ECLI:NL:GHARL:2026:103

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
200.358.106
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag op staande voet en rechtsgeldigheid van de arbeidsovereenkomst

In deze zaak heeft [Verzoeker] hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, waarin zijn ontslag op staande voet door Bruinsma Verkeersopleidingen B.V. als rechtsgeldig werd beoordeeld. [Verzoeker] was als rijinstructeur in dienst bij Bruinsma en werd op staande voet ontslagen na beschuldigingen van het geven van rijlessen aan een klant zonder toestemming van Bruinsma, het faciliteren van de verkoop van de privéauto van deze klant, en het niet voldoende meewerken aan zijn re-integratie na een auto-ongeluk. De kantonrechter had geoordeeld dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig was, wat [Verzoeker] betwistte in zijn hoger beroep. Het hof heeft de feiten en omstandigheden van de zaak in overweging genomen, waaronder de dringende redenen voor het ontslag. Het hof concludeert dat Bruinsma terecht het ontslag op staande voet heeft gegeven, omdat [Verzoeker] zich niet heeft gehouden aan zijn verplichtingen als werknemer en de reputatie van Bruinsma in gevaar heeft gebracht. Het hof verwerpt het hoger beroep van [Verzoeker] en legt de proceskosten bij hem neer.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
Locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.358.106
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht: 11566651
beschikking van 12 januari 2026
in de zaak van
[Verzoeker]
die woont in [woonplaats1]
hierna: [Verzoeker]
advocaat: mr. J.J. Schraagen
tegen:
Bruinsma Verkeersopleidingen B.V.
die is gevestigd in Utrecht
hierna: Bruinsma
advocaat: mr. H.J.F. Wekking

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
[Verzoeker] heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 12 mei 2025 (hierna: de bestreden beschikking). Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:
- het beroepschrift (met producties) van 8 augustus 2025;
- het verweerschrift (met producties);
- het nagezonden verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling in eerste aanleg;
- het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 26 november 2025 bij het hof is gehouden.
1.2.
Vervolgens heeft het hof bepaald dat er op 12 januari 2026 beschikking zal worden gegeven.

2.De kern van de zaak

2.1.
Bruinsma heeft [Verzoeker] op staande voet ontslagen. Volgens [Verzoeker] onterecht. Hij heeft besloten te berusten in de opzegging, maar wil wel een verklaring voor recht dat Bruinsma de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig heeft opgezegd. Daarnaast wenst hij aanspraak te maken op een billijke vergoeding, een transitievergoeding en een gefixeerde schadevergoeding. Deze verzoeken heeft hij daarom aan de kantonrechter voorgelegd, samen met een verzoek om voor recht te verklaren dat het tussen partijen overeengekomen studiekostenbeding nietig is. Bruinsma heeft in dit kader bij wijze van tegenverzoek verzocht om [Verzoeker] te veroordelen tot terugbetaling van gemaakte studiekosten.
2.2.
De kantonrechter heeft geoordeeld dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is en de verzoeken van [Verzoeker] die verband houden met dat ontslag afgewezen. [Verzoeker] is het daar niet mee eens. De bedoeling van zijn hoger beroep is dat het hof alsnog voor recht verklaart dat het ontslag op staande voet ten onrechte is gegeven en hem de verzochte vergoedingen toekent.
2.3.
[Verzoeker]’s verzoek met betrekking tot het studiekostenbeding heeft de kantonrechter toegewezen en het tegenverzoek van Bruinsma op dat punt afgewezen. Bruinsma heeft daar geen bezwaar tegen gemaakt. De verzoeken omtrent het studiekostenbeding vormen in hoger beroep dus geen onderwerp van debat meer.
2.4.
Het hof zal beslissen dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven. Dat leidt ertoe dat het hof het hoger beroep van [Verzoeker] zal verwerpen. Hierna licht het hof deze beslissing toe, na eerst de relevante feiten te schetsen.

