Op donderdag 15 april 2021 omstreeks 11:40 uur zagen wij een personenauto, van het merk Volkswagen, type Touran, en voorzien van het Duitse kenteken [kenteken] , rijden op de provinciale weg N391. Wij zagen dat er 2 manspersonen voorin het voertuig zaten en 3 personen op de achterbank.
Het voertuig reed in de richting van [plaats 1] . Wij hebben het voertuig staande gehouden op de parkeerplaats aan de provinciale weg N366. Wij hebben de inzittenden van het voertuig gecontroleerd op identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie.
De bestuurder overhandigde een identiteitskaart Duitsland en gaf op te zijn: [verdachte] , geboren op [geboortedag 1] 1980 te [geboorteplaats 1] en bezat de Duitse nationaliteit.
De bijrijder overhandigde mij een verblijfskaart Nederland en gaf op te zijn: [medeverdachte] , geboren op [geboortedag 2] 1994 te [geboorteplaats 2] en bezat de Pakistaanse nationaliteit. Ik, [verbalisant 1] , vroeg of de 3 personen op de achterbank mij ook een document konden tonen waaruit identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie kon blijken.
Ik, [verbalisant 1] , hoorde de bestuurder [verdachte] zeggen: "Ja, die liggen achterin de kofferbak". Ik zag dat achterin de auto een grote volle koffer, dekens, rugzak en een kinderstoel lagen. Ik zag dat [verdachte] de kofferbak opende en uit het voorvakje van de koffer 3 Pakistaanse paspoorten pakte en deze aan mij overhandigde. In de paspoorten stonden de volgende namen:
[persoon 1] geboren op [geboortedag 3] 1986 te [geboorteplaats 3] ;
[persoon 2] geboren op [geboortedag 4] 2011 te [geboorteplaats 3] ;
[persoon 3] geboren op [geboortedag 5] 2015 te [geboorteplaats 3] .
Ik, [verbalisant 1] , zag dat de Pakistaanse paspoorten allemaal waren voorzien van een Italiaans C-visum, afgegeven te [plaats 3] , Pakistan met toerisme/familie als doel.
Ik, [verbalisant 1] , hoorde [verdachte] zeggen: “Ik heb een afspraak op het AZC met een vriend, wij gaan hem bezoeken.”
Toen [verdachte] zijn telefoon ging ontgrendelen zag, [verbalisant 2] , dat er een WhatsAppgroep openstond. Deze WhatsAppgroep had als naam: “Newcomers to NL”. [verdachte] gaf aan dat de vrouw en kinderen met groepsvervoer naar zijn huis in Duitsland zijn gereisd. Hierna zijn ze naar het huis van [medeverdachte] gereisd.
Wij verbalisanten vroegen om retourtickets naar Pakistan te tonen. De vrouw gaf aan dat deze in Italië lagen. [verdachte] gaf aan dat deze misschien op het adres in [plaats 2] lagen.