ECLI:NL:GHARL:2026:102

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
200.358.648/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om billijke vergoeding na niet-verlengen tijdelijke arbeidsovereenkomst

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 12 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep over een verzoek van een werknemer, [verzoeker], om een billijke vergoeding na het niet verlengen van zijn tijdelijke arbeidsovereenkomst door zijn werkgever, Venture Group B.V. De werknemer had in eerste instantie een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van 12 maanden, die op 1 januari 2024 inging. Tijdens een voortgangsgesprek op 4 september 2024 werd door de directeur van Venture, [de directeur], aangegeven dat er nog geen beslissing was genomen over de verlenging van de arbeidsovereenkomst, maar dat de werknemer zich moest ontwikkelen en meer gecompliceerde zaken moest oppakken. Op 28 oktober 2024 werd de werknemer meegedeeld dat zijn arbeidsovereenkomst niet verlengd zou worden. De kantonrechter had eerder geoordeeld dat Venture een toezegging had gedaan om de arbeidsovereenkomst te verlengen, maar het hof oordeelde dat dit niet het geval was. Het hof concludeerde dat Venture in redelijkheid tot het oordeel kon komen dat er onvoldoende sprake was van goed functioneren van de werknemer. De verzoeken van de werknemer om een billijke vergoeding en om te oordelen dat er sprake was van verboden leeftijdsdiscriminatie werden afgewezen. Het hof vernietigde de eerdere beschikking van de kantonrechter en veroordeelde de werknemer tot terugbetaling van de eerder toegewezen billijke vergoeding en de proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.358.648/01
zaaknummer rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, 11554307
beschikking van 12 januari 2026
in de zaak van
[verzoeker]
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. R.M. Beltzer te Weesp
tegen
Venture Group B.V.
die is gevestigd in Genemuiden
advocaat: mr. H.M. Wiechers te Zwolle

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1
[verzoeker] heeft op 25 augustus 2025 hoger beroep ingesteld tegen de beschikking [1] van 10 juni 2025 van de kantonrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle.
1.2
Het verloop van de procedure is als volgt:
  • het beroepschrift met vijf producties, binnengekomen op de griffie op 25 augustus 2025
  • de op 28 augustus 2025 van de zijde van [verzoeker] ontvangen beschikking van de kantonrechter
  • de op 2 oktober 2025 van de zijde van [verzoeker] ontvangen overige stukken van de procedure bij de kantonrechter
  • het verweerschrift tevens het beroepschrift in het door Venture ingestelde hoger beroep, met producties
  • de op 15 december 2025 gehouden mondelinge behandeling, waarvan een verslag (proces-verbaal) is opgemaakt dat aan de dossierstukken is toegevoegd.
1.3
Ondanks de aan hem geboden gelegenheid heeft [verzoeker] geen verweerschrift ingediend op het door Venture ingestelde hoger beroep.
1.4
Na afloop van de mondelinge behandeling heeft het hof een datum voor de beschikking bepaald.

2.De kern van de zaak en de uitkomst

2.1
[verzoeker] was in dienst bij Venture en zijn arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is niet door Venture verlengd. De kantonrechter heeft geoordeeld dat Venture een toezegging had gedaan de arbeidsovereenkomst te verlengen en dat Venture ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door die toezegging niet na te komen. Van de in dat verband door [verzoeker] gevorderde billijke vergoeding van € 110.842,92 bruto is € 2.174,10 bruto toegewezen. Verder is een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten toegewezen en is Venture in de proceskosten veroordeeld.
2.2
De bedoeling van het hoger beroep van [verzoeker] is dat de beschikking wordt vernietigd en alsnog aan hem een billijke vergoeding van € 110.842,92 bruto wordt toegekend, waarbij alsnog rekening wordt gehouden met een verboden leeftijdsdiscriminatie, een en ander met veroordeling van Venture in de proceskosten.
2.3
De bedoeling van het hoger beroep van Venture is dat de beschikking wordt vernietigd en dat het verzoek van [verzoeker] alsnog geheel wordt afgewezen, onder veroordeling van [verzoeker] tot terugbetaling van de onverschuldigd aan hem betaalde billijke vergoeding. Venture heeft in dat verband tevens verzocht te bepalen dat geen toezegging is gedaan tot verlenging van de arbeidsovereenkomst en dat geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen en daarmee niet van een verschuldigde billijke vergoeding. Tot slot heeft Venture gevraagd [verzoeker] te veroordelen in de proceskosten.
2.4
Het hof zal oordelen dat het verzoek van [verzoeker] tot toekenning van een billijke vergoeding alsnog moet worden afgewezen. Hieronder licht het hof toe hoe het tot deze uitkomst is gekomen.

3.Wat is er gebeurd?

Het hof gaat uit van de volgende voor zijn beslissing van belang zijnde feiten.
