Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:1206

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
24/52 t/m 24/54
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.124 Wet IB 2001Art. 3.126 Wet IB 2001Art. 45 VWEUArt. 56 VWEU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen afwijzing aftrek buitenlandse inkomensvoorzieningenpremies

Belanghebbende, een Duitse staatsburger woonachtig en werkend in Nederland sinds 2007, heeft premies betaald aan een Duitse verzekeraar voor een inkomensvoorziening. Deze premies werden in de aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2017, 2018 en 2019 als aftrekpost opgevoerd. De Inspecteur heeft deze aftrek geweigerd omdat de verzekeraar niet is aangewezen als toegelaten aanbieder volgens de Nederlandse wetgeving.

De rechtbank Noord-Nederland heeft de beroepen van belanghebbende ongegrond verklaard. Belanghebbende stelde in hoger beroep dat het weigeren van aftrek vanwege de woonplaats een verboden belemmering vormt van het vrije verkeer van werknemers en diensten binnen de EU. Hij pleitte voor een gedeeltelijke aftrek van 57% van de premies.

Het Hof oordeelt dat de Nederlandse regeling een specifieke uitzondering kent voor immigranten met lopende buitenlandse polissen, maar dat belanghebbende niet in die situatie verkeert. De weigering van aftrek is gebaseerd op het ontbreken van een toegelaten aanbieder, niet op woonplaats. Ook het subsidiaire beroep op het verbod van beperking van het vrije dienstenverkeer wordt verworpen, omdat de regeling geen onredelijke belemmeringen oplegt. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
nummers BK-ARN 24/52 tot en met 24/54
uitspraakdatum: 24 februari 2026
Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 14 november 2023, nummers LEE 23/643, 23/644 en 23/2132, ECLI:NL:RBNNE:2023:4616, in het geding tussen belanghebbende en
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Kantoor Eindhoven(hierna: de Inspecteur)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende zijn over de jaren 2017 en 2018 navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, alsmede een aanslag in de IB/PVV voor het jaar 2019. Bij beschikkingen is belastingrente berekend.
1.2.
De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar de bezwaren ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2026. Daarbij zijn verschenen en gehoord H. Menger, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede mr. [naam1] namens de Inspecteur, bijgestaan door [naam2] .

2.Vaststaande feiten

2.1.
Belanghebbende heeft de Duitse nationaliteit en woont sinds 31 juli 2007 in Nederland. In ieder geval vanaf 2010 werkt belanghebbende voor een bedrijf in Nederland.
2.2.
Per 1 januari 2013 heeft belanghebbende de [verzekering] (hierna: de verzekering) afgesloten bij de in Duitsland gevestigde [verzekeringsmaatschappij] (hierna: [verzekeringsmaatschappij] ). Voor de verzekering heeft belanghebbende in de onderhavige jaren bedragen aan premie betaald van respectievelijk € 1.533 (2017), € 1.583 (2018) en € 1.634 (2019).
2.3.
[verzekeringsmaatschappij] is niet aangewezen als toegelaten aanbieder als bedoeld in artikel 3.126, lid 1, onderdeel d, van de Wet IB 2001.
2.4.
Belanghebbende heeft in zijn aangiften IB/PVV 2017, 2018 en 2019 de volgende bedragen afgetrokken als betaalde premies voor inkomensvoorzieningen: € 1.533 voor 2017 en € 1.634 voor zowel 2018 als 2019. Deze aftrek ziet op de premies die zijn betaald in verband met de verzekering.
2.5.
De Inspecteur is bij het vaststellen van de aanslag in de IB/PVV voor het jaar 2019 afgeweken van de aangifte en heeft de – onder 2.4. – genoemde aftrek voor 2019 niet geaccepteerd. Over de jaren 2017 en 2018 heeft de Inspecteur navorderingsaanslagen in de IB/PVV opgelegd, waarbij het belastbaar inkomen uit werk en woning voor beide jaren is gecorrigeerd met het bedrag van de in aftrek gebrachte premie.

