ECLI:NL:GHARL:2025:8416

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
24/973
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 40 lid 2 Wet WOZArt. 6:22 AwbArt. 7:15 lid 2 AwbArt. 30a lid 2 Wet WOZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen weigering proceskostenvergoeding en immateriële schadevergoeding bij WOZ-beschikking

Belanghebbende maakte bezwaar tegen een WOZ-beschikking en aanslag onroerendezaakbelastingen van de gemeente Hardenberg. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om proceskostenvergoeding en immateriële schadevergoeding af. Belanghebbende ging in hoger beroep.

Het hof stelde vast dat de heffingsambtenaar de toezendplicht had geschonden door niet tijdig gevraagde stukken te verstrekken, maar dat belanghebbende daardoor niet in zijn procesbelangen was geschaad. De rechtbank had ten onrechte geen proceskostenvergoeding en griffierecht toegekend. Het hof vernietigde dit deel van het vonnis.

Verder oordeelde het hof dat de redelijke termijn van twee jaar voor bezwaar en beroep was overschreden met minder dan zes maanden, zonder dat bijzondere omstandigheden deze termijn verlengden. Daarom was belanghebbende immateriële schadevergoeding van € 500 toe te kennen.

Het hof veroordeelde de heffingsambtenaar tot vergoeding van de proceskosten van € 498,85 en het betaalde griffierecht van € 188. De uitspraak werd gedaan door raadsheer Breij op 16 december 2025.

Uitkomst: Het hof kent proceskostenvergoeding en immateriële schadevergoeding toe wegens schending toezendplicht en overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem
nummer BK-ARN 24/973
uitspraakdatum: 16 december 2025
Uitspraak van de zevende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel (hierna: de Rechtbank) van 18 maart 2024, nummer ZWO 23/536, in het geding tussen belanghebbende en
de
heffingsambtenaarvan de
gemeente Hardenberg(hierna: de heffingsambtenaar)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) en een aanslag onroerendezaakbelastingen opgelegd.
1.2.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de beschikking en de aanslag gehandhaafd.
1.3.
De Rechtbank heeft het daartegen gerichte beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 november 2025. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. R. Schalke, gemachtigde van belanghebbende, en namens de heffingsambtenaar [naam1] .