3.1
Venture staat aan het hoofd van een aantal ondernemingen met uiteenlopende activiteiten. Een van deze ondernemingen is [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf] ), die zich richt op juridische dienstverlening.
3.2
Naar aanleiding van de sollicitatie van [verzoeker] naar de functie van “senior jurist” bij [bedrijf] heeft zij op 11 december 2023 aan hem een aanbod gedaan voor een dienstverband bij Venture. In deze brief staat achter
“soort contract”vermeld:
“Bepaalde tijd voor de duur van 12 maanden met een maand proeftijd. Bij goed functioneren en goede vooruitzichten voor de organisatie zal het contract na afloop worden omgezet naar een contract voor onbepaalde tijd.”
3.3
Op 18 december 2023 hebben partijen een arbeidsovereenkomst ondertekend. Namens Venture heeft haar directeur, de heer [naam1] (hierna: [de directeur] ), de arbeidsovereenkomst ondertekend. Deze overeenkomst is aangegaan voor de bepaalde
duur van twaalf maanden, ingaande 1 januari 2024. Overeengekomen is dat [verzoeker] zijn werkzaamheden als jurist feitelijk voor [bedrijf] zal verrichten. Het laatst door [verzoeker] ontvangen loon bedraagt € 6.588,13 bruto per maand, exclusief bijkomende vergoedingen.
3.4
Op 4 september 2024 hebben [verzoeker] en [de directeur] een voortgangsgesprek gevoerd. [verzoeker] heeft dit gesprek zonder medeweten van [de directeur] opgenomen. Tijdens dit gesprek, dat iets meer dan een uur duurde, is eerst het functioneren van [verzoeker] inhoudelijk besproken. Uit de transcriptie van dat gesprek blijkt dat het onder meer is gegaan over welke werkzaamheden [verzoeker] feitelijk verrichtte en welke werkzaamheden hij volgens [de directeur] (meer) moest gaan verrichten, de soms als chaotisch ervaren werkwijze van [verzoeker] , het gaan opdoen van proceservaring, het financieel en administratief behandelen van dossiers, het aan welke collega’s vragen van informatie, hulp en/of begeleiding en het (willen) gaan volgen van cursussen.
3.5
Na ongeveer 50 minuten is het gesprek over de positie van [verzoeker] gegaan. De transcriptie daarover vermeldt vanaf ongeveer 50 minuten na het begin van het gesprek:
[de directeur] Ik zorg even dat het een beetje leesbaar verhaaltje wordt en dan zal ik jou dat wel even mailen en dan is eh eh em de slotvraag van ja hoe verder…
[verzoeker] ja.... nou.... Traktatie!, vast contract, ....
[de directeur] lachend hahaha trakteren mag altijd ehm ehm ehm, ik, ik, ik, ik, ga daar een beslissing over nemen ik heb die nog niet genomen. [verzoeker]
meen je dat nou, en waar zit em dat dan in?
[de directeur] Dat zit em in het nou wat ik je al in wat algemenere bewoordingen heb aangegeven dat eh ik had ik had ik had zelf de verwachting dat eh eh we sneller met inhoudelijker zaken met eh eh wat gecompliceerde zaken aan de gang hadden gekund. Dat kan een dan een verkeerde inschatting van mijn kant zijn, dat kan ook te maken hebben met het feit dat er ook heel veel prov. dagvaardingen zijn zonder betaling
[verzoeker] ja..
[de directeur] en dat die heb jij heel veel gedaan, en dat je daardoor ook nog niet die stap hebt kunnen zetten maar dat laat ik het dan zo zeggen dat ik ook wel een beetje het gevoel heb dat ik me afvraag, heb heb gevraagd of je die stap al eerder had kunnen zetten. Dat heb ik nog niet helemaal helder voor mij zelf.
[verzoeker] ok ja, Maar wat betekent dat dan?
[de directeur] nou ja dat ik dat ik nog niet definitief besloten heb voor mezelf eh dat het contract voor onbepaalde tijd wordt verlengd of wellicht voor bepaalde tijd wordt verlengd.
[verzoeker] ok.... ok ja
[de directeur] Ik ben positief in zin van verlenging he... blijf alsjeblieft
[verzoeker] nee graag wat ik ook zeg
[de directeur] ik wil alleen nog even voor mezelf gewoon even helder hebben, ik zeg er ook bij, eh eh ehe dat ik eh eh de laatste zeg de laatste 2 maanden, eh em wel een verbetering meer verbetering of meer een ontwikkeling zie dan de eerste 6 maanden.
[verzoeker] ja dat is grappig dat je dat zegt, in die eerste paar maanden heb ik echt voor mezelf keihard gewerkt altijd wel maar echt om er kwam zoveel op me af in mijn gevoel, dat systeem en dit en dat en zus en zo, .... en ik heb alleen maar bij mezelf gedacht ik ga ervoor, knallen met die handel en ja zo heb ik dat ervaren en nu dacht ik oh ja he he het begint te komen
[de directeur] het kwartje begint te vallen.
