Uitspraak
1.Het verloop van de procedure in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep
- de memorie van grieven
- de memorie van antwoord
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 24 september 2025.
2.De kern van de zaak
3.De feiten
De ondergetekende, (…), verklaart verhuurd te hebben voor de tijd van 30 jaar de ligplaats voor woonark (…) met bijbehorende tuin, (…). De huur gaat in op 14 januari 2000.”
Teneinde uitvoering van het plan tot terugbrenging van de [naam van dijk] in haar oorspronkelijke natuurlijke staat te realiseren geeft Citoyen u daarom bij deze te kennen dat zij de Huurovereenkomst per heden tegen de einddatum van de Huuroverkomst opzegt. De Huurovereenkomst zal daarna niet meer worden verlengd. Op 14 januari 2030, of zoveel eerder als u zelf wenst, wordt u geacht de ligplaats leeg, schoon en vrij van schade aan verhuurder op te leveren. Verhuurder is voornemens de dag na oplevering reeds te beginnen met herstelwerkzaamheden aan de [naam van dijk] en het water op het door u gehuurde gedeelte.”
Per brief van 20 augustus 2021 (…) heeft cliënte de huurovereenkomst opgezegd tegen 14 januari 2030. De inhoud van voornoemde brief dient u als onderdeel van deze brief te beschouwen. U dient het gehuurde dan ook vóór 14 januari 2030 leeg en ontruimd (zoals bepaald in de huurovereenkomst) op te leveren. Voor zover vereist zegt cliënte u hierbij overigens de ontruiming aan per 14 januari 2030. Gelet op de zeer ruime periode van aankondigen, hebt u meer dan voldoende gelegenheid om een alternatieve locatie voor uw woonark te zoeken.”
4.Het oordeel van het hof
Afdeling 5 van titel 4 van Boek 7 van het BW bevat een specifieke regeling voor de huur van woonruimte. Het wetsvoorstel heeft tot doel om huurovereenkomsten betreffende ligplaatsen voor woonboten onder het bereik van die afdeling te brengen. De reden hiervoor is dat woonbootbewoners die een ligplaats huren vooralsnog een minder beschermde rechtspositie dan huurders van een woning op de wal hebben, terwijl het wonen op een woonboot met een gehuurde ligplaats vergelijkbaar is met het wonen in een huurwoning op de wal. De bewoners van woonboten hebben derhalve evengoed belang bij het voortduren van de huurovereenkomst en hebben een vergelijkbare behoefte aan huurbescherming. Hier komt bij dat ligplaatsen zeer schaars zijn en dat er nauwelijks ligplaatsen bij komen. Bij woningen op de wal ligt dat anders. Hoewel op delen van die markt eveneens sprake is van schaarste aan kwalitatief goede en betaalbare huurwoningen, speelt dit bij ligplaatsen nog meer. Deze schaarste kan worden geïllustreerd aan de hand van vraagprijzen voor woonboten. Woonboten zijn doorgaans in eigendom van de bewoner zelf en kunnen dan ook worden verkocht. In het onderzoeksrapport is in kaart gebracht wat de gemiddelde vraagprijs is voor woonboten met een ligplaats en woonboten zonder een ligplaats. De gemiddelde prijs van een woonboot zonder ligplaats is volgens het rapport € 127.000,–. De gemiddelde prijs inclusief ligplaats is € 327.000,–. Het verschil van € 200.000,– wordt verklaard door de schaarste aan ligplaatsen. De ligplaats is immers geen eigendom van de verkoper van de woonboot maar van een ander, vaak een openbaar lichaam. De verkoop vindt plaats onder de aanname dat aan de koper de benodigde vergunningen en ontheffingen worden verstrekt en de eigenaar ook aan de koper toestemming geeft de ligplaats te gebruiken. Daar komt bij dat er niet alleen nauwelijks alternatieven zijn wanneer de eigenaar weigert aan de koper toestemming te geven om de ligplaats te gebruiken, maar de woonbooteigenaar in dat geval daardoor ook aanzienlijke vermogensschade lijdt. Daarmee is juist voor huurders van ligplaatsen het belang van voortduring van de huurovereenkomst groot. (…). De rechtvaardiging van dit wetsvoorstel is derhalve niet de kwantitatieve omvang van de groep die het betreft. Wel is dat het principiële uitgangspunt dat wonen op het water gelijkwaardig is aan wonen op de wal.” [2]