2.Vaststaande feiten

2.1.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaarschrift ontvangen op 16 maart 2022. Belanghebbende heeft in het bezwaarschrift onder meer geschreven:
“IK verzoek u mij de taxatiekaart met vermelding van de koldu factoren te sturen zodat ik de waarde nader kan beoordelen. Voorts verzoek ik u mij de grondstaffel(s) te sturen.”
2.2.
Op 13 december 2022 heeft de heffingsambtenaar aan de gemachtigde van belanghebbende een e-mail gestuurd met de volgende tekst:
“(…) Bij nadere controle is gebleken dat u nog niet bent gehoord in deze zaak.
Aangezien het einde van het belastingjaar nadert zou ik graag alsnog een telefonische hoorzitting met u inplannen en wel op woensdag 21 december a.s. om 10.30 uur. Zonder andersluidend tegenbericht zal ik op dat tijdstip telefonisch contact met u opnemen op telefoonnummer (…)”
2.3.
Op 21 december 2022 om 11.00 uur heeft de heffingsambtenaar de gemachtigde van belanghebbende een e-mail gestuurd:
“In aansluiting op ons telefonisch onderhoud van zojuist deel ik u mee dat de voor vandaag ingeplande hoorzitting op uw verzoek wordt verplaatst naar woensdag 11 januari 2023 om 10.30 uur. (…)”
2.4.
De heffingsambtenaar heeft op 26 januari 2023 uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar afgewezen. Bij de uitspraak op bezwaar zijn de KOUDV-factoren verstrekt. De door de gemachtigde verzochte grondstaffel heeft hij in de bezwaarfase niet verstrekt.
2.5.
In zijn brief van 9 oktober 2023 aan de Rechtbank heeft de heffingsambtenaar geschreven:
“Middels uw brief van 2 oktober 2023 deelt u mij mee dat de rechtbank voornemens is bovenvermeld beroep op woensdag 6 december 2023 in de ochtend te behandelen.
Op genoemde datum blijkt echter de bij het bezwaar en beroep betrokken taxateur niet beschikbaar. Evenmin blijkt een vervanger beschikbaar. Omdat ik het wel van belang acht dat er een taxateur op de zitting aanwezig is verzoek ik u de zitting op een later tijdstip te houden.”
2.6.
In zijn brief van 16 november 2023 heeft de gemachtigde van belanghebbende aan de Rechtbank geschreven:
“De vooraankondigingsbrief heb ik ontvangen. Ik deel u mede dat ik de kerstvakantie afwezig ben en niet aanwezig kan zijn op de zitting van 5 januari 2024. Vanaf 8 januari ben ik niet meer verhinderd. Ik verzoek u de geplande zittingsdag te verplaatsen naar een dag die niet in de kerstvakantie valt. (…)”
2.7.
Belanghebbende heeft in zijn nader stuk van 26 januari 2024 in de beroepsprocedure onder meer opgenomen:
“Voor het geval de bezwaarprocedure en de onderhavige procedure langer zullen duren dan 2 jaar verzoek ik u namens belanghebbende een materiële schadevergoeding toe te kennen.”
2.8.
De zitting van de Rechtbank heeft plaatsgevonden op 7 februari 2024. In het proces-verbaal van de zitting staat dat de taxateur van de heffingsambtenaar daar heeft gezegd:
“De gemachtigde van eiser stelt ook nog immateriële schadevergoeding te moeten hebben. Aan wie moet die dan betaald worden?”
2.9.
De Rechtbank heeft belanghebbende in haar uitspraak van 18 maart 2024 in het ongelijk gesteld wat betreft het verzoek om proceskostenvergoeding in verband met het niet tijdig verzenden van de door de gemachtigde gevraagde stukken, gelet op het procedeergedrag van gemachtigde en omdat belanghebbende niet in zijn processuele belangen is geschaad. De Rechtbank is in de uitspraak niet ingegaan op het verzoek van belanghebbende om schadevergoeding.
2.10.
De heffingsambtenaar heeft in het verweerschrift in hoger beroep van 9 oktober 2024 het volgender geschreven:
“Zoals gemachtigde stelt zijn de door hem opgevraagde stukken in de bezwaarfase niet naar hem opgestuurd, maar hebben deze wel ter inzage gelegen in aanloop naar de hoorzitting. Van deze terinzagelegging is gemachtigde op de hoogte gesteld per e-mail van 21 december 2022. Ook zijn de koudv-factoren opgenomen in de uitspraak op het bezwaarschrift, zoals gesteld door de rechtbank. Echter, gemachtigde terecht stelt dat tussen procespartijen geen verschil van mening bestaat dat de toezendplicht in de bezwaarfase is geschonden. Waar echter wel verschil van mening over bestaat hoe dit moet worden gewogen. (…)”

3.Geschil

3.1.
In geschil is:
(i) of de heffingsambtenaar ter zitting van het Hof terug kan komen van zijn eerdere stelling dat tussen partijen niet in geschil is dat de toezendplicht van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ (hierna: de toezendplicht) is geschonden;
(ii) en zo ja, of de toezendplicht is geschonden;
(iii) of recht bestaat op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaar- en beroepsfase; en
(iv) of recht bestaat op een proceskostenvergoeding voor de procedure bij de Rechtbank.
3.2.
Belanghebbende beantwoordt vraag (i) ontkennend en de vragen (ii), (iii) en (iv) bevestigend. De heffingsambtenaar beantwoordt de vragen tegenovergesteld.