(…)
[de directeur] maar eh, nee maar ik, ik, eh, ik, en, en, wat ik ook net probeerde duidelijk te maken, het kan ook een inschatting van mij zijn geweest, eh die eh, die eh ja, overspannen is, of overspannen dat klinkt eh, ik bedoel dat zeker niet negatief, eh eh t eh ik, dat ik het idee had, dat eh, laat in het dan even zo zeggen, mijn indruk van jou was ehm. ehm, is nog steeds, dat jij heel veel dingen absorbeert en en en en je weet ook van heel veel dingen weet je weet je af en dat ik misschien daardoor een verwachting
had.... Dat je dat je in het systeem misschien, sneller, eh eh de weg had gevonden maar dat kan een verkeerde inschatting van mij zijn, dat weet ik niet, ik had zelf de verwachting dat ja na een maand of drie vier, dat je [naam bedrijf] -zaken en [naam bedrijf] en en [naam bedrijf] -zaken, eh sorry [naam bedrijf]-zaken met betaling zonder betaling en die verwachting is niet uitgekomen.
[verzoeker] nee nee ja ok
[de directeur] en dat hoeft niet aan jou te liggen dat kan ook aan, aan het werk liggen en aan mij liggen of of maar goed
[verzoeker] Ik zeg alleen maar Ik steek me vinger op kom maar door
[de directeur] nou ik wil dat ik heb heb ook zeker de intentie om dat te doen want eh eh ik heb ook in die laatste periode gemerkt dat eh eh jij ook inhoudelijk met de dingen goed uit de voeten kunt en goed dat is ook nodig want wat ik wilde met met toen ik met jou in gesprek raakte was dat er wat meer spreiding in kantoor komt met zaken, en ik, ik hoop dat met [naam2] dat nog versterkt hij is wel wat jonger maar heeft wel ook een vrij algemene brede kennis en ervaring. Ik hoop dat, dat zich dat verder ontwikkelt en ik kijk daar ook naar uit. Ik hoop dat ik wil dat ook met jou wel graag doen, dus dus ik wil eigenlijk jou ook, ook, niet in het ongewisse laten en zeker niet dat op de laatste weken laten komen. Ik wil eigenlijk begin oktober gewoon uitsluitsel geven, van we gaan zo door, of we gaan zo door, eh, eh, ja ik hoop dat dat niet al te onverwachts of ongewenst overkomt, [....]
[verzoeker] ja nou ja wat mij betreft ook ik vind het geweldig leuk ik leg mezelf druk of nou ja ik heb wel de ambitie
(…)
[de directeur] nou ok ik stuur nog een mail met die punten en nou goed laten we begin oktober even kijken dat we de definitieve klap der op geven
[verzoeker] goed.
(…)
Nou mooi. We eindigen met handdruk!
3.6
[de directeur] heeft in een emailbericht van 4 september 2024 een korte samenvatting van het gesprek geschreven, met aanduiding van de op- en aanmerkingen en de punten waarbij [verzoeker] hulp zou kunnen vragen. Dit bericht heeft [de directeur] bij vergissing niet aan [verzoeker] maar aan zichzelf gezonden. [verzoeker] heeft in de periode na 4 september 2024 het uitblijven van de/het toegezegde mail/verslag niet bij [de directeur] aan de orde gesteld.
3.7
Op 28 oktober 2024 heeft [de directeur] , samen met de heer [naam3] leidinggevende van [verzoeker] , met [verzoeker] gesproken. Ook dit gesprek is zonder medeweten van de anderen door [verzoeker] opgenomen. In dit gesprek is [verzoeker] meegedeeld dat [de directeur] zijn arbeidsovereenkomst niet wil verlengen. Van dit gesprek is een transcriptie gemaakt, waarin in reactie op de vraag van [verzoeker] naar de reden voor het niet verlengen van zijn arbeidsovereenkomst onder meer is vermeld:
[de directeur] ik heb even wat dingen op een rij gezet, ehm de standaarddossiers dus dossiers van [naam bedrijf], zonder betaling die gaan redelijk goed. (…) ehm alleen ik merk toch wel dat je daarin met het vastleggen van de data dat je daar nog steeds wel wat eh, eh, moeite mee hebt, maar dat loopt wel redelijk goed, dossiers met betalingen bij ons en bij opdrachtgever is nog steeds eh niet echt goed mogelijk gebleken, pakken we nu een beetje op (…) maar heeft erg lang geduurd naar mijn idee, eh dagvaarding van andere opdrachtgevers, is eigenlijk nog (…) niet aan de orde geweest.
