Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2025:8615

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
29 december 2025
Zaaknummer
200.341.187/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:248 lid 2 BWArt. 7A:1666 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geschil over afwikkeling maatschap en bindend adviesclausule bij beëindiging samenwerking fysiotherapiepraktijk

Partijen, voormalig samenwonenden en maten in een fysiotherapie-maatschap, zijn in geschil geraakt over de afwikkeling van hun maatschap na beëindiging van hun relatie en opzegging van de maatschap door appellant. De maatschapsovereenkomst bevatte bepalingen over bestuur, winstverdeling, ontbinding en geschillenbeslechting via arbitrage. De samenlevingsovereenkomst bevatte een bindend adviesclausule voor geschillen.

De rechtbank wees de meeste vorderingen van geïntimeerde af, behalve de verplichting tot medewerking aan het opmaken van jaarrekeningen en betaling van bedragen voortvloeiend uit die jaarrekeningen. In hoger beroep betwist appellant dat de onderneming van de maatschap is voortgezet in zijn nieuwe vennootschap en stelt dat de bindend adviesclausule moet worden toegepast.

Het hof oordeelt dat de bindend adviesclausule uit de samenlevingsovereenkomst geldt en dat geen reden bestaat daarvan af te wijken. Verder is vastgesteld dat appellant de onderneming niet heeft voortgezet in de nieuwe vennootschap, zodat de maatschap moet worden geliquideerd en vereffend volgens de gebruikelijke regels. Een vereffenaar moet worden benoemd, waarbij het kantoor van de huidige accountant niet geschikt is vanwege belangenverstrengeling. De gezamenlijke opnamen worden toegerekend volgens de bestendige gedragslijn van 70/30. De grieven over de kwaliteit en omvang van werkzaamheden van geïntimeerde en de urenuitbreiding van haar moeder worden verworpen wegens onvoldoende onderbouwing. De zaak wordt verwezen naar de rol voor benoeming van een vereffenaar en verdere beslissing wordt aangehouden.

Uitkomst: Het hof bevestigt de bindend adviesclausule, oordeelt dat de maatschap niet is voortgezet in de nieuwe vennootschap, en benoemt een vereffenaar voor de afwikkeling van de maatschap.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.341.187/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 185188)
arrest van 23 december 2025
in de zaak van

1.[appellant] ,

die woont in [woonplaats1] ,
2. Echte Spierkracht B.V.,
die is gevestigd in [woonplaats1] ,
die (principaal) hoger beroep hebben ingesteld,
verweerders in het incidenteel hoger beroep,
bij de rechtbank: gedaagden in conventie, eisers in reconventie,
hierna (in mannelijk enkelvoud):
[appellant],
advocaat: mr. H. Oosterhuis, die kantoor houdt te Apeldoorn,
tegen
[geïntimeerde],
die woont in [woonplaats2] ,
die ook (incidenteel) hoger beroep heeft ingesteld,
verweerster in het principaal hoger beroep,
bij de rechtbank: eiseres in conventie, verweerster in reconventie,
hierna:
[geïntimeerde],
advocaat: mr. A. Woertman, die kantoor houdt te Wilhelminaoord.

1.Het verloop van het geding in hoger beroep

1.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
- de appeldagvaarding van 29 april 2024;
  • de memorie van grieven;
  • de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel appel;
  • de memorie van antwoord in incidenteel appel;
  • de akte overlegging stukken zijdens [geïntimeerde] .
1.2
Op 21 oktober 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgehad. Daarvan is een proces-verbaal opgemaakt, dat deel uitmaakt van het procesdossier. Vervolgens hebben partijen arrest gevraagd en daartoe de stukken aan het hof verstrekt. Daarna heeft het hof een datum voor arrest bepaald.