3.De beslissing van het hof en de toelichting daarop

De achtergrond van de zaak
3.1.
De kantonrechter heeft de feiten weergegeven in rechtsoverwegingen 3.1 tot en met 3.4 van de besteden beschikking, waarnaar het hof verwijst. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten, komen de feiten op het volgende neer. Daarbij merkt het hof op dat de rechter de relevante feiten selecteert met het oog op de te nemen beslissing, dat de rechter daarbij grote vrijheid toekomt en dat er geen rechtsregel is die de rechter verplicht alle tussen partijen vaststaande feiten te vermelden. In zoverre kan het bezwaar (de grief) die [Verzoeker] tegen de feitenvaststelling heeft gericht hem dus niet baten.
3.2.
Bruinsma exploiteert een auto- en motorrijschool. [Verzoeker], geboren [in]
1982, is op 12 april 2024 bij Bruinsma in dienst getreden als rijinstructeur op basis van een
arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor de duur van 12 maanden.
3.3.
In de avond van 13 augustus 2024 heeft [Verzoeker] met de lesauto van Bruinsma een eenzijdig auto-ongeluk gehad. De volgende dag, op 14 augustus 2024, heeft hij zich ziekgemeld in verband met bij dit ongeluk opgelopen letsel.
3.4.
Op 16 december 2024 heeft Bruinsma [Verzoeker] per brief een schriftelijke waarschuwing gegeven vanwege gebrekkige medewerking door [Verzoeker] aan zijn re-integratie. Een week later, op 23 december 2024, heeft er een driegesprek plaatsgevonden tussen [Verzoeker], de algemeen directeur en de operationeel directeur van Bruinsma. Vervolgens heeft Bruinsma [Verzoeker] bij brief van 27 december 2024 op staande voet ontslagen. [Verzoeker] heeft diezelfde dag bezwaar gemaakt tegen het ontslag.
De beoordeling
3.5.
De kernvraag die voorligt is of [Verzoeker] terecht op staande voet is ontslagen. Omdat het ontslag op staande voet een uiterste middel is en grote gevolgen heeft voor de werknemer, stelt de wet daaraan in artikel 7:677 lid 1 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) strenge eisen. De opzegging moet onverwijld zijn en vergezeld gaan van mededeling van de reden voor ontslag die bovendien als dringende reden moet gelden. Op grond van artikel 7:678 lid 1 BW worden als dringende redenen beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen dat van de werkgever redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag of van een zodanige dringende reden sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Daarbij dient niet alleen te worden gelet op de aard en de ernst van de aan de werknemer verweten gedraging, maar moeten ook de aard van de dienstbetrekking, de duur daarvan en de wijze waarop de werknemer die dienstbetrekking heeft vervuld, in de afweging worden betrokken. Daarnaast moet rekening worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag voor hem zullen hebben. Ook als deze gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van deze persoonlijke omstandigheden tegen de aard en ernst van de dringende reden tot de slotsom leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is.
3.6.
Voor de beoordeling van de vraag of sprake is van een dringende reden, zijn de redenen zoals vermeld in de ontslagbrief van 27 december 2024 maatgevend: daarmee zijn de ontslaggronden gefixeerd. Het hof legt deze ontslagbrief zo uit dat Bruinsma aan het ontslag drie gedragingen ten grondslag heeft gelegd die volgens haar op zichzelf, maar ook in onderlinge samenhang bezien een dringende reden opleveren voor een ontslag op staande voet. De verwijten zien erop dat [Verzoeker]: i) zonder medeweten van Bruinsma, al dan niet tegen betaling, rijlessen heeft gegeven aan mevrouw [naam klant1] (hierna: [naam klant1]), een klant van Bruinsma, ii) de privéauto van [naam klant1], althans van haar echtgenoot, heeft verkocht, en iii) gedurende zijn arbeidsongeschiktheid onvoldoende heeft meegewerkt aan zijn re-integratie. Het is aan Bruinsma om de aanwezigheid van de dringende redenen te stellen en, bij voldoende betwisting, te bewijzen. Daarbij is van belang dat voor bewijs in het burgerlijk procesrecht niet steeds vereist is dat de te bewijzen feiten en omstandigheden onomstotelijk komen vast te staan, maar kan volstaan dat deze voldoende aannemelijk worden. [1] Dit toetsingskader in ogenschouw nemende, overweegt het hof als volgt.