(…)
[de directeur] eehhh, non-conformiteitsgeschil vind je heel erg leuk (…) maar kost je dan heel veel tijd en moeite eeh geeft niet, dat geeft niet hoor, maar dat constateer ik
(…)
[de directeur] ook als ik bijvoorbeeld kijk naar eh eh een [naam2] die eh 2 maanden hier zit, en en en eh ehe alle zaken meteen opgepakt heeft, ja ja die geeft mij een ander gevoel daarbij
(…)
[leidinggevende] Ja nou kijk ik snap dat het je overvalt, ja wat [ [de directeur] ] ook zegt een stukje bedrijfsbelang, je zit hier nu 9 à 10 maanden en als ik het dan van buiten van de afdeling bekijk zie wel daarin dingen die ook he een stukje agendabeheer, als opdrachtgever mij belt
(…)
[leidinggevende] ja de agendadatum maar het is dan een stukje agendabeheer. Ik prijs je erin, je gaat vol overtuiging in de volgende zaak maar mijn gevoel is toch wel eens van, hee maar die andere zaken dan, ligt dat dan stil, of nou ja hoe loopt dat
(…)
[verzoeker] he wat is het belang eigenlijk bij onze debiteur, nou goed los daarvan eh ja eh ja nou ja goed het overvalt mij ik vindt het ook niet helemaal fair, in die zin dat het voelt niet helemaal eerlijk omdat het mij nu zo voor de voeten wordt geworpen, en daarnaast, het bedrijfsbelang, ik heb keer op keer gewoon hele grote omzetten gedraaid. Eh eh in de lijsten dus ik zou zeggen dat begrijp ik dan niet.
[de directeur] Dat waardeer ik ook wel
[verzoeker] Wat is dan het bedrijfsbelang want ik bedoel, in de business wordt er voldoende omzet gedraaid, daar gaat het niet om het loopt niet achter of zo, het blijft ook niet achter.
[de directeur] ah nou we lopen wel achter
(…)
[verzoeker] nee nou ja goed maar waarom, waarom geef je het niet tenminste nog een kans, voor een jaar desnoods dan.
[leidinggevende] Ja maar kijk het is natuurlijk ook wel zo van als ik zelf kijk, het is ook een stukje ontwikkeling, waarom kun jij na 9 maanden met jouw ervaring en dergelijke niet alle zaken, dat is niet alleen van het is niet op je bordje gelegd, het is ook daarin denk ik wel een stukje hee hoe wordt er mee omgegaan. Ik denk dat [ [de directeur] ] dat ook wou zeggen, want als je die andere ziet, ja die schieten er doorheen, en wordt jij vrolijk van 8 dagvaardingen [naam bedrijf] op een dag weken lang?
(…)
[leidinggevende] als ik jou zo ervaring [verzoeker] kunnen we jou beter om die zaken eromheen kan doen, maar daar hebben we er ook geen honderden van liggen
[verzoeker] nee maar dat hoeft ook niet maar ik vind het alleen maar leuk om te gaan en te knallen met die dingen daar zitten leuke dingen dus ja ik bedoel ik ja wat ik al zeg ik ga zingend naar mijn werk, dus. Ja.
[de directeur] (…) en nogmaals, aan motivatie en enthousiasme heeft het niet gelegen [verzoeker] echt niet maar goed. We hebben het idee dat we gewoon met de zaken die wij hier hebben liggen, eh ja goed er niet genoeg doorkomen, en en als je als je nou bijvoorbeeld even kijkt naar een [naam4] die doet abctjes die kun jij ook, eh eh maar ik kan 2 [naam4] 's betalen, voor jou weet je dus voor jouw salaris is zo’n abctje gewoon te duur
[verzoeker] nee maar dan doe ik er desnoods meer, nou ga je qua omzet, he wat dat betreft, he dan kun je alleen maar zeggen, ja er is geen verlies.
[de directeur] nee maar goed er is meer dan alleen maar een economisch belang
3.8
Op 30 oktober 2024 en 1 november 2024 hebben [de directeur] en [verzoeker] opnieuw met elkaar gesproken. Ook die gesprekken zijn zonder medeweten van [de directeur] opgenomen.
3.9
Met een brief van 14 november 2024 heeft Venture aan [verzoeker] het eindigen van de arbeidsovereenkomst per 1 januari 2025 aangezegd. [verzoeker] heeft via een door hem ingeschakelde rechtshulpverlener tegen deze aanzegging geprotesteerd en aanspraak gemaakt op verlenging van zijn arbeidsovereenkomst voor één jaar dan wel op een compensatie bestaande uit een jaarsalaris met bijkomende vergoedingen.
3.1
[verzoeker] is per 13 december 2024 vrijgesteld van zijn werkzaamheden.
3.11
[verzoeker] is per 16 mei 2025 elders in dienst getreden.
4.