2.De feiten van de zaak

2.1
Partijen hebben een affectieve relatie gehad en zijn ouders van twee minderjarige kinderen. Begin 2020 is de relatie tussen partijen geëindigd. Op 8 december 2020 is de samenwoning beëindigd en is [geïntimeerde] verhuisd. [appellant] is blijven wonen in de voormalige gezamenlijke woning aan het [adres] te [woonplaats1] .
2.2
[appellant] is fysiotherapeut. Na het behalen van zijn diploma fysiotherapie in april 2011 is [appellant] fulltime gaan werken als zelfstandig ondernemer in de fysiotherapie.
2.3
Op 30 december 2011 hebben partijen een samenlevingsovereenkomst gesloten.
In artikel 12 van Pro de samenlevingsovereenkomst staat onder het kopje 'Geschillen' vermeld:
"Alle geschillen welke tussen de partijen mochten opkomen betreffende de uitleg van de bepalingen van deze overeenkomst, zullen worden voorgelegd aan een onpartijdig persoon. Deze zal worden benoemd door partijen in onderling overleg en bij geschil door de kantonrechter, binnen wiens kanton de laatste gemeenschappelijke woonplaats van partijen is gelegen. Partijen zijn verplicht zich te onderwerpen aan het oordeel van de genoemde onpartijdige persoon. Zijn oordeel wordt beschouwd als een bindend advies."
2.4
Daarnaast hebben partijen op 27 maart 2012 een maatschapsovereenkomst gesloten. De naam van de maatschap is [naam7] (hierna: de maatschap) en de maatschap heeft tot doel de uitoefening voor gezamenlijke rekening en risico van een praktijk voor fysiotherapie in [woonplaats3] en omgeving. In de maatschapsovereenkomst zijn partijen overeengekomen, voor zover van belang:
" INBRENG
Artikel 4
1. Ieder van de partijen brengt in de maatschap in zijn/haar volledige arbeidskracht, vlijt en kennis.
2. Partij A [de rechtbank: [appellant] ] brengt vrij van recht in de maatschappelijk gemeenschap in zijn tot aanvangsdatum voor eigen rekening gevoerde praktijk. De op het moment van inbreng aanwezige stille reserves worden door partij A voorbehouden.
(…)
5. Iedere maat kan ten behoeve van de maatschap de naleving van de verplichting tot inbreng als omschreven in dit artikel vorderen.
(…)
GERECHTIGHEID
Artikel 5
De maten zijn als volgt tot de maatschappelijke gemeenschap gerechtigd:
- Partij A [de rechtbank: [appellant] ] 70%;
- Partij B [de rechtbank: [geïntimeerde] ] 30%;
WERKVERDELING
Artikel 6
De werkzaamheden van partijen worden in onderling overleg verdeeld.
(…)
BESTUUR
Artikel 10
(…)
4. Het bestuur is bevoegd voor rekening van de maatschap alle rechtshandelingen te verrichten die gelet op het doel van de maatschap tot haar normale werkzaamheden behoren. De toestemming van ieder van de partijen is echter vereist voor de volgende handelingen:
a. het aannemen en ontslaan van personen in dienst van de maatschap en het vaststellen van hun arbeidsvoorwaarden, (…)
(…)
ADMINISTRATIE
Artikel 12
(…)
3. Aan het einde van het boekjaar, binnen vijf maanden na afloop van het boekjaar, tenzij anders overeengekomen, dan wel op het moment dat de maatschap wordt ontbonden, wordt door een door partijen in onderling overleg aan te wijzen deskundige een balans en een winst- en verliesrekening in drievoud opgemaakt. Door ondertekening hiervan door ieder van de partijen worden de jaarstukken definitief vastgesteld en worden partijen over en weer gedechargeerd.
(…)
WINSTVERDELING
Artikel 13
1. De winsten en verliezen van de maatschap zullen door partijen in de volgende verhouding verdeeld worden:
Partij A: 70%
Partij B: 30%
(…)
GEVOLGEN VAN ONTBINDING VAN DE MAATSCHAP (…)
Artikel 19
(…)
2. Indien de maatschap wordt voortgezet (…) wordt het aandeel van de uittredende partij in de maatschappelijke gemeenschap toegedeeld aan de overblijvende partij. Onder dit aandeel worden mede de schulden behorend tot de maatschappelijke gemeenschap begrepen.
3. Bij voorzetting (…) vergoedt de maatschap aan de uittredende partij, een bedrag dat gelijk is aan de waarde van zijn/haar economische deelgerechtigheid in de maatschap. Waardering van de bezittingen vindt plaats met inachtneming van de alsdan geldende normen en omstandigheden. (…)
(…)
ALGEMENE GEVOLGEN VAN ONTBINDING VAN DE MAATSCHAP
Artikel 20
1. Bij een ontbonden maatschap geschiedt de vereffening door de gewezen besturende partijen gezamenlijk, tenzij bij of krachtens deze overeenkomst anders is bepaald.
