De appellant heeft in 2010 zijn baan opgezegd en diverse ondernemingen opgericht, waarvan één failliet ging. Door een onvoorzien concurrentieverbod en negatieve bedrijfsresultaten ontstond een aanzienlijke schuldenlast. De rechtbank wees het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (wsnp) af wegens onvoldoende bewijs van goede trouw en twijfels over de informatieplicht.
In hoger beroep stelde het hof vast dat de appellant in de drie jaar voorafgaand aan het verzoek te goeder trouw was geweest, mede omdat de schulden grotendeels vóór die periode waren ontstaan en de appellant sinds februari 2022 aflossingen verrichtte. Ook was de aanvankelijke weigering van de ex-partner om inkomensgegevens te verstrekken inmiddels opgeheven, waardoor de informatieplicht naar het oordeel van het hof voldoende werd nageleefd.
Het hof bepaalde het aanvangsmoment van de wsnp op anderhalf jaar voor de uitspraak, omdat de appellant reeds in het minnelijk traject aflossingen had gedaan en aan de verplichtingen had voldaan. De termijn van de regeling werd verlengd met zes maanden om de formele afwikkeling mogelijk te maken, waarbij de appellant gedurende deze verlenging ontheven is van afdracht en inspanningsverplichting.
Het hoger beroep werd gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en de toelating tot de wsnp uitgesproken met de genoemde voorwaarden en termijnen.