Het oordeel van het hof
De grondslag van het verzoek
4.1
[verzoeker] stelt dat het niet voorzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van Venture. Hij voert daartoe aan dat er geen reden was om niet te verlengen en dat Venture de door haar gedane toezeggingen in de brief van 11 december 2023 en tijdens het gesprek van 4 september 2024 om te verlengen niet is nagekomen. Hij heeft daar in hoger beroep aan toegevoegd dat het niet-verlengen van zijn arbeidsovereenkomst in verband staat met leeftijdsdiscriminatie, waartoe [verzoeker] zich beroept op een door Venture gedane uitspraak in het gesprek van 28 oktober 2024.
Niet verlengen als gevolg van ernstig verwijtbaar handelen?
4.2
Het hof stelt voorop dat uitgangspunt is dat een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van rechtswege eindigt. Het staat daarmee een werkgever in beginsel vrij een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet te verlengen. Die vrijheid is echter begrensd in de situatie dat een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in het vooruitzicht is gesteld bij goed functioneren. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van ‘goed functioneren’ heeft de werkgever een ruime beoordelingsvrijheid; de rechter kan dat oordeel van de werkgever slechts marginaal toetsen. Het gaat daarbij om een andere toets dan die wordt aangelegd bij een ontslag wegens disfunctioneren waarbij iemands ongeschiktheid voor de functie wordt beoordeeld en waarbij van belang is of de werkgever de persoon in kwestie in voldoende mate de gelegenheid heeft gegeven zijn functioneren te verbeteren. [2]
4.3
Verder geldt dat de rechter op grond van artikel 7:673 lid 9 van het Burgerlijk Wetboek (BW) een werknemer wiens arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van rechtswege eindigt, pas een billijke vergoeding kan toekennen als het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Voor het aannemen van ernstige verwijtbaarheid geldt een hoge drempel. Alleen in uitzonderlijke gevallen wordt deze drempel overschreden. [3]
4.4
In dit geval is in de brief van 11 december 2023, waarmee aan [verzoeker] de arbeidsovereenkomst en de functie van ‘senior jurist’ is aangeboden, beschreven dat bij goed functioneren en goede vooruitzichten van de organisatie aansluitend een overeenkomst voor onbepaalde tijd wordt aangegaan. Het gaat er dus in eerste instantie om of [verzoeker] “goed heeft gefunctioneerd”. Niet is vastgelegd wat daaronder in dit geval moet worden verstaan, zodat Venture onverkort de hiervoor bedoelde ruime beoordelingsvrijheid toekomt, waarbij wel moet kunnen vastgesteld of zij in redelijkheid tot haar oordeel over het functioneren heeft kunnen komen.
4.5
Anders dan [verzoeker] aanvoert, heeft Venture op 28 oktober 2024 in redelijkheid tot haar oordeel kunnen komen dat van ‘goed functioneren’ in onvoldoende mate sprake was. Uit de door [verzoeker] overgelegde transcriptie van het gesprek van 4 september 2024 blijkt afdoende dat Venture – in de persoon van haar directeur [de directeur] – een aantal punten in zijn functioneren heeft benoemd waarover zij een andere verwachting had en dat zij daarin graag een verbetering / verandering wilde zien, met name op het punt van het minder gaan behandelen van standaardzaken (“de abc-tjes”) en het meer gaan behandelen van meer gecompliceerde zaken. In het vervolggesprek van 28 oktober 2024, zo blijkt uit de daarvan eveneens overgelegde transcriptie, is vervolgens [verzoeker] te kennen gegeven dat hij zich haars inziens te veel met de standaardzaken is blijven bezighouden en te weinig de andere zaken heeft opgepakt en dat hij zich daarin te weinig ontwikkelde. In essentie komt het erop neer dat [verzoeker] zich in de visie van Venture te veel bezig hield met voor hem als ervaren jurist te laag gekwalificeerd werk en hij geen of te weinig vooruitgang maakte in het (meer) gaan behandelen van volgens Venture ingewikkelder dossiers. [verzoeker] bestrijdt dit weliswaar maar hij heeft voor een feitelijke onjuistheid van de visie van Venture op zijn functioneren onvoldoende aanknopingspunten aangedragen. Daarmee heeft Venture naar het oordeel van het hof in redelijkheid tot de conclusie kunnen komen dat niet van ‘goed functioneren’ van [verzoeker] sprake was. Het andersluidende betoog van [verzoeker] wordt dan ook verworpen. De door hem gestelde ernstige verwijtbaarheid van Venture kan daar dus niet op worden gebaseerd.
4.6
De hiervoor in rov. 4.2 bedoelde beslissingsvrijheid van de werkgever is ook begrensd als voor ommekomst van de overeengekomen bepaalde tijd een toezegging tot verlenging of voortzetting van de arbeidsovereenkomst aan de werknemer is gedaan. [verzoeker] voert aan dat van zo’n toezegging sprake is en beroept zich daarvoor op wat tijdens het gesprek van 4 september 2024 door [de directeur] is gezegd.