2. Indien vereffenaars ontbreken, benoemt de rechter op verzoek van een gewezen maat of van een belanghebbende dan wel ambtshalve een vereffenaar. De vereffenaar die door de rechter is benoemd heeft recht op een door de rechter toe te kennen beloning.
(…)."
2.5
Voorts zijn partijen in artikel 9 van Pro de maatschapsovereenkomst overeengekomen dat de maatschap kan worden opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden en in artikel 22 zijn Pro partijen overeengekomen dat geschillen worden beslist door middel van arbitrage door drie scheidslieden.
2.6
[geïntimeerde] hield zich in de maatschap onder meer bezig met HR-taken, de financiële administratie, contacten met zorgverzekeringen, dagelijks overleg met de praktijkmanager, et cetera.
2.7
De moeder van [geïntimeerde] , mevrouw [naam1] (hierna: [naam1] ), is op 1 maart 2016 in dienst gekomen van de maatschap als praktijkmanager. Per 1 augustus 2020 is de arbeidsduur van [naam1] verhoogd van 16 uren per week naar 24 uren per week. Op 27 juni 2021 heeft [appellant] [naam1] ontslag aangezegd.
2.8
Bij brief van 27 augustus 2021 heeft de advocaat van [geïntimeerde] aan de heer [naam2] (hierna: [naam2] ), de bedrijfsadviseur van [appellant] , geschreven, voor zover van belang:
"1. Cliënte heeft inmiddels meerdere malen aangegeven dat zij bereid is de werkzaamheden, die zij eerder verrichtte, te hervatten. Hierbij moet niet uit het oog worden verloren dat de daarvoor benodigde gegevens (ordners, etc.) juist op verzoek van uw cliënt aan hem zijn afgegeven. Indien uw cliënt het wenst dat deze werkzaamheden worden hervat, dan is cliënte daartoe bereid, in de veronderstelling dat de eerder door uw cliënt opgevraagde gegevens weer ten behoeve van cliënte beschikbaar zullen worden gesteld.
(…)
3. De suggestie die is gedaan, dat cliënte 'op kantoor' werkzaamheden zou moeten verrichten is ook niet te begrijpen. Cliënte heeft immers in het verleden nooit op kantoor werkzaamheden verricht, maar altijd vanuit huis. Niet is ook aangegeven welke werkzaamheden in dat geval zouden moeten worden verricht.
"
2.9
Om inzicht in haar aandeel in de maatschap te verkrijgen heeft [geïntimeerde] een waardebepaling laten opmaken door [naam4] te [woonplaats4] . In de door de heer [naam3] ( [naam3] ) op 19 november 2021 opgemaakte rapportage staat vermeld, voor zover van belang:
"Er zijn verschillende berekeningsmethoden voor de goodwill, waarbij veelal de Discounted Cash Flow methode als de beste wordt gezien. Hierbij wordt gekeken naar de toekomstig netto kasstromen. Andere methoden zijn bijvoorbeeld een factor maal de EBITDA, winst of omzet of de intrinsieke waardemethode.
Bij de waardering van een fysiotherapiepraktijk wordt onderstaande methode veelal toegepast, waarbij rekening wordt gehouden met de ondernemingsbeloning.
Winstprognose 2022 € 297.516
af: Ondernemingsbeloning € - 85.000
Overwinst € 212.516
Factor 3,5 € 743.806 30% € 223.142
Factor 4,0 € 850.064 30% € 255.019
Voor [geïntimeerde] (gemiddelde) € 239.081
(…)
Bij kleine eenmanszaken of maatschappen wordt er ook gekeken naar eventuele persoonlijke goodwill. Aangezien het bij de [naam9] gaat om een praktijk met meerdere fysiotherapeuten in dienst en het veelal gaat om de behandelingsmethode (niet wie dat doet) kan gesteld worden dat er inmiddels (en voor de waarde in de toekomst) weinig persoonlijke goodwill is.
"
2.1
Op enig moment heeft de accountant van de maatschap, [naam5] (hierna: [naam5] ), een goodwillberekening gemaakt. [geïntimeerde] is niet betrokken geweest bij de totstandkoming van de berekening. Op basis van deze goodwillberekening zou aan [geïntimeerde] een bedrag van € 28.000,- toekomen.
2.11
Bij brief van 11 maart 2022 heeft [appellant] de maatschap opgezegd tegen 11 juni van dat jaar.
2.12
Op 13 mei 2022 heeft [appellant] de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [naam6] B.V. opgericht (hierna: [naam6] ). Deze vennootschap drijft te [woonplaats1] een onderneming die zich bezighoudt met het verzorgen van fysiotherapie en aanverwante behandelingen. [appellant] is enig aandeelhouder en de enige bestuurder van [naam6] .
2.13
Tussen partijen is een langslepende discussie ontstaan over de financiële afwikkeling van hun zakelijke en privérelatie.