Aangedrongen is op bijzondere aandacht voor het overgangsrecht, onder meer door de Unie van Waterschappen en de Landelijke Woonboten Organisatie. Omdat het wetsvoorstel voor de verhouding tussen verhuurder en huurder van een ligplaats ingrijpende gevolgen kan hebben, is deze zorg begrijpelijk. Na een afweging van de betrokken belangen is daarom gekozen voor een overgangstermijn van twee jaar voor huurovereenkomsten die reeds bestaan op het moment waarop dit wetsvoorstel in werking zal treden. Voor overeenkomsten die na het tijdstip van inwerkingtreding worden gesloten, wordt de wetswijziging meteen van kracht.” [3]
Voorgesteld wordt een overgangstermijn van twee jaar voor huurovereenkomsten die reeds zijn gesloten voor het tijdstip waarop de in dit wetsvoorstel voorgestelde wijzigingen in werking treden. Op huurovereenkomsten die na dat tijdstip worden gesloten is de voorgestelde huurbescherming van toepassing. Deze voorgestelde overgangstermijn is ingegeven door de wens om een middenweg te vinden tussen onmiddellijke werking voor alle bestaande en nieuwe overeenkomsten enerzijds en anderzijds alleen werking voor nieuwe overeenkomsten, dus zonder gevolgen voor bestaande overeenkomsten. Het eerste heeft als nadeel dat van overheidswege diep wordt ingegrepen op de vrijheid van overeenkomst, het tweede dat het voorstel in de praktijk nauwelijks effect heeft doordat er niet veel nieuwe huurovereenkomsten worden gesloten. Gezien de wens om huurders van ligplaatsen eenzelfde huurbescherming te laten genieten, als de huurders van woonruimte aan de wal, en de wens om de in dit wetsvoorstel voorgestelde wijzigingen ook voor huurders met een bestaande huurovereenkomst te laten gelden, is er voor gekozen om na een ruime overgangstermijnalle[onderstreping toegevoegd, hof]
bestaande huurovereenkomsten van ligplaatsen onder de werking van dit wetsvoorstel te laten vallen. De overgangstermijn kan door verhuurders benut worden om te bezien of de bedrijfsvoering als gevolg van het wetsvoorstel aanpassing behoeft. (…) Particuliere verhuurders kunnen de overgangstermijn desgewenst benutten om de huur op te zeggen (indien de huurovereenkomst daar ruimte toe biedt)[onderstreping toegevoegd, hof]
. Gezien de geringe mogelijkheden voor een andere (rendabelere) aanwending van de ligplaats wordt dit risico zeer laag ingeschat.” [4]
alle bestaande en nieuwe overeenkomsten” niet wenselijk was en anderzijds dat alleen werking voor nieuwe overeenkomsten ook niet wenselijk was, omdat er dan niet veel nieuwe huurovereenkomsten meer gesloten zouden worden. Er is daarom voor gekozen om na een ruime overgangstermijn van twee jaar
allebestaande huurovereenkomsten van ligplaatsen onder het wetsvoorstel te laten vallen. De Wet geldt daarmee, anders dan Citoyen betoogt, ook voor huurovereenkomsten die vóór 1 juli 2022 zijn gesloten voor bepaalde duur, zonder tussentijdse opzeggingsmogelijkheid.
fair balance’ omdat Citoyen geen marktconforme huur kan vragen en zij geen effectieve mogelijkheid heeft tot beëindiging van de huurovereenkomst.
fair balance’ bestaat tussen de eisen van het algemeen belang en de bescherming van de rechten van de betrokkene. Uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat de betrokken staat een ruime afwegingsbevoegdheid heeft om te bepalen wat in het algemeen belang is en verder een ruime vrijheid heeft (‘
margin of appreciation’) om beperkingen te stellen aan de uit art. 1 EP voortvloeiende eigendomsbescherming.
volstrekt irreëel’ is. Volgens haar bedraagt de waarde van de ligplaats rond de € 750.000,= maar zij heeft dit niet onderbouwd met stukken. Het hof wil wel aannemen dat de huidige marktwaardehuurprijs van de ligplaats vele malen hoger ligt dan hetgeen [appellante] momenteel betaalt, maar Citoyen heeft onvoldoende onderbouwd dat als gevolg van de invoering van de Wet zij in een situatie is komen te verkeren dat zij een “
individual and excessive burden” heeft te dragen, als gevolg waarvan er geen sprake is van een “
fair balance” tussen het algemeen belang en het belang van Citoyen als verhuurder van de ligplaats. Daarbij miskent Citoyen ook dat in dit geval opzegging van de huurovereenkomst nog steeds mogelijk is, mits aan de (zij het limitatieve en beperkte) voorwaarden van artikel 7:271 jo. 7:274 BW is voldaan.