoek niet te goeder trouw is geweest ten aanzien van het onbetaald laten van zijn schulden. Overigens is het - met uitzondering van één restantbetaling in 2022 - niet aannemelijk dat [appellant] na de verkoop van zijn aandelen nog betalingen heeft ontvangen van Florence Beheer B.V. Weliswaar heeft [appellant] Surgical B.V. ook in de afgelopen drie jaren betalingen verricht aan Florence Beheer B.V., maar daaruit volgt niet dat deze betalingen hebben geleid tot inkomsten voor [appellant] zelf, die geen aandeelhouder en bestuurder meer is.
3.11.
Anders dan de rechtbank overweegt, maken de omstandigheden die er toe hebben geleid dat [appellant] vanaf 2012 niet meer (volledig) heeft voldaan aan zijn partneralimentatieverplichtingen niet dat hij niet te goeder trouw is in de zin van artikel 288 lid 1 aanhef en onder b Fw. Het hof stelt vast dat de schuld vanwege het niet voldoen aan die alimentatieverplichting is ontstaan in de jaren 2012 tot en met 2020, dus ruim voor de driejaarstermijn van artikel 288 lid 1 aanhef en onder b Fw. Ook de omstandigheden die er daarna toe hebben geleid dat [appellant] niet kon voldoen dateren van voor het begin van die termijn. Daarbij doelt het hof op de omstandigheden die er toe hebben geleid dat [appellant] - nadat hij in 2010 zijn baan in loondienst had opgezegd - het ondernemerschap vanwege tegenvallende bedrijfsresultaten in 2021 heeft moeten beëindigen met een aanzienlijke restschuld en een baan in loondienst tegen een minder goed salaris heeft moeten aanvaarden. Die omstandigheden maken dus niet dat [appellant] niet te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van deze schuld. Overigens geldt dat [appellant] de verschuldigde partneralimentatie in de afgelopen drie jaren niet (geheel) onbetaald heeft gelaten aangezien hij - met het loonbeslag dat is gelegd onder [appellant] Surgical B.V. - sinds februari 2022 op deze schuld heeft afgelost.
3.12.
Het voorgaande brengt mee dat [appellant] aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de drie jaren voor zijn verzoek om toelating tot de wsnp te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden.
De informatieplicht
3.13.
Op grond van artikel 288 lid 1 aanhef en onder c Fw kan [appellant] worden toegelaten tot de wsnp als voldoende aannemelijk is geworden dat hij de uit de regeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal kunnen nakomen en hij zich voldoende zal inspannen om zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.
3.14.
De rechtbank heeft haar oordeel dat het niet aannemelijk is dat [appellant] zich zal houden aan de in het kader van de wsnp geldende informatieplicht gebaseerd op de weigerachtige houding van de ex-partner, met wie [appellant] samenwoont, om informatie over haar inkomen te verstrekken. Aangezien de ex-partner van [appellant] deze informatie inmiddels alsnog heeft verstrekt, is de aanleiding voor het gebrek aan vertrouwen op dit punt naar het oordeel van het hof komen te vervallen. Hoewel [appellant] pas in een zeer laat stadium de voor zijn toelatingsverzoek noodzakelijke informatie heeft gecompleteerd, is voor het overige niet gebleken dat [appellant] de uit de regeling voortvloeiende (informatie-) verplichtingen niet zal kunnen nakomen.
3.15.
Het voorgaande brengt mee dat [appellant] zal worden toegelaten tot de wsnp.
De aanvang van de termijn van de wsnp
3.16.
Op grond van artikel 349a lid 1 Fw bedraagt de termijn van de schuldsaneringsregeling anderhalf jaar. Die termijn vangt aan (a) op de dag van de uitspraak tot toepassing van de wsnp, of (b) op de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling als bedoeld in artikel 285 lid 1 onder f Fw (hierna: het alternatieve aanvangsmoment). De rechter moet het alternatieve aanvangsmoment ambtshalve toepassen als aan de daarvoor geldende voorwaarden is voldaan. [1]
3.17.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat ‘de eerste aflossing in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling’ uit artikel 349a lid 1 Fw ziet op de dag waarop de eerste aflossing is gedaan tijdens het minnelijk traject van schuldhulpverlening. Daarbij worden als ‘de eerste aflossing’ onder andere aangemerkt een aflossing die ten goede is gekomen aan de gezamenlijke schuldeisers, een aflossing aan een of enkele schuldeisers uit hoofde van een ten laste van de schuldenaar gelegd beslag en een eerste gespaard bedrag tijdens het minnelijk traject van schuldhulpverlening.
