ECLI:NL:GHARL:2025:8530

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
200.359.924/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake ondertoezichtstelling van minderjarigen in het kader van de kinderbescherming

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 23 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over de ondertoezichtstelling van twee minderjarigen, [minderjarige1] en [minderjarige2]. De kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland had eerder het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming om de kinderen voor een jaar onder toezicht te stellen afgewezen. Het hof oordeelt echter dat aan de wettelijke eisen voor ondertoezichtstelling wordt voldaan, en dat de kinderen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Het hof wijst op de onveilige thuissituatie, de zorgen over de ouders en de noodzaak van hulpverlening. De ouders hebben gezamenlijk het ouderlijk gezag en de kinderen wonen bij de moeder. Er zijn zorgen over de hygiëne, leefomstandigheden en de ontwikkeling van de kinderen. Het hof vernietigt de beschikking van de kinderrechter en stelt de kinderen onder toezicht van Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering voor de duur van een jaar. Het hof benadrukt het belang van een veilige en stabiele omgeving voor de kinderen en de noodzaak van passende hulpverlening.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.359.924/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 245361)
beschikking van 23 december 2025
in de zaak van
de raad voor de kinderbescherming(de raad),
regio Noord Nederland, locatie Groningen,
verzoeker in hoger beroep.
Als belanghebbenden zijn aangemerkt:
[belanghebbende1](de moeder),
die woont in [woonplaats1] ,
advocaat: mr. O.J.C. Toxopeus te Veendam, en
[belanghebbende2](de vader),
die woont op een onbekend adres.
Als informant is aangemerkt:
de gecertificeerde instelling
Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering(de GI),
gevestigd in Groningen.

1.Samenvatting

De kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, heeft het verzoek van de raad om [minderjarige1] en [minderjarige2] voor de duur van een jaar onder toezicht te stellen van de GI, afgewezen. Het hof beslist dat [minderjarige1] en [minderjarige2] wel onder toezicht van de GI moeten worden gesteld voor de duur van een jaar. Het hof legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit over [minderjarige1] , geboren [in1] 2013, en [minderjarige2] , geboren [in2] 2018.
2.2.
De kinderen wonen bij de moeder. Er was lange tijd sprake van een onregelmatig contact tussen de kinderen en de vader.
Sinds november 2025 is afgesproken dat [minderjarige2] om het weekend en op woensdag en vrijdag naar de vader gaat. Voor [minderjarige1] geldt geen vaste contactregeling.

3.De procedure bij de kinderrechter

3.1.
De raad heeft verzocht de kinderen onder toezicht te stellen voor een jaar.
3.2.
De kinderrechter heeft het verzoek van de raad afgewezen. Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 8 juli 2025.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De raad is het niet eens met de beslissing van de kinderrechter en komt daarvan in hoger beroep. De raad wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter ongedaan maakt en alsnog het verzoek van de raad toewijst en de ondertoezichtstelling uitspreekt.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.2.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 2 oktober 2025;
- een brief van de raad van 6 november 2025 met bijlage(n);
- een brief namens de moeder van 27 november 2025 met bijlage(n).
4.3.
[minderjarige1] heeft opgeschreven wat zij vindt van de ondertoezichtstelling en dat zij niet met de rechter wil praten.
4.4.
De zitting bij het hof was op 2 december 2025. Aanwezig waren:
  • de moeder met haar advocaat;
  • de vader;
  • [naam1] , namens de raad;
  • twee vertegenwoordigers van de GI.