Ad i) De rijlessen aan [naam klant1]
3.7.
Vaststaat dat [naam klant1] zich in het voorjaar van 2024 bij Bruinsma heeft gemeld voor een opfrisles, onder andere om haar in staat te stellen haar dementerende echtgenoot te bezoeken als deze in de toekomst naar een verpleegtehuis zou moeten verhuizen. [naam klant1] was op dat moment 85 jaar oud. Bruinsma heeft de betreffende opfrisles ingepland op 18 juli 2024 bij [Verzoeker]. De rijles is op die datum gegeven en [naam klant1] heeft deze een week later betaald.
3.8.
De rijles van 18 juli 2024 is de enige rijles die Bruinsma in haar systeem heeft staan. Medio december 2024 neemt [naam klant1] echter contact op met Bruinsma om te checken of er nog bedragen open stonden die zij aan Bruinsma moest betalen. Na de rijles op 18 juli 2024 had zij namelijk nog een aantal rijlessen van [Verzoeker] gehad, zo gaf zij aan, die zij contant aan hem had betaald. Desgevraagd gaf [naam klant1] aan dat het in haar herinnering ging om rijlessen op 2, 20 en 26 augustus 2024.
3.9.
[Verzoeker] erkent dat hij op 2 augustus 2024 een rijles aan [naam klant1] heeft gegeven maar betwist dat hij dat op 20 en/of 26 augustus 2024 heeft gedaan. Voor zover hij op 26 augustus 2024 (of een andere, niet in de ontslagbrief genoemde datum) een rijles aan [naam klant1] heeft gegeven, kunnen die rijlessen volgens hem bovendien niet geacht worden aan het ontslag op staande voet ten grondslag te zijn gelegd omdat die niet in de ontslagbrief zijn genoemd en dus niet aan hem zijn medegedeeld. In de ontslagbrief worden namelijk alleen 2 en 20 augustus 2024 genoemd als data waarop hij rijlessen aan [naam klant1] heeft gegeven. Dat verweer slaagt niet. Het doel van het vereiste van de mededelingsplicht die geldt bij een ontslag op staande voet, is om te zorgen dat de werknemer weet waar hij zich tegen moet verweren. In dit geval volgt uit de ontslagbrief voldoende duidelijk wat het verwijt is dat Bruinsma op dit punt aan [Verzoeker] maakt en aan het ontslag op staande voet ten grondslag legt: namelijk dat hij buiten medeweten van Bruinsma rijlessen aan [naam klant1] heeft gegeven, al dan niet tegen betaling. Daarbij komt dat de data waarop dit is gebeurd, informatie betreft die in het domein van [Verzoeker] ligt. De rijlessen zijn immers niet ingeboekt in het systeem van Bruinsma. Ten slotte is in de ontslagbrief aan de verwijzing naar 2 en 20 augustus 2024 ook nog toegevoegd “onder meer”. Al met al moet het [Verzoeker] voldoende duidelijk zijn geweest wat het verwijt van Bruinsma op dit punt was en waartegen hij zich diende te verweren. Kort gezegd gaat het er dus om óf vastgesteld kan worden dat [Verzoeker] zonder medeweten van Bruinsma rijlessen aan [naam klant1] heeft gegeven en niet zozeer of dat (alleen) is geweest op de data die in de brief vermeld staan.
3.10.