4.7
Van dat gesprek heeft [verzoeker] een transcriptie overgelegd omdat hij dat gesprek heeft opgenomen. Het staat vast dat [de directeur] niet wist dat het gesprek werd opgenomen. Omdat op dat aspect de positie van de gespreksdeelnemers [verzoeker] en [de directeur] ongelijkwaardig is geweest, beschouwt het hof die transcriptie met enige voorzichtigheid. Door die ongelijkwaardigheid is immers gestuurde beïnvloeding op onderwerpen en op uitspraken door de onwetende gespreksdeelnemer niet uit te sluiten.
4.8
Het gesprek van 4 september 2024 was het eerste voortgangsgesprek over [verzoeker] functioneren. In dat gesprek is, zo blijkt uit de transcriptie, de eerste 50 minuten gesproken over hoe [verzoeker] al dan niet zijn weg had gevonden in de door Venture gebruikte systemen en werkprocessen en de bij haar in behandeling zijnde dossiers en over in hoeverre in dat verband het optreden van [verzoeker] voldeed aan de verwachtingen die [de directeur] daarover had. [verzoeker] wordt vervolgens in dat gesprek voorgehouden dat hij volgens [de directeur] gewoon moet gaan meedraaien met de andere juristen, in welk verband hem de vraag wordt voorgelegd erover na te denken wat hij daarvoor nodig heeft en dat [de directeur] graag wil dat [verzoeker] de volgende stap zet naar het behandelen van een ander soort zaken. [de directeur] zegt daarop toe van een en ander een verslagje te maken en dit [verzoeker] toe te mailen. Op de daaropvolgende slotvraag van [de directeur] “hoe nu verder” antwoordt [verzoeker] “Traktatie, vast contract”, waarna [de directeur] reageert met uitspraken dat hij daarover nog geen beslissing heeft genomen, dat het voor hem nog niet helemaal helder is, dat hij nog niet definitief heeft besloten en dat hij begin oktober uitsluitsel wil geven, waarna hij opnieuw toezegt een mail te sturen met de benoemde punten en dat hij hoopt dat [verzoeker] zich verder ontwikkelt. Met een en ander is een duidelijk verband gelegd tussen een door Venture gewenste ontwikkeling in [verzoeker] functioneren en de beslissing over een voortzetting van de arbeidsrelatie.
4.9
Anders dan [verzoeker] aanvoert, kan uit het verloop van het gesprek niet de conclusie worden getrokken dat [de directeur] aan hem in dat gelegde verband wel heeft toegezegd hoe dan ook per 1 januari 2025 te verlengen, waarbij alleen nog de vraag was of dat voor een bepaalde tijd of onbepaalde tijd zou zijn. [de directeur] spreekt weliswaar alleen over die mogelijkheden en niet ook de mogelijkheid dat er niet verlengd zou kunnen worden, maar uit de transcriptie blijkt afdoende dat [de directeur] daarbij wat aarzelend en weifelend formuleert en herhaalde malen aangeeft nog geen besluit te hebben genomen. De andere daarbij gebruikte bewoordingen van [de directeur] van “ik ben positief in zin van verlenging he …. blijf alsjeblieft” maken dat niet anders. Partijen hadden immers nog zo’n vier maanden te gaan tot het einde van de arbeidsovereenkomst en daarmee nog zo’n drie maanden voor het in artikel 7:668 lid 1 BW bedoelde aanzegmoment. Op dat moment zette [de directeur] voor de daarop volgende periode duidelijk in op een verbetering /ontwikkeling die [verzoeker] in zijn functioneren moesten laten zien, alvorens te beslissen. In dat verband is begrijpelijk dat [de directeur] ook positieve en aanmoedigende woorden sprak. De transcriptie geeft in dat verband ook geen aanknopingspunt dat [verzoeker] , ondanks de afsluitende mededeling van [de directeur] dat ‘begin oktober er een definitieve klap op zou worden gegeven’, op dat moment (toch) aannam (dat [de directeur] al besloten had) dat hij in ieder geval na 1 januari 2025 zou (kunnen) blijven, zoals [verzoeker] stelt. Zo’n aanname verwoordt [verzoeker] niet in dat gesprek en ook niet nadat de door [de directeur] toegezegde mail met besproken punten uitbleef (zie rov. 3.6). Zo’n aanname valt in de gegeven omstandigheden ook niet te baseren op de handdruk die [de directeur] aan het eind van het gesprek aan [verzoeker] heeft gegeven. Voor zover aan de woorden van [de directeur] en diens handdruk het karakter van een toezegging zou kunnen worden toegekend, zoals [verzoeker] meent, had hij uit wat tijdens datzelfde gesprek nog meer is besproken, dan ook kunnen en moeten begrijpen dat een voortzetting – in welke vorm of duur dan ook – afhing van de door Venture gewenste verandering/verbetering in zijn functioneren.