Om in aanmerking te komen voor vervroeging van het aanvangsmoment van de termijn van de schuldsaneringsregeling, moet de schuldenaar tijdens het minnelijk voortraject hebben voldaan aan de verplichtingen die uit dat traject voortvloeien. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijk voortraject maximaal, op basis van de normen die gelden voor het berekenen van het vrij te laten bedrag, moet aflossen op zijn schulden en dat hij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven.
Bij het hanteren van het alternatieve aanvangsmoment moet de rechter de termijn van de schuldsaneringsregeling, met overeenkomstige toepassing van de verlengingsbevoegdheid van artikel 349a lid 1 Fw, zodanig vaststellen dat, in het na de uitspraak resterende gedeelte van die termijn, de bewindvoerder zijn verslag kan opmaken en indienen en de rechter de eindzitting kan bepalen. Ten behoeve van de rechtsgelijkheid bij de toepassing van de schuldsaneringsregeling kan de rechter daarbij als uitgangspunt hanteren dat voor die stappen een half jaar nodig is, en de termijn van de schuldsaneringsregeling dus zodanig verlengen dat die regeling vanaf de uitspraak ten minste een half jaar wordt toegepast. Voor zover de rechter met het oog hierop de (formele) termijn van de schuldsaneringsregeling heeft verlengd, is de schuldenaar gedurende dat gedeelte van de termijn ontheven van de verplichting tot afdracht aan de boedel en van zijn inspanningsverplichting. De medewerkings- en informatieplichten van de schuldenaar ten opzichte van de bewindvoerder (artikel 327 Fw in verbinding met artikel 105-105a Fw) gelden in die periode wel. [2]
3.18.
[appellant] heeft op 30 januari 2022 een schuldregelingsovereenkomst getekend met Zuidweg & Partners B.V. Uit de door [appellant] overgelegde stukken blijkt dat het eerste bedrag is gespaard op 11 februari 2022. [appellant] heeft in het minnelijke traject en onder de beslagen al langer afgelost dan de vereiste anderhalf jaar. Hij heeft dat gedaan al voor hij het verzoek heeft ingediend en is ook al begonnen met aflossen voordat de wettelijke termijn werd verkort van drie naar anderhalf jaar. [appellant] heeft in het kader van het minnelijk traject, binnen zijn mogelijkheden, zoals door hem ook is toegelicht tijdens de mondelinge behandeling bij het hof, maximaal afgelost gelet op het beslag op zijn inkomen boven de beslagvrije voet en de reserveringen ten gunste van zijn gezamenlijke schuldeisers op de momenten dat er geen beslag op zijn inkomen lag. Verder is voldoende gebleken dat [appellant] tijdens het minnelijk voortraject heeft voldaan aan de (overige) verplichtingen die uit dat traject voortvloeien. Gelet op die omstandigheden, en omdat het hof voor deze doeleinden niet verder terugkijkt dan de huidige maximale wettelijke termijn van anderhalf jaar, zal het hof het aanvangsmoment bepalen op anderhalf jaar voor de uitspraak, dus op 19 juni 2024. Het hof gaat er daarbij van uit, dat de in het minnelijk traject gespaarde bedragen en de ten gunste van zijn gezamenlijke schuldeisers gemaakte reserveringen, nu daar verder ook door [appellant] niets nader over is gesteld of aangevoerd, ter beschikking worden gesteld aan de bewindvoerder voor de afwikkeling van de schuldsanering.
3.19.
Gelet op hetgeen hiervoor onder 3.17 is vermeld ten aanzien van tijd die is gemoeid met de formele afwikkeling van de schuldsaneringsregeling, zal de termijn van de schuldsaneringsregeling worden verlengd met zes maanden vanaf de datum van dit arrest. Tijdens deze verlenging is [appellant] ontheven van de verplichting tot afdracht aan de boedel en van zijn inspanningsverplichting.
Conclusie
3.20.
Het hoger beroep slaagt. Het hof zal beslissen zoals hierna is vermeld.

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
vernietigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht van 24 september 2025, en opnieuw recht doende;
4.2.
spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellant] uit;
4.3.
stelt de ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling vast op 19 juni 2024;
4.4.
beveelt [appellant] het gespaarde bedrag ter beschikking te stellen aan de bewindvoerder;
4.5.
bepaalt dat de termijn van de schuldsaneringsregeling wordt verlengd met zes maanden vanaf heden, waarbij [appellant] gedurende deze verlenging is ontheven van de verplichting tot afdracht aan de boedel en van zijn inspanningsverplichting;
4.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. G.P. Oosterhoff, P.J. van der Korst en J.G.B. Pikkemaat en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 december 2025.

Voetnoten

1.Hoge Raad 20 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1913 r.o. 3.7
2.Hoge Raad 20 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1913.