3.Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1
[geïntimeerde] heeft bij de rechtbank gevorderd om:
1. [appellant] te veroordelen tot betaling aan [geïntimeerde] binnen 14 dagen na het in deze te wijzen vonnis van een bedrag ad € 20.644,00 (afrekening 2020), dan wel
subsidiair:
[appellant] te gebieden tot het opmaken en vaststellen van de jaarstukken van de maatschap " [naam7] " over het jaar 2020, met inachtneming van de bestendige gedragslijn (en het bepaalde hierover in de samenlevingsovereenkomst van partijen) ter zake toerekening van opnames van partijen (kosten huishouding) aan het aandeel van partijen in het kapitaal, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag (een dagdeel daaronder begrepen) indien en voor zover [appellant] ter zake in gebreke zal blijven daaraan te voldoen;
2. [appellant] te veroordelen tot betaling aan [geïntimeerde] binnen 14 dagen na het in deze te wijzen vonnis van een bedrag van € 22.268,00 (vanwege inboedel), dan wel
subsidiair:
de verdeling te bepalen dan wel (meer subsidiair) te gelasten van de gemeenschap van partijen (inboedel woning [adres] , [woonplaats1] ) en partijen daarbij te gebieden (voor een daartoe te bepalen datum) alle met het oog daarop benodigde informatie en stukken aan te leveren, zodat op een daartoe nader te bepalen zitting (mondelinge behandeling) daarover kan worden geoordeeld en kan worden beslist;
3. [appellant] te bevelen - op eerste verzoek - tot (volledige en onvoorwaardelijke) medewerking aan het opmaken van de jaarstukken van de maatschap " [naam7] " over de jaren 2021 en 2022 (op basis van "going concern waarde" en met inachtneming van aan de maatschap toe te rekenen goodwill) in het kader waarvan alle relevante informatie die daarvoor benodigd is aan een daartoe aan te wijzen derde (deskundige) en aan [geïntimeerde] wordt verstrekt, binnen 14 dagen na dagtekening van het in deze te wijzen vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag (een dagdeel daaronder begrepen) indien en voor zover [appellant] daaraan niet zal voldoen;
4. [appellant] te bevelen tot betaling aan [geïntimeerde] van de winstaandelen over 2021 en 2022, alsmede tot betaling van het aandeel in het kapitaal van [geïntimeerde] (per 2022, dan wel na/vanwege de ontbinding van de maatschap), te voldoen binnen 14 dagen na het in deze te wijzen vonnis;
subsidiair:
ter zake de vorderingen van [geïntimeerde] onder sub 1. (subsidiair), 3. en 4. een deskundigenbericht te gelasten, in het kader waarvan de respectievelijke winstaandelen van [geïntimeerde] en/of partijen zullen worden bepaald, alsmede het aandeel van [geïntimeerde] in de ontbonden gemeenschap, en daarbij te bepalen dat [appellant] gehouden is tot betaling aan [geïntimeerde] van de aldus te bepalen bedragen, binnen 14 dagen na het in deze te wijzen vonnis;
5. De onder 1. en 2. primair en onder 4. gevorderde bedragen te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 15 juli 2022 (dan wel te bepalen dat daarover ook wettelijke rente verschuldigd is) dan wel vanaf de datum van de in deze uitgebrachte dagvaarding tot het moment van algehele voldoening;
6. [appellant] te veroordelen tot betaling aan [geïntimeerde] (binnen 14 dagen na het in deze te wijzen vonnis) tot een bedrag van € 1.775,00 vanwege buitengerechtelijke kosten en te bepalen dat indien hieraan niet wordt voldaan daarover na die termijn van 14 dagen tevens rente verschuldigd is.
7. [appellant] te veroordelen in de kosten van de procedure (in de hoofdzaak en in het incident) te vermeerderen met nakosten (respectievelijk met en zonder betekening en te vermeerderen met de kosten van betekening), en te bepalen dat indien deze kosten niet zijn voldaan binnen 14 dagen na dagtekening van de beslissing hierover, tevens wettelijke rente verschuldigd is.
3.2
[appellant] heeft een eis in reconventie ingesteld en gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
a. te verklaren voor recht dat in het kader van de ontbonden maatschap [naam7] partijen over en weer aan elkaar geen goodwill verschuldigd zijn;
b. te verklaren voor recht dat aan [geïntimeerde] uit hoofde van haar hoedanigheid als maat van maatschap [naam7] geen winstrechten toekomen, althans lagere nader door de rechtbank te bepalen winstrechten toekomen over de boekjaren 2021 en 2022 in verband met het niet verrichten van arbeid, dan wel het niet verrichten van arbeid die voldoet aan de redelijke kwaliteitseisen die daarvan mogen worden verwacht;
c. te verklaren voor recht dat voor de boekjaren 2020, 2021 en 2022 inzake maatschap [naam7] onttrekkingen uit het ondernemingsvermogen van de maatschap ten laste dienen te worden gebracht van de maat die de betreffende onttrekkingen heeft gedaan;
d. te verklaren voor recht dat alle kosten die maatschap [naam7] heeft gemaakt in het kader van de uitbreiding van de arbeidsovereenkomst met mevrouw [naam1] per 1 augustus 2021 tot datum uitdiensttreding alsmede ten gevolge aan mevrouw [naam1] uitbetaalde overuren vanaf genoemde datum tot datum uitdiensttreding, derhalve onder meer doch daartoe uitdrukkelijk niet beperkt loonkosten, eindejaarsuitkering en transitievergoeding door de vereffenaar in het boekjaar waar de betreffende kosten zijn gemaakt ten laste dienen te worden gebracht van de kapitaalstand van [geïntimeerde] ;
e. [geïntimeerde] te veroordelen tot het met inachtneming van de uitgangspunten als in dit petitum in reconventie onder a. tot en met d. geformuleerd vaststellen van de jaarrekeningen van de maatschap [naam7] over de boekjaren 2020, 2021 en 2022 door de reguliere accountant van maatschap [naam7] , althans ingeval van weigering van deze opdracht door de betreffende accountant, althans ontstentenis van deze accountant een door het NIVRA aan te wijzen Register Accountant, dan wel een deskundige zoals uw rechtbank in goede justitie zult vermenen te behoren, binnen 14 dagen na het gereedkomen van deze jaarrekeningen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, dat [geïntimeerde] hieraan niet zal voldoen;
f. een vereffenaar te benoemen als bedoeld in artikel 20 van Pro de tussen partijen gesloten maatschapsovereenkomst inzake maatschap [naam7] met bepaling van de ten laste van maatschap [naam7] komende beloning voor de betreffende vereffenaar, als bedoeld in artikel 20 lid 2 van Pro de maatschapsovereenkomst en deze vereffenaar opdracht te geven over te gaan tot vereffening op de wijze als in artikel 20 van Pro de maatschapsovereenkomst van maatschap [naam7] omschreven, met bepaling dat ingeval een van partijen aan de andere partij uit hoofde van de vereffening bedragen verschuldigd is, deze bedragen dienen te worden vermeerderd met wettelijke rente vanaf
11 juni 2022, althans over te gaan tot vereffening op de wijze als in artikel 20 van Pro de maatschapsovereenkomst van maatschap [naam7] omschreven;
g. [geïntimeerde] te veroordelen in de kosten van de procedure.
3.3
De rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden (hierna: de rechtbank) heeft bij eindvonnis van 31 januari 2024 (hierna: het vonnis) de vorderingen van [geïntimeerde] jegens [naam6] afgewezen en [geïntimeerde] niet-ontvankelijk verklaard in haar vorderingen jegens [appellant] uit hoofde van (enkel) de samenlevingsovereenkomst. Verder heeft de rechtbank partijen – zowel in conventie als in reconventie - bevolen om hun medewerking te verlenen aan het opmaken van de jaarrekeningen over de boekjaren 2020, 2021 en 2022 van de maatschap [naam7] door [naam5] , een en ander op de wijze zoals in het vonnis aangeduid en (in conventie) bepaald dat [appellant] gehouden is tot betaling van de aan [geïntimeerde] toekomende bedragen die voortvloeien uit de definitief vastgestelde jaarrekeningen over genoemde jaren. Eveneens in conventie heeft de rechtbank [appellant] veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag aan buitengerechtelijke kosten. Het overige in conventie en reconventie door partijen gevorderde heeft de rechtbank afgewezen. De proceskosten van de conventie en reconventie heeft de rechtbank tussen de partijen gecompenseerd.