4.1
Gelet op een en ander mocht [verzoeker] aan de door hem aangewezen uitspraken van [de directeur] , die in de door hem bepleite zin onvoldoende duidelijk en ondubbelzinnig waren, niet opvatten als een onvoorwaardelijke toezegging tot verlenging van zijn arbeidsovereen-komst waarop Venture niet meer mocht terugkomen. Dit betekent dat Venture met haar op 28 oktober 2024 aan [verzoeker] kenbaar gemaakte besluit zijn arbeidsovereenkomst niet te verlengen niet is terugkomen op een (haar bindende) toezegging. Daaruit volgt dat het niet-verlengen van de arbeidsovereenkomst niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen, zoals artikel 7:673 lid 9 BW wel vereist.
Niet verlengen verboden leeftijdsonderscheid?
4.11
Het hof stelt hierover voorop dat het, op grond van artikel 7:646 lid 12 BW, aan [verzoeker] is om die feiten aan te voeren die het door hem gestelde (verboden) leeftijdsonderscheid kunnen doen vermoeden. Dit betekent dat hij feiten moet stellen en deze bij gemotiveerde betwisting ook moet bewijzen, waaruit een dergelijk vermoeden volgt. Als hij hierin slaagt, is het aan Venture om te bewijzen dat zij geen verboden onderscheid jegens [verzoeker] heeft gemaakt. Anders gezegd: [verzoeker] hoeft niet aan te tonen dat sprake is van een verboden onderscheid, maar moet de hulpfeiten stellen waaruit het vermoeden kan worden afgeleid dat van een verboden onderscheid sprake is.
4.12
[verzoeker] heeft in dat verband gewezen op de uitspraak van [de directeur] in het gesprek van 28 oktober 2024 als hiervoor in rov. 3.7 is weergegeven, te weten:
“en als je als je nou bijvoorbeeld even kijkt naar een [naam4] die doet abctjes die kun jij ook, eh eh maar ik kan 2 [naam4] 's betalen, voor jou weet je dus voor jouw salaris is zo’n abctje gewoon te duur”. Volgens [verzoeker] is hiermee sprake van een verboden leeftijdsonderscheid omdat deze is gebaseerd op een verschil in overeengekomen brutoloon dat samenhangt met zijn leeftijd en dat van [naam4] , een junior jurist. Het om die reden niet-verlengen van de arbeidsovereenkomst is in strijd met artikel 3 onder c. van de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid (WGBL) en kan niet gerechtvaardigd worden door een van de in artikel 7 van die wet genoemde gronden. Conform artikel 11 van die wet en artikel 7:681 BW is om die reden aan hem een billijke vergoeding verschuldigd, aldus [verzoeker] .
4.13
Het hof volgt [verzoeker] niet in diens betoog. De door hem gelaakte uitspraak is door [de directeur] gedaan in de context dat Venture niet tevreden was over het feit dat [verzoeker] haars inziens, ondanks zijn kennis en ervaring, zich nog steeds te veel bezig hield met standaardzaken (“de abc-tjes”), daar waar Venture van hem verwachtte dat [verzoeker] als een ervaren jurist zich meer bezig had gehouden met de meer gecompliceerde zaken. Volgens Venture hield [verzoeker] zich daarmee te veel bezig met werkzaamheden en dossiers die voor hem te laag gekwalificeerd waren en die door andere, minder ervaren medewerkers gedaan zouden moeten worden. Dat aspect was tijdens het gesprek van 4 september 2024 ook aan de orde geweest en [verzoeker] had na dat gesprek daarin in de visie van Venture geen of te weinig verandering laten zien, zo blijkt uit de overgelegde transcriptie. Met een en ander is afdoende duidelijk geworden dat de leeftijd noch het loon van [verzoeker] voor Venture (mede) redengevend was om de arbeidsovereenkomst niet te verlengen maar haar visie op zijn functioneren, waaronder begrepen het door hem onvoldoende oppakken van hoger gekwalificeerde werkzaamheden en het niet overlaten van “de abc-tjes” aan een minder ervaren jurist.
4.14
De door [verzoeker] aangewezen uitspraak van [de directeur] acht het hof, gelet op de betwisting daarvan door Venture, dan ook onvoldoende om het vermoeden te rechtvaardigen dat de beslissing van Venture om de arbeidsovereenkomst niet te verlengen zodanig samenhangt met zijn leeftijd dat er sprake is van een verboden onderscheid in de zin van artikel 7:646 lid 1 BW jo artikel 3 WGBL.
4.15
Uit het voorgaande volgt dat er geen reden is voor een op artikel 7:681 BW gebaseerde billijke vergoeding.
Schending goed werkgeverschap?