4.Beoordeling van het geschil

Toezendplicht
4.1.
De heffingsambtenaar heeft zijn stelling dat hij de toezendplicht niet heeft geschonden uitdrukkelijk en ondubbelzinnig ingetrokken door in het verweerschrift in hoger beroep te vermelden dat tussen partijen niet in geschil is dat de toezendplicht is geschonden (zie 2.10). De heffingsambtenaar heeft ter zitting van het Hof aangevoerd dat hij vrij is om daarop terug te komen, omdat de Hoge Raad in zijn arrest van 24 januari 2025 heeft geoordeeld dat de toezendplicht niet is geschonden als de gevraagde stukken uiterlijk met de uitspraak op bezwaar zijn toegezonden. [1]
4.2.
Het Hof ziet geen reden om een uitzondering te maken op de hoofdregel dat een uitdrukkelijk en ondubbelzinnig ingetrokken standpunt niet in dezelfde of hogere instantie wederom kan worden opgevoerd. [2] Het is in strijd met een goede procesorde om ter zitting van 13 november 2025 terug te komen op deze uitdrukkelijk en ondubbelzinnig ingetrokken stelling, onder verwijzing naar een – na het indienen van het verweerschrift – door de Hoge Raad op 24 januari 2025 gewezen arrest. In hoger beroep staat daarmee vast dat de heffingsambtenaar de toezendplicht heeft geschonden.
4.3.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 24 januari 2025 geoordeeld dat bij schending van de toezendplicht in de regel recht bestaat op vergoeding van griffierecht en op toekenning van een proceskostenvergoeding, ook indien deze schending met toepassing van artikel 6:22 Algemene Pro wet bestuursrecht (Awb) kan worden gepasseerd omdat de belanghebbende door die schending niet is benadeeld, en het bestreden besluit in stand blijft. De rechter kan bij toepassing van artikel 6:22 Awb Pro alleen bij aanwezigheid van bijzondere omstandigheden afzien van het toekennen van een vergoeding van griffierecht en een proceskostenvergoeding. [3]
4.4.
Het Hof is van oordeel dat belanghebbende in casu niet is benadeeld door de schending van de toezendplicht. Het Hof ziet in de omstandigheden van het onderhavige geval geen aanleiding om wegens bijzondere omstandigheden af te zien van een vergoeding van griffierecht en toekenning van een proceskostenvergoeding voor de beroepsfase. Dit brengt mee dat de Rechtbank ten onrechte geen proceskostenvergoeding en een vergoeding van het griffierecht heeft toegekend. De hiertegen gerichte hogerberoepsgrond slaagt. Het Hof zal de uitspraak van de Rechtbank vernietigen wat betreft het niet toekennen van een proceskostenvergoeding en een vergoeding voor het betaalde griffierecht.
Schadevergoeding
4.5.
Belanghebbende stelt dat de Rechtbank ten onrechte heeft nagelaten om een vergoeding voor immateriële schade vanwege een overschrijding van de redelijke termijn toe te kennen. Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof verklaard dat hij in het nader stuk van 26 januari 2024 (zie 2.6) per abuis heeft verzocht om een ‘materiële’ schadevergoeding. Hij bedoelde daarmee te vragen om een ‘immateriële’ schadevergoeding. Belanghebbende wijst ter onderbouwing daarvan op het proces-verbaal van de zitting, waaruit volgt dat ter zitting van de Rechtbank (alleen) is gesproken over een immateriële schadevergoeding (zie 2.7).
4.6.
De heffingsambtenaar heeft zich op het standpunt gesteld dat in deze zaak is gevraagd om een vergoeding van materiële schade en dat daarvoor geen plaats is. Voor de situatie dat het verzoek toch moet worden opgevat als een verzoek om vergoeding van immateriële schade stelt de heffingsambtenaar dat de redelijke termijn moet worden verlengd, omdat de gemachtigde van belanghebbende in de bezwaarfase heeft gevraagd om uitstel van het hoorgesprek en hij in de beroepsfase opnieuw heeft gevraagd om uitstel van de zitting.
4.7.
Gelet op het in 4.6 vermelde gaat het Hof ervan uit dat belanghebbende, voor het geval de bezwaar- en de beroepsprocedure langer zullen duren dan 2 jaar, heeft verzocht om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en niet om materiële schadevergoeding.
4.8.
Tussen de ontvangst van het bezwaarschrift op 16 maart 2022 en de uitspraak van de Rechtbank op 18 maart 2024 is meer dan twee jaar verstreken, zodat de Rechtbank in haar uitspraak op het verzoek om schadevergoeding had moeten ingaan. Ter zitting hebben partijen er mee ingestemd dat indien het Hof tot dit oordeel zou komen, het Hof de zaak zonder terugwijzing af kan doen.
4.9.
Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat de rechtszekerheid als algemeen aanvaard rechtsbeginsel meebrengt dat belastinggeschillen binnen een redelijke termijn behoren te worden berecht. [4] De voor de bezwaar- en beroepsfase in aanmerking te nemen redelijke termijn bedraagt twee jaar, te rekenen vanaf het moment dat het bezwaarschrift is ingediend.
4.10.
Het Hof stelt voorop dat bijzondere omstandigheden, zoals de invloed van een gemachtigde op de duur van het proces, bijvoorbeeld door het doen van herhaalde verzoeken om verlenging van gestelde termijnen of om uitstel voor (het voldoen aan) uitnodigingen of oproepingen, aanleiding kunnen zijn voor verlenging van de termijn die in de regel als redelijk is aan te merken. [5] Een bijzondere omstandigheid doet zich in beginsel niet voor indien de rechter op verzoek van een partij de zitting voor de eerste keer uitstelt. [6]
4.11.
De verzoeken van de gemachtigde van belanghebbende om een eerste uitstel van de hoorzitting in de bezwaarfase en een eerste uitstel van de zitting van de Rechtbank vormen naar het oordeel van het Hof geen aanleiding voor een verlenging van de voor de behandeling van het geschil in bezwaar en beroep redelijk te achten termijn van twee jaar. Dit betekent dat de redelijke termijn voor die fase is overschreden met minder dan zes maanden.
4.12.
Bij overschrijding van de redelijke termijn dient – behoudens bijzondere omstandigheden – te worden verondersteld dat belanghebbende immateriële schade, in de vorm van spanning en frustratie heeft geleden. [7] De mate waarin de betrokkene daadwerkelijk spanning en frustratie heeft ondervonden is – behoudens bijzondere gevallen – niet van belang voor de bepaling van de hoogte van de toe te kennen vergoeding van immateriële schade. [8] Dat gemachtigde zijn diensten verleent op basis van ‘no cure no pay’ is niet een dergelijke bijzondere omstandigheid en ook niet dat belanghebbende er (mogelijk) mee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn aan de gemachtigde toekomt. [9]
4.13.
Het voorgaande betekent dat het Hof uitgaat van de aanwezigheid van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijk termijn met twee dagen. Deze overschrijding is volledig toe te rekenen aan de bezwaarfase, die ruim tien maanden heeft geduurd. Nu het verzoek en de overschrijding dateren van vóór 14 juni 2024, moet de heffingsambtenaar volgens het door de Hoge Raad geformuleerde overgangsrecht, [10] aan belanghebbende een vergoeding van immateriële schade betalen van € 500 wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarfase.
SlotsomOp grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5.Griffierecht en proceskosten

