Uitspraak
1.University Housing B.V.
1.Het verloop van de procedure in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep, tevens memorie van grieven houdende voorwaardelijke vermeerdering van eis
- de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep
- de memorie van antwoord in het (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep
- het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 3 oktober 2025 is gehouden.
2.De kern van de zaak
primair), dan wel voor zover sprake is (geweest) van een huurovereenkomst dat deze geen huur van woonruimte maar een 7:230a-huur betreft (
subsidiair) en (II) dat deze overeenkomst is geëindigd (
primair), dan wel deze te ontbinden althans te vernietigen (
subsidiair), dan wel te bepalen wanneer deze eindigt (
meer subsidiair). Daarnaast heeft [geïntimeerde] gevorderd (III) UH en UHU te veroordelen afschriften te verstrekken van de huurovereenkomsten met de bewoners van (de woonruimten behorende tot) de objecten waarop de overeenkomsten tussen partijen betrekking hebben, (IV) UH en UHU te verbieden zich tegenover deze bewoners nog langer te presenteren als verhuurder en te gebieden te bevestigen dat de verhuur door [geïntimeerde] is voortgezet, (V) UH en UHU te veroordelen de sleutels van (de woonruimten behorende tot) de objecten te verstrekken en (VI) de borgsommen ter zake (de woonruimten behorend tot) de objecten aan [geïntimeerde] over te maken (de vorderingen III t/m VI onder oplegging van een dwangsom) (VII) met veroordeling van UH en UHU in de kosten.
3.De toelichting op de beslissing van het hof
“contracten met internationale bedrijven en universiteiten heeft en(…)
door HUN[wordt]
betaald”. [geïntimeerde] gaat eraan voorbij dat [naam1] vervolgens in zijn e-mail van 18 januari 2019 zijn concept heeft toegelicht en dat daarbij al is opgemerkt dat het de bedoeling is dat woonruimten die tussentijds vrijkomen worden gehuurd en opgevuld met eigen bewoners. De door [geïntimeerde] geuite wens de woonruimten in de nabije toekomst te willen verkopen, is daarbij onder ogen gezien. [naam1] heeft in dezelfde brief te kennen gegeven mogelijk ook in aankoop geïnteresseerd te zijn. Het hof volgt [geïntimeerde] niet in zijn stelling dat verkoop (aan een derde) in verhuurde staat nagenoeg onmogelijk is en een (toekomstige) huurrelatie met UHU zich daarmee niet verhoudt. Dat heeft hij ook niet nader onderbouwd. Bij de ondertekening van de overeenkomsten heeft [geïntimeerde] vervolgens kunnen en moeten zien dat het daarbij om twee verschillende partijen ging. [geïntimeerde] wijst erop dat in de beheerovereenkomst is opgenomen dat UH de maandelijks geïncasseerde huurpenningen inclusief voorschotbedrag servicekosten zal doorstorten en dat dit bedrag bij aanvang van de overeenkomst € 8.715,- is. Ook dat draagt niet bij aan de door [geïntimeerde] verdedigde uitleg. De ‘huurovereenkomst woonruimte’ brengt mee dat het daarbij na verloop van tijd (steeds meer) om bij UHU geïncasseerde huur kon gaan. Dat verklaart ook dat er geen afspraken tussen UHU en [geïntimeerde] zijn gemaakt over een mogelijk toekomstige rechtstreekse betaling van huur aan [geïntimeerde] . Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is voorts niet in te zien waarom de omstandigheid dat de ‘huurovereenkomst woonruimte’ in eerste instantie is aangegaan voor de periode van één jaar, met vervolgens een verlenging met vier jaar, dat UHU de woonruimtes niet zelf in gebruik zou gaan nemen en geen eigen woonbelang heeft en dat [geïntimeerde] uiteindelijk niet in die mate is ontzorgd als hem bij het aangaan van de overeenkomsten voor ogen heeft gestaan, leidt tot de door [geïntimeerde] bedoelde uitleg.