4.16
[verzoeker] heeft tot slot aangevoerd dat Venture haar verplichtingen als een goed werkgever als bedoeld in artikel 7:611 BW heeft geschonden en dat Venture om die reden een billijke vergoeding is verschuldigd. Nog daargelaten dat moet worden aangenomen dat zowel de regeling van artikel 7:673 lid 9 BW als het gaat om een aan werkgever te maken verwijt bij het niet verlengen van een arbeidsovereenkomst, als de regeling van artikel 7:646 BW en de WGBL als het gaat om het maken van verboden leeftijdsonderscheid, uitputtende regelingen inhouden en er om die reden geen ruimte (meer) is voor een beoordeling van die verwijten op basis van artikel 7:611 BW, geldt dat, ook als dit anders zou zijn, die grondslag [verzoeker] niet verder helpt. Inhoudelijk steunt die grondslag immers op dezelfde feiten en omstandigheden die al bij de beoordeling van die andere grondslagen zijn gewogen en verworpen.
Het bewijsaanbod van [verzoeker]
4.17
[verzoeker] heeft nog een bewijsaanbod gedaan. Omdat [verzoeker] zijn stellingen zoals hierboven uiteengezet onvoldoende heeft onderbouwd, komt het hof niet aan bewijslevering toe en passeert hij het bewijsaanbod van [verzoeker] .
De tegenverzoeken van Venture
4.18
Venture heeft in haar beroepschrift verzocht te bepalen dat geen toezegging is gedaan tot verlenging van de arbeidsovereenkomst en dat geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen waardoor ook geen sprake kan zijn van een billijke vergoeding. Dit betreft echter een zelfstandig tegenverzoek dat door Venture voor het eerst in hoger beroep wordt gedaan. Op grond van artikel 362 Rv in samenhang met artikel 282 lid 4 Rv is het eerst in hoger beroep doen van een zelfstandig tegenverzoek niet toegestaan. Het hof zal daarom Venture in dat tegenverzoek niet-ontvankelijk verklaren.
4.19
Het verzoek van Venture om [verzoeker] te veroordelen tot terugbetaling van wat zij op basis van de bestreden beschikking aan hem heeft betaald, is wel ontvankelijk omdat dat verzoek als een logisch gevolg moet worden aangemerkt van een vernietiging van de bestreden beschikking en een afwijzing alsnog van wat is toegewezen.
De conclusie
4.2
Het hoger beroep van Venture slaagt. De beschikking zal worden vernietigd en het verzoek van [verzoeker] tot toekenning van een billijke vergoeding zal alsnog worden afgewezen. Gelet op dit oordeel hoeft het door [verzoeker] in hoger beroep ingestelde verzoek tot verhoging van de aan hem toegekende billijke vergoeding niet verder besproken te worden en zal dit worden afgewezen. Daarmee is zijn hoger beroep vergeefs ingesteld.
4.21
Omdat [verzoeker] in het ongelijk wordt gesteld, zal het hof hem tot betaling van de proceskosten, zowel in hoger beroep als bij de kantonrechter, veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. [4]
4.22
De door Venture gevorderde terugbetaling van wat zij op basis van de beschikking van 10 juni 2025 heeft betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na dagtekening van deze beschikking, zal eveneens worden toegewezen.
4.23
Voormelde veroordelingen kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

5.De beslissing

Het hof:
5.1
verklaart Venture niet-ontvankelijk in haar tegenverzoek als bedoeld in rov. 4.18;
5.2
vernietigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 10 juni 2025 en beslist opnieuw als volgt:
5.3
wijst het verzoek van [verzoeker] tot toekenning van een billijke vergoeding af;
5.4
veroordeelt [verzoeker] tot terugbetaling aan Venture van alles wat Venture op grond van de beschikking van 10 juni 2025 aan hem heeft betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van deze beschikking tot aan de dag van terugbetaling;
5.5
veroordeelt [verzoeker] tot betaling van de volgende proceskosten van Venture tot aan de uitspraak van de kantonrechter:
 € 542,- € 542,- aan salaris van de advocaat van Venture (2 procespunten × kantontarief à € 271,- ) [5]
en tot betaling van de volgende proceskosten van Venture in hoger beroep:
  • € 827,- aan griffierecht
  • € 2.428,- aan salaris van de advocaat van Venture (2 procespunten × appeltarief II à € 1.214,-)
5.6
bepaalt dat de proceskosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
5.7
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
5.8
wijst af wat verder is verzocht.
Dit beschikking is gegeven door mrs. W.F. Boele, M. Willemse en C.W. Inden, en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2026.

Voetnoten

1.De beschikking is gepubliceerd onder ECLI:NL:RBOVE:2025:3946.
2.Vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 13 november 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:9551.
3.Kamerstukken II 2013-2014, 33 818, nr. 3.
4.HR 10 juni 2022, ECLI: NL:HR:2022:853.
5.Bij de kantonrechter was Venture als verwerende pij geen griffierecht verschuldigd. En als salaris tot uitgangspunt genomen het tarief dat hoort bij een geldvordering tot € 5.000