ECLI:NL:GHARL:2025:8404

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
23/132
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake naheffingsaanslag BPM en kostenvergoeding

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 16 december 2025 uitspraak gedaan in het hoger beroep van V.O.F. tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 29 november 2022. De zaak betreft een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) die aan belanghebbende was opgelegd. De naheffingsaanslag van € 4.160 werd door de Inspecteur verminderd tot € 3.632 na bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde. Tijdens de zitting op 3 december 2025 werd de bewijslast met betrekking tot de waardevermindering wegens schade aan de auto besproken. Het Hof oordeelde dat de Inspecteur terecht geen schade in aanmerking had genomen, omdat het taxatierapport niet voldeed aan de wettelijke eisen. Het Hof oordeelde echter ook dat belanghebbende recht had op een kostenvergoeding voor het bezwaar, omdat de naheffingsaanslag onrechtmatig was herroepen. Daarnaast werd belanghebbende een vergoeding van immateriële schade toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. De totale proceskostenvergoeding werd vastgesteld op € 2.094, inclusief griffierechten van € 597.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 23/132
uitspraakdatum: 16 december 2025
Uitspraak van de tiende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
V.O.F. [belanghebbende]te
[vestigingsplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 29 november 2022, nummer AWB 21/4837 in het geding tussen belanghebbende en
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen/Team auto bpm(hierna: de Inspecteur)
en
de Staat der Nederlanden(Minister van Justitie en Veiligheid; hierna: de Staat)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd van € 4.160.
1.2.
Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft in zijn uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag verminderd tot € 3.632.
1.3.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5
Op 27 november 2024 en 2 april 2025 hebben regiezittingen plaatsgevonden waar BPM-zaken aan de orde zijn geweest die bij het Hof aanhangig waren en waarin de gemachtigde van belanghebbende namens verschillende belanghebbenden als procesvertegenwoordiger optrad, waaronder de onderhavige zaak. In het kader van deze regiezittingen hebben partijen over en weer stukken uitgewisseld.
1.6.
Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 3 december 2025. Namens belanghebbende is mr. [naam1] verschenen. Namens de Inspecteur zijn mr. [naam2] en mr. [naam3] verschenen.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende heeft op 2 januari 2020 een uit Duitsland afkomstige gebruikte personenauto van het merk Seat (Ateca 2.0 TSI FR 4DRIVE; hierna: de auto) gekocht voor een bedrag van € 14.194 (excl. btw). De datum van eerste toelating van de auto is 14 maart 2019.
2.2.
De auto is op 17 februari 2020 door de RDW goedgekeurd. Belanghebbende heeft op 18 februari 2020 voor de auto aangifte BPM gedaan naar een verschuldigd bedrag van € 1.244. De daarbij gehanteerde vermindering (afschrijving) heeft belanghebbende berekend aan de hand van een door [naam4] van [bedrijf1] op 13 februari 2020 opgesteld taxatierapport. De schouw van de auto door deze taxateur heeft op 24 januari 2020 plaatsgevonden. De kilometerstand beliep toen 38.484. In het taxatierapport is onder meer – op basis van een schadecalculatie – uitgegaan van een bedrag aan herstelkosten wegens schade aan de auto van € 24.005 welk bedrag voor 100% als waardevermindering in aanmerking is genomen. De handelsinkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat heeft de taxateur bepaald op € 29.800 op basis van een koerslijst van Eurotax.
2.3.
Ondanks een verzoek daartoe van de Inspecteur heeft belanghebbende de auto niet getoond bij Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ).
2.4.
De Inspecteur heeft de onderhavige naheffingsaanslag BPM ten bedrage van € 4.160 aan belanghebbende opgelegd. De handelsinkoopwaarde van de auto heeft de Inspecteur bepaald op € 29.800 op basis van de koerslijst van Eurotax. De Inspecteur heeft geen rekening gehouden met een waardevermindering wegens schade.
2.5.
De tenaamstelling van de auto in het Nederlandse kentekenregister heeft op 6 november 2020 plaatsgevonden.
2.6.
Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar aangetekend. In dat kader heeft een hoorgesprek plaatsgevonden. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag verminderd tot 3.632. Dit vanwege de toepassing van de in de koerslijst Eurotax opgenomen waardeverminderende factoren ‘markt- en dealersituatie’. De Inspecteur heeft de aanspraak van belanghebbende op een kostenvergoeding voor het bezwaar afgewezen. De Rechtbank heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard.
2.7.
Belanghebbende heeft op 28 december 2022 hoger beroep tegen de uitspraak van de Rechtbank aangetekend.