5.1.
Het Hof ziet aanleiding voor vergoeding van het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht en een veroordeling in de proceskosten voor de beroepsfase en de hogerberoepsfase. Nu het bestreden besluit niet is vernietigd of gewijzigd, is er geen aanleiding voor een kostenvergoeding voor de bezwaarfase. [11]
5.2.
Vaststaat dat aan belanghebbende beroepsmatig rechtsbijstand wordt verleend door een gemachtigde die optreedt op basis van no cure no pay, waarbij de proceskostenvergoedingen ten goede komen aan de gemachtigde. De uitspraak van de Rechtbank is van 18 maart 2024. Het Hof berekent de vergoeding van de proceskosten in hoger beroep daarom met inachtneming van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm. Gesteld noch gebleken is voorts dat sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in r.o. 3.5.1 en 3.5.2 van het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025. [12] Dit betekent dat het Hof artikel 30a, lid 2, eerste zin, Wet WOZ toepast. Dit leidt, aangezien de bestreden besluiten niet zijn vernietigd of gewijzigd, tot een vermenigvuldiging van de volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht te berekenen kostenvergoeding met 0,1.
5.3.
Gelet op het voorgaande stelt het Hof de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 453,50 voor de kosten in eerste aanleg ((2 punten (beroepschrift en bijwonen zitting) x wegingsfactor 0,25 x € 907) en op € 45,35 voor de kosten in hoger beroep ((2 punten (hogerberoepschrift en bijwonen zitting) x wegingsfactor 0,25 x € 907 x 0,1 (artikel 30a Wet WOZ)), ofwel in totaal op € 498,85.

6.Beslissing

Het Hof:
  • vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, maar uitsluitend wat betreft het niet toekennen van schadevergoeding, een proceskostenvergoeding en een vergoeding voor het betaalde griffierecht,
  • veroordeelt de heffingsambtenaar in de door belanghebbende geleden schade tot een bedrag van € 500,
  • veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 498,85,
  • gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 50 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 138 in verband met het hoger beroep bij het Hof, dus in totaal € 188.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Breij, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr. G.J. van de Lagemaat als griffier.
De beslissing is op 16 december 2025 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De raadsheer,
(G.J. van de Lagemaat) (M.M. Breij)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.HR 24 januari 2024, ECLI:NL:HR:2025:106.
2.Vgl. HR 11 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:544.
3.HR 24 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:106.
4.Vlg. HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, rechtsoverweging 3.2.
5.Vgl. HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.5.1.
6.Vgl. HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.6.2.
7.Vgl. HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, rechtsoverweging 3.9.1.
8.Vgl. HR 8 augustus 2025, ECLI:NL:HR:2025:1122.
9.Vgl. HR 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:965 en HR 8 augustus 2025, ECLI:NL:HR:2025:1122.
10.HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853.
11.Artikel 7:15, lid 2, Awb.
12.HR 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46.