4.De vorderingen en de grieven van partijen

4.1
[appellant] vordert in hoger beroep – kort gezegd - vernietiging van de vonnissen van 14 december 2022, 22 februari 2023 en 31 januari 2024 (hierna: de vonnissen) en alsnog toewijzing van zijn eigen vorderingen en afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerde] , met veroordeling van laatstgenoemde in de kosten van beide instanties.
4.2
[geïntimeerde] heeft in incidenteel appel eveneens vernietiging van de vonnissen gevorderd alsmede dat het hof zal
A. verklaren voor recht dat - na en door de voortzetting van de (onderneming
van) [naam7] door [appellant] en Spierkracht B.V. - zij hoofdelijk
aansprakelijk zijn met uitsluiting van [geïntimeerde] voor de achterstanden c.q. tekorten op de Raborekeningen [nummer1] ten name van [naam7] en [nummer2] ten name van [naam8] , alsmede dat [appellant] en Spierkracht B.V. [geïntimeerde] volledig vrijwaren voor alle mogelijke aanspraken van de Rabobank met betrekking tot genoemde bankrekeningen;
B. verklaren voor recht dat - na en door de voortzetting van de (onderneming van) [naam7] door [appellant] en Spierkracht B.V. - zij hoofdelijk met uitsluiting van [geïntimeerde] aansprakelijk zijn voor de nakoming van de verplichtingen uit hoofde van de huurovereenkomst ter zake van de [adres2] en de [adres3] te [woonplaats3] , alsmede dat zij [geïntimeerde] volledig vrijwaren voor alle mogelijke aanspraken van uit hoofde van deze huurovereenkomst;
C. verklaren voor recht dat [appellant] en/of [naam6] de onderneming van de maatschap [naam7] per 14 mei 2022 hebben voortgezet;
D. verklaren voor recht dat de jaarrekeningen 2020, 2021 en 2022 van de maatschap niet zijn vastgesteld, een en ander met veroordeling van [appellant] in de kosten van beide instanties.
4.3
[appellant] heeft de vonnissen bestreden met een negental (Romeins genummerde) bezwaren (‘grieven’), die tot de hiervoor omschreven, door hem gewenste beslissing moeten leiden. [geïntimeerde] heeft drie (Arabisch genummerde) grieven daartegen geformuleerd. De grieven van beide partijen worden hierna zo veel mogelijk in onderlinge samenhang alsmede thematisch (oftewel waar mogelijk ‘gebundeld’) besproken.