Gelet op de erkenning van [Verzoeker] staat vast dat hij in ieder geval op 2 augustus 2024 zonder voorafgaand overleg met en/of goedkeuring van Bruinsma een rijles heeft gegeven aan [naam klant1]. Hij heeft dat naar eigen zeggen gedaan omdat [naam klant1] boos en verward was over het feit dat zij betalingsherinneringen van Bruinsma bleef ontvangen voor de rijles van 18 juli 2024, terwijl zij die al betaald had. Naar aanleiding van deze klacht heeft [Verzoeker] met de administratie van Bruinsma gebeld om te zorgen dat er geen herinneringen meer zouden worden gestuurd en daarnaast zelf besloten om [naam klant1] voor het ongemak te compenseren door een gratis rijles aan haar te geven. [Verzoeker] heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof nog betoogd dat als hij dit wel aan Bruinsma had voorgelegd, Bruinsma er naar alle waarschijnlijkheid helemaal geen punt van had gemaakt. Dat kan zo zijn. Maar daarmee gaat [Verzoeker] voorbij aan het verwijt dat Bruinsma hem maakt, namelijk dat het niet aan [Verzoeker] is om te bepalen of een gratis rijles mag worden “weggegeven”.
3.11.
Verder staat vast dat [Verzoeker] na 2 augustus 2024 nog twee keer met [naam klant1] is meegereden in hun privéauto: één keer naar Albert Heijn omdat [naam klant1] dit een lastige route vond. En één keer met ook de echtgenoot van [naam klant1] in de auto. [Verzoeker] heeft dat zelf verklaard. Volgens hem ging het daarbij echter om een vriendendienst en niet om een rijles omdat het niet in een lesauto was en [Verzoeker] niet kon ingrijpen. Daar volgt het hof [Verzoeker] niet in. Het gegeven dat deze ritten niet in een lesauto plaatsvonden, kan er niet aan afdoen dat [Verzoeker] meereed op verzoek van [naam klant1] met als doel dat zij daar iets van leerde. Hij ging niet mee om te helpen met het doen van boodschappen, maar om te kijken of het rijden goed ging en op dat punt tips aan [naam klant1] te geven. Dit nog los van de onbetwiste stelling van Bruinsma dat opfrislessen wel vaker in de eigen auto van de klant plaatsvinden en niet in een lesauto. Onder deze omstandigheden kunnen deze twee ritten naar het oordeel van het hof dan ook worden aangemerkt als rijlessen. Of deze twee rijlessen op 20 en/of 26 augustus hebben plaatsgevonden, kan gelet op wat het hof onder r.o. 3.10 hierboven heeft overwogen verder in het midden blijven.
3.12.
Het voorgaande betekent dat vaststaat dat [Verzoeker] zonder medeweten van Bruinsma in ieder geval drie rijlessen aan [naam klant1] heeft gegeven en Bruinsma [Verzoeker] dus terecht een verwijt maakt op dit punt. [Verzoeker] betwist dat hij voor die drie rijlessen geld heeft ontvangen. Deze betwisting is moeilijk te rijmen met de verklaring van [naam klant1] en haar zorgbegeleiders dat [naam klant1] [Verzoeker] contant heeft betaald en ook niet met het gegeven dat de contante betalingen voor [naam klant1] juist reden zijn geweest om in december 2024 contact met Bruinsma op te nemen (zie r.o. 3.8 hierboven). Maar los daarvan kan in het midden blijven of er wel of niet betaald is. Ook als er niet betaald is, heeft [Verzoeker] zijn werkgever (financieel) benadeeld. Het was niet aan [Verzoeker] om te besluiten om gratis rijlessen te geven. Bruinsma heeft in de ontslagbrief zelf ook aangegeven dat voor haar niet relevant is of [Verzoeker] de lessen al dan niet tegen betaling heeft verricht.
Ad ii) Verkoop van de privéauto van [naam klant1]
3.13.