5.Het oordeel van het hof

De wet
5.1.
De kinderrechter kan een kind onder toezicht stellen als het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Dat is als er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling. Ook moet vast komen te staan dat de ouders niet of niet genoeg meewerken aan vrijwillige hulpverlening. Ten slotte moet de kinderrechter ervan kunnen uitgaan dat de ouders de opvoeding en verzorging binnen een aanvaardbare termijn weer helemaal zelf op zich kunnen nemen [1] . De aanvaardbare termijn is de periode van onzekerheid die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade op te lopen in zijn ontwikkeling.
De ondertoezichtstelling
5.2.
De kinderrechter heeft het verzoek van de raad tot ondertoezichtstelling van de kinderen afgewezen omdat niet wordt voldaan aan het derde wettelijke criterium (zie 5.1; de aanvaardbare termijn). In dit kader wijst de kinderrechter erop dat de maatregel van de uithuisplaatsing een maatregel is die hier meer op zijn plaats is. Het hof stelt voorop dat een maatregel van ondertoezichtstelling ook in geval van een uithuisplaatsing een wettelijk vereiste is.
Een strikte toets aan het derde criterium met een afwijzing van het verzoek tot ondertoezichtstelling tot gevolg kan tot onwenselijke situaties voor de betrokken kinderen leiden, zoals hier ook het geval lijkt te zijn. Het hof kijkt hierbij nadrukkelijk naar het belang van de kinderen en is, anders dan de kinderrechter, van oordeel dat een ondertoezichtstelling nodig is omdat in de visie van het hof wel wordt voldaan aan de daarvoor in de wet gestelde eisen. Het hof overweegt hiertoe het volgende.
5.3.
Het staat onweersproken vast dat er forse zorgen zijn over de kinderen in hun thuissituatie en dat zij ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. De gemeente heeft na de bestreden beschikking, op 28 juli 2025, opnieuw een verzoek tot onderzoek (VTO) bij de raad ingediend. Uit het raadsrapport van 20 juni 2025 blijkt dat er sinds 2016 al sprake is van onrust in de thuissituatie en dat er meerdere meldingen bij Veilig Thuis zijn gedaan. De kinderen groeien al jarenlang op in een voor hen onrustige, onvoorspelbare en onveilige omgeving. Zij hebben veel ingrijpende gebeurtenissen en ruzies tussen de ouders meegemaakt en zijn getuige en mogelijk slachtoffer geweest van huiselijk geweld. De ouders worden in beslag genomen door eigen problemen, diskwalificeren elkaar en betrekken de kinderen in hun onderlinge strijd. Ook zijn er zorgen over de hygiëne en leefomstandigheden van de kinderen. Ze komen vaak te laat op school, zijn oververmoeid en hebben concentratieproblemen, wat hun leervermogen en functioneren beïnvloedt. Ondanks de goede schoolresultaten van [minderjarige1] , heeft de school meerdere zorgsignalen afgegeven bij het Centrum voor Jeugd, Gezin en Veiligheid (CJGV) en bij Veilig Thuis (VT). De kinderen hebben verschillende keren van woon- en opvoedingsomgeving moeten wisselen. Op de zitting van het hof is gebleken dat zij ook nu weer in onzekerheid verkeren over hun verblijf. De moeder woont sinds een half jaar met de kinderen in de voormalig echtelijke woning, maar zal op korte termijn weer moeten verhuizen omdat de woning in de verkoop gaat. Onduidelijk is waar zij hierna zullen gaan wonen. Ook de vader, die nu bij zijn ouders inwoont, zal wanneer dit mogelijk is verhuizen.
Dit alles heeft de kinderen beschadigd, wat terug te zien is in hun gedrag. [minderjarige1] is gesloten, teruggetrokken, bang om fouten te maken en heeft vaak hoofdpijn. [minderjarige2] zet zich af tegen de moeder, is brutaal, druk en agressief. [minderjarige1] heeft op zeer jonge leeftijd meerdere periodes de zorg van haar broertje op zich moeten nemen. Hun onderlinge band is niet goed.
5.4.
De verschillende vormen van hulpverlening in het vrijwillig kader (Syncope, Forint, Elker, Lentis, Via Trox en het CJGV) hebben niet tot resultaat geleid. De ouders laten een patroon zien waarin zij open lijken te staan voor hulp, maar blijken ambivalent, komen afspraken niet na en schetsen, waar nodig, een sociaal wenselijk beeld. Tegelijkertijd vindt de raad dat niet alles op het bord van de ouders ligt. Het CJGV heeft onvoldoende regie gevoerd, onvoldoende passende middelen ingezet om de situatie te verbeteren en niet geacteerd op signalen van onveiligheid (vanuit school en VT). In een door de raad uitgevoerde AISI-screening naar beide kinderen zijn de vermoedens van aanwezigheid van problematische gehechtheidsrelaties bevestigd. Uitgebreider onderzoek op dit punt is noodzakelijk, ook naar KOPP-problematiek (kinderen van ouders met psychiatrische problemen) en de pedagogische mogelijkheden en leerbaarheid van ouders. Nu er in het vrijwillig kader onvoldoende is gewerkt aan de in de raadsrapporten (van september 2022 en juni 2025) genoemde doelen ziet de raad daarom nog mogelijkheden om de situatie te verbeteren, voordat er wordt gekeken naar een uithuisplaatsing. Ook een uithuisplaatsing zorgt voor stress, onrust, onzekerheid en een vorm van schade bij de kinderen. Indien blijkt dat er sprake is van onveiligheid in de gehechtheidsrelatie tussen de kinderen en de ouders en zij onvoldoende kunnen profiteren van ingezette interventies en gerichte, intensieve hulpverlening kan een uithuisplaatsing (alsnog) worden overwogen.