3.Geschil

3.1.
In geschil is of de door belanghebbende betaalde premies voor de verzekering – met een beroep op het vrije verkeer van werknemers dan wel het vrije verkeer van diensten – op de voet van artikel 3.124 van de Wet IB 2001 als uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aftrek kunnen worden gebracht.
3.2.
Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, zij het dat hij desgevraagd ter zitting van het Hof heeft verklaard (nog slechts) een aftrek van 57% van de betaalde premies te bepleiten. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot vermindering van de (navorderings)aanslagen.
3.3.
De Inspecteur beantwoordt de vraag ontkennend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4.Beoordeling van het geschil

4.1.
Ingevolge artikel 3.126, lid 2, in verbinding met lid 1, onderdelen a, onder 1º, b, c, en d, van de Wet IB 2001 zijn premies voor aanspraken op periodieke uitkeringen en verstrekkingen ter zake van invaliditeit, ziekte of ongeval als uitgaven voor inkomensvoorzieningen (in de zin van 3.124 van de Wet IB 2001) aan te merken, indien die premies verschuldigd zijn aan een zogeheten toegelaten aanbieder. Een niet in Nederland gevestigd pensioenfonds of lichaam dat bevoegd het verzekeringsbedrijf uitoefent, wordt aangemerkt als toegelaten aanbieder indien het door de Minister van Financiën, onder door hem te stellen voorwaarden, is aangewezen (artikel 3.126, lid 1, onderdeel d, van de Wet IB 2001). Artikel 3.126, lid 1, onderdeel c, van de Wet IB 2001 bevat een regeling voor een vrijwillig voortgezet pensioen of een lijfrente en – in verbinding met lid 2 in het geval van belanghebbende – vrijwillig voortgezette aanspraken op periodieke uitkeringen en verstrekkingen ter zake van invaliditeit, ziekte of ongeval, die zijn ondergebracht bij een niet in Nederland gevestigd pensioenfonds of lichaam dat het levensverzekeringsbedrijf uitoefent. Het moet dan gaan om aanspraken die reeds vóór het ontstaan van binnenlandse belastingplicht zijn verzekerd bij dat fonds of dat lichaam (immigrantensituatie) en dat fonds of lichaam moet voldoen aan door de Minister van Financiën te stellen voorwaarden.
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat de premies op grond van de toepasselijke Nederlandse wettelijke regeling niet aftrekbaar zijn, omdat de premies niet zijn verschuldigd aan een toegelaten aanbieder in de onder 4.1 bedoelde zin. Zo staat vast dat [verzekeringsmaatschappij] niet is aangewezen als toegelaten aanbieder als bedoeld in artikel 3.126, lid 1, onderdeel d, van de Wet IB 2001 en dat niet wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 3.126, lid 1, onderdeel c, van de Wet IB 2001.
4.3.
Belanghebbende stelt primair dat het niet toekennen van de aftrek van de aan een Duitse verzekeraar verschuldigde premies uitsluitend vanwege belanghebbendes woonplaats ten tijde van het afsluiten van de polis een verboden belemmering oplevert van het vrije verkeer van werknemers, neergelegd in artikel 45 van Pro het Verdrag inzake de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU). Als belanghebbende na het sluiten van de polis zou zijn geïmmigreerd, zou de premie aftrekbaar zijn geweest op grond van artikel 3.126, lid 1, onderdeel c, van de Wet IB 2001. In dit kader heeft belanghebbende nog gesteld dat hierdoor gevallen die, afgezien van de woonplaats, voor het overige gelijk zijn, ongelijk worden behandeld.
4.4.