3.Geschil

In hoger beroep is in geschil of de Inspecteur terecht heeft geweigerd een bedrag van € 24.005 in aanmerking te nemen wegens schade aan de auto. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend. Voorts is in geschil of belanghebbende recht heeft op een kostenvergoeding voor de bezwaarfase, welke vraag belanghebbende bevestigend en de Inspecteur ontkennend beantwoordt. Belanghebbende heeft tot slot aanspraak gemaakt op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.
De grief van belanghebbende inzake een waardevermindering wegens schadeverleden heeft zij ter zitting van het Hof uitdrukkelijk en ondubbelzinnig ingetrokken. Dat geldt evenzeer voor het in het hogerberoepschrift op bladzijde 3 (bovenaan) ingenomen subsidiaire standpunt inzake het tijdstip van waardebepaling van de auto.

4.Beoordeling van het geschil

Omvang schade
4.1.
De bewijslast met betrekking tot het in aanmerking nemen van een waardevermindering wegens schade rust op belanghebbende. Deze bewijslastverdeling brengt mee dat indien er twijfel bestaat over het door belanghebbende gestelde, dit ten nadele van belanghebbende werkt.
4.2.
Belanghebbende gaat naar het oordeel van het Hof terecht ervan uit dat de hoogte van de afschrijving van een gebruikte auto in een zaak als hier moet worden bepaald naar de staat van de auto ten tijde van het doen van aangifte (vgl. onder meer HR 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:317, r.o. 3.1.3 en 3.1.4 en HR 26 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:415, r.o. 3.5.2).
4.3.
Belanghebbende heeft ter zitting in hoger beroep desgevraagd uitdrukkelijk en ondubbelzinnig verklaard dat op het moment waarop zij aangifte heeft gedaan de in het taxatierapport vermelde schade aan de auto volledig was hersteld. De Inspecteur heeft zich in de eerste plaats op het standpunt gesteld dat het taxatierapport van belanghebbende niet bruikbaar is als bewijs voor de geclaimde afschrijving wegens schade. Het Hof deelt dat standpunt van de Inspecteur. De in het taxatierapport van belanghebbende vermelde staat van de auto komt immers niet overeen met de staat van de auto ten tijde van het doen van de aangifte (vgl. HR 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:147, r.o. 3.3.1). Dit betekent, gelet op hetgeen hiervoor in 4.2 is overwogen, dat het taxatierapport van belanghebbende niet voldoet aan de wettelijke eisen en daarom niet bruikbaar is. De omstandigheid dat een bij een aangifte gebruikt taxatierapport (op grond van goedkeurend beleid) een geldigheidsduur van één maand heeft, dat wil zegen dat het bij de aangifte gebruikte taxatierapport moet zijn opgemaakt uiterlijk één maand voordat de aangifte is ingediend (vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 18 november 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:7364), doet daaraan niet, aangezien daarbij wel de voorwaarde geldt dat de staat van de auto ten tijde van de taxatie dezelfde is als de staat van de auto ten tijde van het doen van de aangifte. Dat is hier niet het geval.
4.4.
De Inspecteur heeft terecht geen waardevermindering wegens schade in aanmerking genomen. De naheffingsaanslag, zoals verminderd in de uitspraak op bezwaar, is niet tot een te hoog bedrag vastgesteld.
Kostenvergoeding bezwaar
4.5.
Nu ten tijde van het doen van aangifte geen sprake was van ‘meer dan normale gebruiksschade’, de auto wel voorkomt op een koerslijst, en de Inspecteur bij het vaststellen van de naheffingsaanslag de vermindering (afschrijving) heeft bepaald op basis van de koerslijst Eurotax, is in deze zaak – anders dan de Inspecteur betoogt – niet de taxatiemethode aan de orde maar de koerslijstmethode (vgl. HR 28 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:248, r.o. 4.2.1). Dit betekent dat de Inspecteur uit eigen beweging de waardedrukkende factoren ‘marksituatie handelaar’ en ‘marksituatie’ uit de koerslijst van Eurotax had moeten toepassen (vgl. HR 28 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:248, r.o. 4.2.3). Nu de Inspecteur dit niet bij het opleggen van de naheffingsaanslag heeft gedaan maar – naar aanleiding van het bezwaar van belanghebbende – pas in de uitspraak op bezwaar, moet worden geconcludeerd dat de naheffingsaanslag in de uitspraak op bezwaar is herroepen wegens een aan de Inspecteur te wijten onrechtmatigheid, zodat belanghebbende recht heeft op een kostenvergoeding voor het bezwaar (vgl. HR 7 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:361 r.o. 3.4). Het hoger beroep van belanghebbende is in zoverre gegrond. Het Hof zal doen wat de Inspecteur en de Rechtbank had behoren te doen, en belanghebbende een kostenvergoeding voor het bezwaar toekennen. Berekend naar de tarieven van 2025 heeft belanghebbende recht op een kostenvergoeding voor het bezwaar van € 1.294 (2 punten x € 647).
Vergoeding immateriële schade
4.6.
Belanghebbende heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. In aanmerking genomen dat belanghebbende op 28 december 2022 hoger beroep heeft ingesteld en het Hof op 16 december 2025 uitspraak doet, is die aanspraak terecht. De redelijke termijn in hoger beroep van twee jaar is met meer dan zes maanden maar met minder dan 12 maanden overschreden. Redenen voor een termijnverlenging zijn hier niet aanwezig. Dit betekent dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van immateriële schade van € 1.000, te vergoeden door de Staat.
Slotsom
4.7.
Uit het hiervoor overwogene volgt dat het hoger beroep van belanghebbende gegrond is wat betreft de kostenvergoeding voor het bezwaar. Voorts dient aan belanghebbende de in 4.6 vermelde vergoeding van € 1.000 te worden toegekend.