Het tweede verwijt dat Bruinsma [Verzoeker] maakt, is dat hij – onder dubieuze omstandigheden – de verkoop van een privé auto van een klant heeft gefaciliteerd. Door te handelen zoals hij heeft gedaan, heeft hij de reputatie van Bruinsma als betrouwbare rijschool op het spel gezet. [Verzoeker] had zich volgens Bruinsma nooit met deze verkoop in mogen laten. Daar volgt het hof Bruinsma in.
3.14.
Vaststaat dat [Verzoeker] het echtpaar [naam klant1] kent doordat hij als rijinstructeur van Bruinsma een les aan [naam klant1] heeft gegeven. De eerste kennismaking vond plaats ter gelegenheid van de eerste rijles op 18 juli 2024. Slechts een paar weken na deze eerste kennismaking start [Verzoeker] het verkoopproces al, onder andere door een nieuw kentekenbewijs aan te vragen bij RDW. Dit terwijl hij ermee bekend was dat [naam klant1] juist rijlessen had aangevraagd om haar rijvaardigheid op te frissen omdat zij weer actiever wilde gaan autorijden. [Verzoeker] zag daar, zo verklaarde hij tijdens de mondelinge behandeling bij het hof, geen belemmering in omdat het volgens hem toch niet verstandig was dat [naam klant1] weer (meer) zou gaan rijden. Daarbij werkte het in dat huwelijk volgens [Verzoeker] zo dat als de echtgenoot van [naam klant1] iets wilde, dat ook gebeurde en de auto was nu eenmaal van de echtgenoot van [naam klant1]. Alleen deze omstandigheden hadden voor [Verzoeker] al aanleiding moeten vormen om zich niet met een verkoop van de privéauto van deze klant in te laten.
Daarbij komt dat er onduidelijkheid bestaat over de financiële afwikkeling van de verkoop van de auto. Vaststaat dat de garage waaraan [Verzoeker] de auto heeft verkocht de verkoopprijs van € 7.000,- op 30 september 2024 heeft overgemaakt naar het rekeningnummer van [Verzoeker]. Pas 2 dagen later, op 2 oktober 2024, heeft [Verzoeker] per bankoverboeking een bedrag van € 3.250,- aan [naam klant1] overgemaakt. In ieder geval is het dus zo dat na aftrek van deze girale overboeking, nog een bedrag van € 3.750,- van de verkoopprijs resteert. Bij de omschrijving van de girale overboeking is vermeld dat al eerder een bedrag van € 3.250,- contant is betaald. Maar buiten deze door [Verzoeker] zelf opgenomen omschrijving, is er geen enkel bewijs van deze contante betaling, zoals bijvoorbeeld een kwitantie. [Verzoeker] voert aan dat hij de contante betaling al voor de verkoop aan de echtgenoot van [naam klant1] heeft overhandigd. De echtgenoot van [naam klant1] stond op deze contante betaling omdat hij zeker wilde weten dat [Verzoeker] er niet met de auto vandoor zou gaan, aldus [Verzoeker]. Hoe dit zich verhoudt tot het betoog van [Verzoeker] dat er sprake was van een vriendschappelijke relatie, heeft [Verzoeker] niet nader toegelicht. Als aangenomen wordt dat [Verzoeker] een bedrag van € 3.250,- contant heeft betaald, komt het totale bedrag dat hij aan [naam klant1] zou hebben betaald uit op € 6.500,-. [Verzoeker] heeft het verschil tussen de koopprijs van € 7.000,- en dit aan [naam klant1] betaalde bedrag verklaard met de stelling dat hij een bedrag van € 500,- op de koopprijs in mindering heeft gebracht in verband met kosten die hij had gemaakt (zoals de aanvraag van het nieuwe kentekenbewijs, benzine etc.). Maar tijdens de mondelinge behandeling