5.Het oordeel van het hof

Eiswijziging
5.1
[geïntimeerde] heeft in haar memorie van grieven in het incidenteel appel haar eis gewijzigd. Nu daartegen door [appellant] geen bezwaar is gemaakt en het hof een en ander ook niet ambtshalve in strijd met de goede procesorde oordeelt, zal het hof uitgaan van de eis, zoals in genoemde memorie ge(her)formuleerd.
Kan het hof een inhoudelijk oordeel geven over de samenlevingsovereenkomst en de daaruit voortvloeiende verplichtingen voor partijen?
5.2
In incidenteel appel heeft [geïntimeerde] onder meer een grief opgeworpen tegen het oordeel van de rechtbank dat zij niet kan worden ontvangen in haar vorderingen voor zover die betrekking hebben op de (afwikkeling van de) samenlevingsovereenkomst. Die grieft treft geen doel. Uitgangspunt is dat een tussen partijen overeengekomen bindend adviesclausule (die weliswaar niet leidt tot onbevoegdheid van de burgerlijke rechter maar wel) tot gevolg heeft dat degene die bij de rechter vorderingen instelt die door die clausule worden bestreken, daarin niet kan worden ontvangen. [1] Er is geen steekhoudende grond of reden aangevoerd of gebleken waaruit volgt dat in deze zaak van dit uitgangspunt zou moeten worden afgeweken. Dat door partijen een afwijkende afspraak ten opzichte van artikel 12 van Pro de samenlevingsovereenkomst zou zijn gemaakt (waardoor die laatste bepaling door hen opzij zou zijn gezet), is weliswaar namens [geïntimeerde] gesteld, maar die stelling heeft – ook na vragen van het hof ter zitting – geen ‘handen en voeten’ gekregen. Aan bewijslevering wordt dan ook niet toegekomen. Een reden om van genoemd uitgangspunt af te wijken is evenmin gelegen in de formulering van genoemde bepaling in de samenlevingsovereenkomst. Een redelijke lezing daarvan brengt mee dat niet alleen geschillen over de uitleg van die overeenkomst maar ook over de wijze waarop deze door partijen moet worden uitgevoerd, aan bindend advies zijn onderworpen. Een enkel beroep op ‘misbruik van recht’ respectievelijk artikel 6:248 lid 2 BW Pro volstaat evenmin om de bindend adviesclausule ter zijde te stellen, mede gezien de forse stelplicht die rust op een partij die op grond van de redelijkheid en billijkheid bepleit niet langer aan het eens gegeven woord gehouden te mogen worden. [2] Aan die stelplicht is door [geïntimeerde] niet voldaan. Grief 2 van [geïntimeerde] faalt.
Onderneming van de maatschap voortgezet in [naam6] ?
5.3
Partijen zijn het er op zichzelf over eens dat de maatschap door opzegging is ontbonden, zodat het maatschapsvermogen zal moeten worden vereffend en verdeeld. In het kader van die vereffening en verdeling is in de kern genomen tussen partijen in geschil of [appellant] de onderneming van de maatschap in feite heeft voortgezet of niet. [geïntimeerde] stelt zich op het standpunt dat de eerder door de maatschap [naam7] gedreven onderneming door [appellant] vrijwel één op één (indirect) is voortgezet in [naam6] . Gelet hierop moet de vereffening en verdeling van de gemeenschap volgens haar plaatsvinden op basis van de "going concern" waarde. De rechtbank heeft [geïntimeerde] op dit punt gelijk gegeven. Hiertegen richt zich de eerste grief van [appellant] . Deze grief treft doel. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep komt naar voren dat [appellant] , na het op dit punt inwinnen van advies van een derde, [naam6] op een nieuwe locatie, zo’n 10 kilometer van [woonplaats3] , heeft gestart, dat slechts een beperkt gedeelte van het personeel van de in de maatschap gedreven onderneming in [naam6] werkzaam is, dat [appellant] de bedrijfsuitoefening van [naam6] is gestart met nieuw aangeschafte activa en daarvoor ook financiering heeft aangetrokken, dat de destijds voor [naam7] gebruikte activa in [woonplaats3] zijn achtergebleven en niet voor zijn nieuwe onderneming worden gebruikt en dat zijn huidige onderneming ook onder een andere bedrijfsnaam, met nieuwe contracten met verzekeraars en met een andere website werkt dan de in de maatschap gedreven onderneming. In het licht van deze – door [geïntimeerde] niet afdoende betwiste - feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang beschouwd, moet het ervoor worden gehouden dat geen sprake is van identiteitsbehoud. Dat een aantal oude klanten van [naam7] zich als klant heeft gemeld bij [naam6] (terwijl, naar het hof begrijpt, een ander deel is afgehaakt) geeft geen reden om hierover anders te oordelen. De onderneming van de maatschap is dus inderdaad tot een einde gekomen en niet binnen [naam6] gecontinueerd. Grief I van [appellant] slaagt. Dat brengt mee dat de in het incidenteel appel van [geïntimeerde] gevorderde verklaring voor recht onder C niet voor toewijzing in aanmerking komt.
Goodwill. Berekeningsmethodiek voor vereffening en verdeling
5.4