5.5.
De ouders erkennen de hiervoor beschreven zorgen en staan achter een ondertoezichtstelling. Zij vinden dat er nooit goed zicht is gekomen op hun situatie en dat de juiste hulpverlening niet is ingezet. Volgens de moeder is er de afgelopen maanden, sinds zij alleen met de kinderen woont (niet meer bij haar ouders), de kinderen op vakantie zijn geweest met de vader en er een duidelijke omgangsregeling is afgesproken tussen de vader en [minderjarige2] , meer rust gekomen. [minderjarige2] is, in tegenstelling tot [minderjarige1] , graag bij de vader. Voor [minderjarige2] is (ouder/kind)speltherapie ingezet en voor [minderjarige1] paardencoaching, waar zij beiden baat bij hebben. [minderjarige1] gaat daarnaast één keer per week naar een zorgboerderij, waar zij haar verhaal kwijt kan. Voor [minderjarige2] wordt ook een dergelijke plek gezocht, als uitvalsbasis, als zaken in de thuissituatie in de knel komen. Uit het verslag van de speltherapeut van [minderjarige2] van 19 november 2025 blijkt dat er een positieve groei zichtbaar is in de interactie tussen de moeder en [minderjarige2] en in de pedagogische benadering van de moeder, en dat [minderjarige2] zich beter kan ontspannen. Ook uit de wekelijkse observaties van [naam2] (van het CJGV) volgt dat de moeder groeit in haar rol als opvoeder, duidelijker is, de kinderen beter kan begrenzen en meer vertrouwen in haar opvoedvaardigheden krijgt. [minderjarige2] reageert hier goed op, kan beter afstand nemen van de moeder, is minder snel boos en ook op school gaat het beter. Daartegenover zijn de zorgen over [minderjarige1] en haar gesloten houding nog onverminderd aanwezig. Ze wordt meer opstandig en boos en wil niet meer naar de vader toe. Ze heeft volgens de begeleider van Equikids specialistische hulp nodig, omdat zij verscheurd wordt door loyaliteit en verantwoordelijkheid. Daarnaast zijn er gesprekken geweest met de ouders en werken zij aan het ouderschapsplan. De moeder heeft elke week individuele hulp (vanuit Westerweelde Pedagogisch Centrum en het CJGV) om zaken te bespreken op allerlei gebieden. De vader zou wel hulp willen, maar de wachttijden zijn erg lang.
5.6.
Het hof is gelet op hetgeen hiervoor is overwogen van oordeel dat het noodzakelijk is dat een ondertoezichtstelling wordt uitgesproken om de belangen van de kinderen en de inzet van passende hulpverlening te waarborgen. Gelet op de langdurige, grote zorgen dient deze (laatste) mogelijkheid om de tot nu toe gesignaleerde patronen te doorbreken, door de ouders met beide handen te worden aangegrepen. Het hof ziet hiertoe, net als de raad, nog mogelijkheden omdat passende en intensieve hulpverlening (en onderzoek) voor zowel de ouders als de kinderen om verschillende redenen is uitgebleven in het vrijwillig kader. Hoewel de situatie uiterst kwetsbaar en complex is, geeft het hof de ouders het voordeel van de twijfel. Het hof betrekt in dit oordeel de indruk die de ouders ter zitting maakten, waarbij zij benadrukten dat zij zich voor de kinderen in willen zetten. Verder wezen zij op de kleine stapjes die er de afgelopen tijd daadwerkelijk zijn gezet, waardoor in elk geval bij [minderjarige2] een positieve verandering zichtbaar is in zijn gedrag en ontwikkeling. De kinderen verdienen ouders die (nu eindelijk) hun verantwoordelijkheid nemen als opvoeder, ze beschermen tegen onderlinge ruzies en volwassenzaken en hun een veilige, stabiele en liefdevolle omgeving bieden.
5.7.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen, en het verzoek van de raad tot ondertoezichtstelling van de kinderen voor de duur van een jaar alsnog zal toewijzen.
5.8.
De GI heeft ter zitting aangegeven intern te moeten overleggen op welke termijn er een jeugdbeschermer aan het gezin kan worden toegewezen, maar verwacht dat de zaak bovenaan de wachtlijst staat omdat deze afgelopen zomer al is aangemeld. De GI verwacht daarnaast binnen een termijn van zes maanden voldoende zicht te kunnen krijgen op de situatie om de vervolgstappen te kunnen beoordelen.
Het hof verzoekt de GI, gelet op de voorgeschiedenis, om met inzetting van een ervaren jeugdbeschermer en op voortvarende wijze te werken aan het in kaart brengen van de problematiek en ontwikkeling van de kinderen, de pedagogische mogelijkheden en het persoonlijk functioneren van de ouders en de inzet/voortzetting van de juiste hulpverlening.

6.De beslissing

Het hof:
6.1.
vernietigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 8 juli 2025, en:
6.2.
stelt [minderjarige1] , geboren [in1] 2013, en [minderjarige2] , geboren [in2] 2018, met ingang van heden onder toezicht van Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering te Groningen (de GI), voor de duur van een jaar;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
compenseert de proceskosten.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, mr. R. Feunekes en
mr. A.P. de Jong-de Goede, bijgestaan door mr. E. Klijn als griffier, en is op
23 december 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.artikel 1:255 lid 1 onder a en b BW