bij het hof gaf [Verzoeker] aan dat een deel van deze kosten al eerder contant door [naam klant1] aan hem waren vergoed, en bevestigde hij dat [naam klant1] dan dus dubbel voor deze posten had betaald. Of er bij de financiële afwikkeling inderdaad sprake is geweest van bevoordeling van [Verzoeker] ten koste van [naam klant1], kan niet worden vastgesteld. Maar duidelijk is wel dat er meerdere vraagtekens gezet kunnen worden bij deze verkooptransactie, zowel wat betreft het besluit om deze verkoop te faciliteren als de financiële afwikkeling daarvan. Dat geldt te meer nu het hier gaat om een echtpaar op leeftijd in een kwetsbare positie; de echtgenoot van [naam klant1] was immers dementerend. Het echtpaar werd lichamelijk en huishoudelijk ondersteund door twee verschillende (thuis)zorgorganisaties. Dat kan [Verzoeker] niet ontgaan zijn als hij daadwerkelijk op zo’n goede voet met hen stond als hij betoogt. Hij had zich dan ook moeten realiseren dat voorzichtigheid hier geboden was, zeker nu de basis van de gestelde vriendschappelijke band gelegen was in de oorspronkelijk zakelijke relatie: namelijk die van [Verzoeker] als rijinstructeur van Bruinsma en [naam klant1] als klant. Het lag op de weg van [Verzoeker] als werknemer van Bruinsma om ervoor te zorgen dat er geen enkele twijfel zou kunnen bestaan over zijn integriteit als rijinstructeur (en in het verlengde daarvan over de integriteit van Bruinsma als rijschool). Door te handelen zoals hij heeft gedaan en zich in te laten met de privézaken van een klant van Bruinsma, heeft hij de reputatie van Bruinsma op onaanvaardbare wijze in de waagschaal gesteld door geen rekening te houden met het gegeven dat zijn handelen ten opzichte van klanten van Bruinsma zoals hiervoor beschreven, negatief afstraalt op Bruinsma.
Ad iii) Het niet, althans onvoldoende, meewerken aan re-integratie
3.15.
Bruinsma verwijt [Verzoeker] ten slotte dat hij niet heeft voldaan aan zijn re-integratieverplichtingen en dat hij langere perioden voor Bruinsma onbereikbaar was. Het hof is hier kort over. Ook als het verwijt dat [Verzoeker] zijn re-integratieverplichtingen heeft geschonden terecht is, geldt dat voor dergelijke schendingen in de wet specifieke sancties zijn opgenomen, zoals het opschorten van loon en/of een loonstop. Deze maatregelen moeten eerst worden ingezet om een werknemer te bewegen zijn re-integratieverplichtingen na te komen. Een ontslag op staande voet in geval van schending van re-integratieverplichtingen is in beginsel pas aan de orde als het opleggen van die sancties niet het beoogde effect sorteert of als er sprake is van bijzondere bijkomende omstandigheden. Zover was het in dit geval nog niet. Zodoende kan dit verwijt het ontslag op staande voet dan ook niet (mede) dragen.
3.16.
De verwijten ten aanzien van de rijlessen en de verkoop van de auto leveren naar het oordeel van het hof in samenhang bezien wel een dringende reden op die een ontslag op staande voet rechtvaardigt. Zoals hiervoor overwogen heeft [Verzoeker] zich onvoldoende rekenschap gegeven van zijn positie als werknemer van Bruinsma en van de zakelijke relatie die er tussen hem als rijinstructeur van Bruinsma en [naam klant1] als klant van Bruinsma bestond. Dat valt hem zwaar aan te rekenen.
3.17.