opschortendevoorwaarden bevat waaronder voor de afzonderlijke woonruimten een huurovereenkomst tot stand kan komen. In de considerans staat wel
“Huurder huurt al deze registergoederen onder de opschortende voorwaarden dat deze geheel aan hem zijn verhuurd”, en
“Indien slechts een gedeelte beschikbaar is zal huurder deze per (on)zelfstandige wooneenheid binnen een registergoed aanhuren. De huurovereenkomst voor dit gedeelte komt dan ook pas tot stand nadat huurder de (on)zelfstandige wooneenheid krijgt opgeleverd.”, maar uit wat partijen vervolgens zijn overeengekomen volgt dat voor de totstandkoming van een huurovereenkomst nog een aanbod van [geïntimeerde] en een aanvaarding door UHU vereist is. Voor zover hier van belang, houdt artikel 1.1 het volgende in:
“Verhuurder verhuurt aan Huurder en Huurder huurt van Verhuurder een Registergoed zoals vermeld op de Lijst. Indien Verhuurder een Registergoed aan Huurder aanbiedt, zal Huurder het Registergoed onderzoeken en binnen één week na afloop van het onderzoek aan Verhuurder berichten dat het pand al dan niet aan de Lijst wordt toegevoegd. Huurder is gerechtigd om het Registergoed te weigeren, dan wel om voorwaarden te stellen voor toevoeging aan de Lijst.”Artikel 1.3 bepaalt vervolgens:
“Bij toevoeging van een Registergoed aan de Lijst stellen Partijen een Proces-verbaal op dat aan het Dossier wordt toegevoegd.”De raamovereenkomst bevat daarmee geen voorwaardelijke verbintenis, maar een uitwerking van de voorwaarden waaronder partijen voor de afzonderlijke woonruimten een huurovereenkomst kunnen sluiten en een weergave van wat tussen partijen zal gelden als er een huurovereenkomst wordt gesloten.
“de lijst opgenomen als bijlage, waarop Partijen bijhouden welk Registergoed of gedeelte daarvan leeg is opgeleverd en welke Huurder van Verhuurder huurt. De lijst bevat alle relevante informatie ten aanzien van het Registergoed, doch in ieder geval de adresgegevens, de datum van het toevoegen van het Registergoed aan de Lijst, alsmede de maandelijks verschuldigde huurprijs per Registergoed.”UHU stelt dat de lijst die op 28 maart 2019 door [naam2] aan haar is toegestuurd (en volgens haar al eerder ook fysiek is ontvangen) de in de raamovereenkomst bedoelde Lijst is. Daarin kan het hof haar niet volgen. Het gaat daarbij om een overzicht van de huurders, huurbedragen, einddata en aantallen sleutels dat door de voormalig beheerder is toegestuurd aan UH als opvolgend beheerder. Deze lijst geeft weer waarover UH als vastgoedmanager het beheer zal gaan voeren. Zij geeft niet weer welk registergoed of gedeelte daarvan door UHU van [geïntimeerde] wordt gehuurd. Anders dan UHU stelt, kan deze lijst ook in combinatie met de op 28 augustus 2020 aan [geïntimeerde] toegestuurde lijst met check-out dates van de huurders niet als Lijst in de zin van de raamovereenkomst worden aangemerkt. Ook daaruit blijkt niet van een aanbod en aanvaarding. Niet is toegelicht dat en waarom een check-out date gelijk zou zijn te stellen met een datum van toevoeging aan de Lijst. Tijdens de mondelinge behandeling heeft UHU gesteld dat zij de woonruimten steeds bij het vertrek van de huurders van [geïntimeerde] heeft bekeken en geaccepteerd, maar het gaat daarbij om eenzijdige handelingen van UHU die niet met [geïntimeerde] zijn afgestemd. UHU stelt wel dat zij tussentijds telefonisch contact met [geïntimeerde] heeft gehad en dit daarbij heeft besproken, maar dat wordt door [geïntimeerde] betwist en is niet op enige wijze nader onderbouwd. Niet in geschil is verder dat voor geen van deze woonruimten een proces-verbaal is opgemaakt (artikel 1.3).
aan UH. Voor zover al zou kunnen worden aangenomen dat UHU bedoeld heeft betaling aan haarzelf te vorderen, geldt met betrekking tot deze vordering dat het hof van cessie ook niet is gebleken. De overgelegde akte van cessie betreft slechts wat bij de kantonrechter door UHU werd gevorderd. Als de vordering moet worden gezien als een door UH ingestelde vordering, kan UH daarin niet worden ontvangen. Zij heeft niet eerder een vordering (in reconventie) ingesteld. Een dergelijke vordering kan niet voor het eerst in hoger beroep worden ingesteld. Bij dat alles komt dat UHU tijdens de mondelinge behandeling heeft toegelicht dat het in de vordering opgenomen bedrag niet juist is en dat in beginsel moet worden uitgegaan van het in de memorie van grieven onder 3.24 opgenomen bedrag. Daarbij is vervolgens geconstateerd dat de berekening van dat bedrag niet juist is, omdat met een verkeerde startdatum is gerekend. Desgevraagd kon UHU niet toelichten voor hoeveel maanden de beheervergoeding wordt gevraagd. Aangeboden is om daarop bij akte uitlating een nadere toelichting te geven, maar UHU heeft voldoende gelegenheid gehad haar vordering uiteen te zetten. Dat zij dat niet naar behoren heeft gedaan, komt voor haar risico. Het hof zal de voorwaardelijk ingestelde vordering afwijzen.