De hiervoor gedane constatering dat de binnen de maatschap gevoerde onderneming niet door [appellant] in [naam6] is voorgezet, brengt noodzakelijkerwijs mee dat geen grond bestaat voor een vergoeding inzake goodwill aan [geïntimeerde] en dat de door de rechtbank voorgestane berekeningsmethodiek voor de financiële afwikkeling van de samenwerking van partijen in maatschapsverband niet geëigend is. De tussen hen als gevolg van hun samenwerking in maatschapsverband ontstane gemeenschap moet dus op de gebruikelijke wijze worden vereffend (geliquideerd). Dat betekent dat de zaakscrediteuren van de maatschap moeten worden voldaan en dat – na inning van alle vorderingen – de overblijvende vermogen moeten worden verdeeld onder [appellant] en [geïntimeerde] als ex-maten, met inachtneming van hun inbreng en hun aandeel in de winst en in het liquidatiesaldo. Het hof zal, nu een vereffenaar ontbreekt en [appellant] heeft verzocht om benoeming van een vereffenaar met inachtneming van het te dezen toepasselijke artikel 20 van Pro de maatschapsovereenkomst, daartoe overgaan op de wijze als in het dictum bepaald. In het gegeven dat [geïntimeerde] zowel in haar memorie van antwoord in principaal appel als ter zitting bij het hof heeft aangegeven geen vertrouwen in de onafhankelijkheid resp. onpartijdigheid van [naam5] te hebben en [appellant] desgevraagd ter zitting heeft bevestigd dat [naam5] thans als accountant voor [naam6] werkzaam is, ziet het hof aanleiding te bepalen dat (bij) dit kantoor (werkzame personen) niet voor de vereffeningstaak kan (kunnen) worden ingeschakeld.
5.5
De grieven II, III, VII en IX van [appellant] slagen in zoverre, terwijl grief 1 van [geïntimeerde] deels (voor wat betreft het betoog over de verschuldigdheid en berekening van goodwill) faalt en voor het overige wegens gebrek aan belang geen behandeling meer behoeft. Hetgeen verder in het kader van de hiervoor genoemde grieven omtrent de verschuldigdheid van goodwill door partijen is betoogd, behoeft vanwege het voorgaande eveneens geen behandeling meer. Grief VII van [appellant] vindt voor het overige behandeling in rov. 5.7 hierna.
Gezamenlijke opnamen en bestendige gedragslijn
5.6
Grief IV en voor een deel ook grief VII van [appellant] richten zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de toerekening van de gezamenlijke opnamen over het boekjaar 2020 dient plaats te vinden op basis van het percentage van 70% voor rekening van [appellant] en 30% voor rekening van [geïntimeerde] . Beide grieven falen vanwege het volgende. Beoordeling van de feitelijk tussen partijen bij een maatschap bestaande situatie, die zich in de loop van de tijd heeft ontwikkeld, kan onder omstandigheden tot de slotsom voeren dat partijen de keuze hebben gemaakt (lees: met elkaar stilzwijgend zijn overeengekomen) bij de uitvoering van hun maatschapsovereenkomst af te wijken van het gewone uitgangspunt dat indien een maat geld opneemt voor privé-doeleinden, deze opname één op één het eigen vermogen vermindert van die maat in de maatschap. [geïntimeerde] heeft betoogd dat al vanaf 2012 sprake is van zo’n stilzwijgend overeengekomen afwijking van dit uitgangspunt, te weten (resp. tot uitdrukking komend in het feit) dat zulke opnamen steeds op basis van een 70/30 verdeling in de administratie van de maatschap plegen te worden verwerkt. [appellant] heeft – zo begrijpt het hof – op zichzelf niet betwist dat partijen deze lijn al sinds 2012 hebben gevolgd, maar meent dat deze lijn boekhoudkundig incorrect is en derhalve voor 2020 niet kan worden gevolgd. Deze redenering kan het hof niet volgen. Kennelijk heeft dit argument [appellant] er niet van weerhouden om in de jaren waarin de maten samenwoonden, steeds in te stemmen met deze bestendige wijze van administreren. Als [appellant] daartegen werkelijk bezwaar had gehad, had het op zijn weg gelegen zulks duidelijk en bijtijds kenbaar te maken. Nu van een dergelijk protest van zijn kant in eerdere jaren niet is gebleken, betekent dit dat hij voor 2020 (in welk jaar partijen tot in december nog samenwoonden) niet opeens eenzijdig op deze bestendige wijze van administreren kan terugkomen. Zonder toelichting, die ontbreekt, is daarvoor niet voldoende de enkele (en nog hierna in rov. 5.9 te behandelen) stelling dat [geïntimeerde] minder arbeid en/of arbeid van mindere kwaliteit heeft verricht dan door [appellant] mocht worden verwacht, te minder nu hij niet toelicht waarom respectievelijk op welke wijze dit een en ander concreet zou moeten doorwerken in de wijze van administreren van de opnames van beide partijen in het boekjaar 2020. [appellant] kritische noten over meerdere door [geïntimeerde] na de relatiebreuk in 2020 gedane uitgaven maakt het voorgaande niet anders, nu de samenwoning van partijen na de relatiebreuk nog geruime tijd is gecontinueerd en ter zitting door [appellant] niet is weersproken dat de gedane uitgaven voor de nieuwe woning van [geïntimeerde] met zijn medeweten en deels zelfs op zijn instigatie zijn gedaan. Deze uitgaven hebben aldus evenals voorheen als gezamenlijke uitgaven van partijen te gelden.
5.7
Het voorgaande betekent dat er, net als in eerdere jaren, ook voor het jaar 2020 uit moet worden gegaan van een 70/30 toedeling van de gezamenlijk opnamen van de maten. Het hof zal de vereffenaar te zijner tijd in het dictum van zijn uitspraak dienovereenkomstig instrueren.
Kwaliteit en omvang werkzaamheden [geïntimeerde] en urenuitbreiding moeder [geïntimeerde]
5.8