5.Griffierecht en proceskosten

5.1.
Het Hof ziet aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Nu belanghebbende op een punt van ondergeschikt belang (alleen wat betreft de kostenvergoeding in bezwaar) in het gelijk wordt gesteld, past het Hof op grond van artikel 2, lid 2, van het Besluit proceskosten bestuursrecht een zodanige matiging toe dat de vergoeding wordt vastgesteld op € 400 voor het beroep en € 400 voor het hoger beroep. De kostenvergoeding voor het bezwaar beloopt € 1.294 (zie overweging 4.5).
5.2
In totaal beloopt de proceskostenvergoeding derhalve € 2.094 (€ 1.294 + € 400 + € 400).
5.3.
Opmerking hierbij verdient nog dat in geval een (hoger) beroep (in cassatie) gegrond wordt verklaard en uit dien hoofde een proceskostenvergoeding wordt toegekend, er geen punt wordt toegekend voor het verzoek tot vergoeding van immateriële schade. Dat is slechts het geval indien een ingesteld rechtsmiddel ongegrond wordt verklaard, maar wel een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegekend.
5.4.
Het Hof ziet voorts aanleiding voor vergoeding aan belanghebbende van de door haar voor het beroep en het hoger beroep betaalde griffierechten van in totaal € 597 (€ 49 plus € 548), te betalen door de Inspecteur.

6.Beslissing

Het Hof:
  • vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;
  • verklaart het beroep bij de Rechtbank gegrond;
  • bevestigt de uitspraak op bezwaar inzake de naheffingsaanslag;
  • veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het bezwaar van belanghebbende vastgesteld op € 1.294;
  • veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende voor het beroep en het hoger beroep van in totaal € 800;
  • veroordeelt de Staat tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade van € 1.000; en
  • gelast de Inspecteur aan belanghebbende te vergoeden de door haar betaalde griffierechten van in totaal € 597.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, lid van de tiende enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025.
De griffier, De raadsheer,
(E.D. Postema) (R. den Ouden)
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.