Voor zover [Verzoeker] betoogt dat zijn persoonlijke omstandigheden maken dat ontslag op staande voet een te zware remedie is, gaat het hof daaraan voorbij. Het gegeven dat [Verzoeker] sinds de aanvang van zijn dienstverband naar volle tevredenheid heeft gefunctioneerd, kan maar beperkt gewicht in de schaal leggen aangezien [Verzoeker] pas vier maanden in dienst was op het moment dat een en ander zich af speelde. Verder is het juist dat [Verzoeker] ten tijde van het ontslag op staande voet arbeidsongeschikt was. Maar het opzegverbod bij ziekte geldt niet in geval van een ontslag op staande voet. Daarbij komt dat de door het hof aangenomen dringende reden voor het ontslag op staande voet ook geen samenhang vertoont met [Verzoeker]’s arbeidsongeschiktheid. Ook hierin ziet het hof dus geen aanleiding voor een andere uitkomst van de belangenafweging. Ten slotte heeft [Verzoeker] erop gewezen dat het feit dat hij het gesprek van 23 december 2024 als intimiderend heeft ervaren, onvoldoende is meegewogen. Hij heeft echter niet nader toegelicht en concreet gemaakt hoe en waarom deze omstandigheid, die overigens door Bruinsma wordt weersproken, tot een ander oordeel zou moeten leiden. In dat gesprek zijn hem immers alleen de verwijten voorgehouden die Bruinsma hem maakt. Dat hij door de gestelde intimiderende setting van het gesprek de verwijten onvoldoende heeft kunnen weerleggen, terwijl daar wel aanleiding toe was, is gesteld noch gebleken. Dat brengt het hof tot de conclusie dat geen sprake is van persoonlijke omstandigheden die aan het ontslag op staande voet in de weg stonden. Ook gaat het hof er niet in mee dat een ontslag op staande voet een buitenproportionele reactie was. [Verzoeker] heeft zich zodanig gedragen dat hij het vertrouwen van Bruinsma onwaardig is geworden en van Bruinsma kon in de gegeven omstandigheden niet gevergd worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren en te volstaan met een minder vergaande disciplinaire maatregel.
3.18.
Tussen partijen is verder niet in discussie dat Bruinsma onverwijld tot het ontslag is overgegaan. Voor zover [Verzoeker] heeft aangevoerd dat niet voldaan is aan de mededelingsplicht, faalt dat betoog gelet op wat het hof hiervoor in r.o. 3.9 heeft overwogen.
3.19.
Bruinsma mocht op 27 december 2024 dus overgaan tot ontslag op staande voet van [Verzoeker]. Dat betekent dat het hoger beroep van [Verzoeker] faalt en dat er geen aanleiding is om hem alsnog een gefixeerde schadevergoeding, een transitievergoeding en/of billijke vergoeding toe te kennen.
De proceskosten in eerste aanleg
3.20.
[Verzoeker] heeft ten slotte bezwaar gemaakt tegen het oordeel van de kantonrechter dat de kosten die [Verzoeker] in het tegenverzoek van Bruinsma met betrekking tot het studiekosten beding heeft gemaakt op nihil begroot moeten worden. Ook dat bezwaar faalt. Het is [Verzoeker] die in eerste aanleg in zijn verzoekschrift verzocht heeft om voor recht te verklaren dat het studiekostenbeding nietig is. Hij had daar dus al het nodige over geschreven en heeft dit onderwerp zelf onderdeel van de procedure gemaakt. De kantonrechter heeft dan ook terecht overwogen dat de kosten die [Verzoeker] vervolgens heeft moeten maken voor zijn verweer tegen het tegenverzoek van Bruinsma op dit – met het studiekostenbeding samenhangende – punt op nihil begroot moeten worden.
Slotsom
3.21.
Het hoger beroep van [Verzoeker] slaagt niet en zal worden verworpen. Omdat [Verzoeker] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof hem tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen.

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
verwerpt het hoger beroep van [Verzoeker];
4.2.
veroordeelt [Verzoeker] tot betaling van de volgende proceskosten van Bruinsma:
€ 827,- aan griffierecht
€ 2.428,- aan salaris van de advocaat van Bruinsma (2 procespunten x het tarief II).
Deze beschikking is gegeven door mrs. D.W.J.M. Kemperink, M.P.C.J. van Bavel en R.J.A. Dil en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2026.

Voetnoten

1.HR 16 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:182, r.o. 3.4.3.