Met grief V en VI keert [appellant] zich tegen het oordeel van de rechtbank omtrent de omvang en kwaliteit van de werkzaamheden van [geïntimeerde] in maatschapsverband en de doorgevoerde uitbreiding van het aantal arbeidsuren van de moeder van [geïntimeerde] . Ook deze grieven falen. Van [appellant] had, gezien de gemotiveerde betwisting in eerst aanleg door [geïntimeerde] van de stelling dat zij ondermaats en te weinig voor de maatschap heeft gepresteerd, in hoger beroep een meer concrete en uitgebreider feitelijke onderbouwing van zijn stellingen op dit punt mogen worden verwacht. Hij heeft het echter ook in de memorie van grieven goeddeels gelaten bij een herhaling van zijn standpunt, zonder concreet te maken dat en waarom de wijze waarop [geïntimeerde] haar arbeid in maatschapsverband heeft verricht tot een verkorting van haar winstrechten zou moeten leiden. Daarmee heeft [appellant] niet aan zijn (nadere) stelplicht voldaan. Bij dit oordeel betrekt het hof ook dat [geïntimeerde] kennelijk jarenlang voor de maatschap heeft gewerkt zonder dat dit toen tot discussies over (of een inperking van) haar winstrechten heeft geleid en dat de door [appellant] genoemde en als productie 20 in eerste aanleg overgelegde e-mail van de adviseur van [appellant] aan de toenmalige advocaat van [geïntimeerde] moeilijk los kan worden gezien van de plaatsgevonden relatiebreuk van partijen en hun in verband daarmee verslechterde verhouding. Die brief is, mede gelet hierop en op de in rov. 2.8 hiervoor weergegeven inhoudelijke reactie van de advocaat van [geïntimeerde] , onvoldoende om het standpunt van [appellant] hierover te onderbouwen. Gelet op het voorgaande wordt aan bewijslevering door [appellant] op dit punt niet toegekomen.
5.9
Ook de door [appellant] aan [geïntimeerde] gemaakte verwijten over de urenuitbreiding van de moeder van [geïntimeerde] gaan mank aan een gebrek aan feitelijke onderbouwing. Deze verwijten worden in hoger beroep door [appellant] herhaald, zonder dat duidelijk wordt gemaakt dat op dit punt sprake is geweest van een ‘alleingang’ door [geïntimeerde] , die tot het door [appellant] gewenste gevolg op financieel vlak zou moeten leiden. Het hof is het met [geïntimeerde] eens dat niet het standpunt van [appellant] kan worden gevolgd dat hij buiten de beslissing tot het uitbreiden van het aantal arbeidsuren van de moeder van [geïntimeerde] is gehouden en hier als medemaat niet van wist of kon weten, gezien de toen nog dagelijkse omgang van partijen met elkaar ‘onder één dak’ en het feit dat [appellant] als maat voldoende inzicht had of kon hebben in het financiële reilen en zeilen van de maatschap, met inbegrip van (een stijging van de) salariskosten. Gelet hierop en gezien het destijds uitblijven van enig kenbaar protest van [appellant] tegen de gang van zaken rond de urenuitbreiding, moet het ervoor worden gehouden dat hij daar toen stilzwijgend mee heeft ingestemd. Dit betekent dat deze urenuitbreiding evenmin tot de door [appellant] gewenste correctie in financiële zin ten nadele van [geïntimeerde] kan leiden.
Vereffenaar nodig, Rabo rekening, huurovereenkomst
5.1
Uit het voorgaande volgt dat een vereffenaar moet worden benoemd die tot taak zal krijgen om, ter voorbereiding op de verdeling van het maatschapsvermogen, voor zover noodzakelijk alle zaaksschulden te voldoen en alle vorderingen van de maatschap te innen (te vereffenen). Bij deze werkzaamheden zal de vereffenaar mede dienen te betrekken de afwikkeling van de in randnummer 132 van de memorie van grieven in incidenteel appel genoemde Raborekening alsmede de in randnummer 136 van dat processtuk genoemde huurovereenkomst. De in het incidenteel appel van [geïntimeerde] gevorderde verklaringen voor recht onder A en B komen dus niet voor toewijzing in aanmerking. Eventuele afspraken over vrijwaring c.a. zullen partijen zelf moeten maken. Voor de vereffenaar is hier geen taak weggelegd.
5.11
Pas na voldoening van alle schuldeisers komen [appellant] en [geïntimeerde] als gewezen maten zelf aan bod: de activa die overblijven dienen te worden verdeeld onder hen beiden, met inachtneming van hun inbreng en hun aandeel in de winst en hetgeen de maatschapsovereenkomst op dit punt meebrengt. Wanneer tijdens de vereffening mocht blijken dat er onvoldoende saldo is om de zaakscrediteuren te voldoen, kan de vereffenaar van [appellant] en [geïntimeerde] verlangen dat zij dit tekort aanzuiveren naar evenredigheid van hun aandeel in het verlies van de maatschap (artikel 7A:1666 BW).
5.12
Het hof zal de zaak naar de rol verwijzen opdat partijen zich (bij voorkeur unaniem) kunnen uitlaten over de vraag wie zij geschikt achten de vereffeningstaak te vervullen. Als hiervoor aangegeven zal dit geen persoon kunnen zijn die werkzaam is bij of voor [naam5] . Evenmin komt daarvoor in aanmerking een persoon die anderszins eerder met of voor één der partijen heeft gewerkt.
5.13
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

6.De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:
1. verwijst de zaak naar de rol van 20 januari 2026 voor uitlaten door partijen als bedoeld in rov. 5.13;
2. houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.S. Bakker, M.E.L. Fikkers en T.K. Lekkerkerker en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
23 december 2025.

Voetnoten

1.Zie bijv. Gerechtshof Amsterdam 1 maart 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:632. Vgl. GS Burgerlijke Rechtsvordering, Vierde boek Rv, aant. 7.2.
2.Vgl. HR 20 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2587, NJ 1998/493: “Aan dit vereiste zal niet spoedig zijn voldaan; redelijkheid en billijkheid verlangen immers in de eerste plaats trouw aan het gegeven woord en laten afwijking daarvan slechts bij hoge uitzondering toe (vgl. Parl Gesch. Boek 6, p. 969).”