Naar het oordeel van het Hof valt niet in te zien waarom de in artikel 3.126, lid 1, onderdeel c, van de Wet IB 2001 opgenomen tegemoetkomende regeling voor de immigrantensituatie een belemmering zou vormen voor het aanvaarden van een dienstbetrekking in Nederland. Deze bepaling bevat immers (slechts) een specifieke voorziening voor personen die ten tijde van de immigratie een lopende polis hebben bij een buitenlandse verzekeraar die niet (volledig) voldoet aan de voorwaarden voor aftrek op grond van de Nederlandse belastingwet. Belanghebbende woonde en werkte op het moment dat hij de polis afsloot bovendien al geruime tijd in Nederland en was, zoals de Rechtbank terecht heeft opgemerkt, net als ieder andere binnenlands belastingplichtige in de gelegenheid om een vrije keuze te maken voor een verzekeraar. Om in aanmerking te komen voor premie-aftrek dient deze verzekeraar in alle gevallen een toegelaten aanbieder te zijn. Anders dan belanghebbende stelt is het niet toekennen van de aftrek niet een gevolg van het feit dat hij in Nederland woont, maar omdat de verzekering niet is afgesloten bij een toegelaten aanbieder. Belanghebbende was ten tijde van het afsluiten van de verzekering (al bijna zes jaar) binnenlands belastingplichtige, welke situatie niet gelijk is aan die van een immigrant die al een verzekering had afgesloten vóór immigratie naar Nederland. Van gelijke gevallen is aldus geen sprake en evenmin leidt de betreffende regeling in andere zin tot een behandeling die als discriminatie kan worden beschouwd. Het Hof verwerpt dan ook het primaire standpunt van belanghebbende.
4.5.
Subsidiair neemt belanghebbende het standpunt in dat de uit het bepaalde in artikel 3.126, lid 1, aanhef en onderdeel d, van de Wet IB 2001 voortvloeiende uitsluiting van aftrek van de premie voor de verzekering in strijd is met het verbod tot beperking van het vrij verrichten van diensten, neergelegd in artikel 56 VWEU Pro. Belanghebbende verwijst daarvoor naar het arrest van de Hoge Raad van 22 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0497.
4.6.
Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende niets aangevoerd op grond waarvan, voor de in geschil zijnde jaren, zou kunnen worden geoordeeld dat de onderhavige regeling elementen bevat die in het buitenland gevestigde verzekeraars ervan kunnen weerhouden diensten aan te bieden in Nederland en binnenlandse belastingplichtigen ervan kunnen weerhouden een verzekering af te sluiten bij een in het buitenland gevestigde verzekeraar. Wat betreft de verwijzing door belanghebbende naar het genoemde arrest van de Hoge Raad 22 oktober 2010 merkt het Hof op dat de door de Hoge Raad geconstateerde belemmering door wijziging van artikel 14 van Pro het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 per 11 maart 2004 is weggenomen. Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende verklaard ook niet (meer) te stellen dat aan de buitenlandse verzekeraar zwaardere, belemmerende eisen worden gesteld dan aan de binnenlandse verzekeraar. De belemmering betreft volgens belanghebbende het feit dat de buitenlandse verzekeraar zich twee keer moet registreren, namelijk in het land van vestiging om daar bevoegd een levensverzekeringbedrijf te mogen uitoefenen, en in Nederland, naar het Hof begrijpt, door het indienen van een aanvraag om op grond van artikel 3.126, lid 1, onderdeel d, van de Wet IB 2001 te worden aangewezen als toegelaten aanbieder. Naar het oordeel van het Hof, levert het enkele feit dat een buitenlandse verzekeraar een dergelijke aanvraag moet doen om te worden aangewezen geen verboden belemmering op. De weg van de aanwijzing is ook gerechtvaardigd, omdat op deze wijze aan buitenlandse verzekeraars voorwaarden kunnen worden gesteld die ten doel hebben om geen verschil te laten ontstaan ten opzichte van degenen die reeds als verzekeraar waren toegelaten (Kamerstukken II, 1998-1999, 26 727, nr. 3, p. 162). Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof nog gesteld dat ook de regeling van artikel 3.126, lid 1, onderdeel c, van de Wet IB 2001 in strijd is met het verbod tot beperking van het vrij verrichten van diensten, maar enige onderbouwing daarvoor is niet gegeven en ook voor het overige valt niet in te zien dat sprake is van een dergelijke belemmering. Het Hof volgt belanghebbende dan ook evenmin in zijn subsidiaire standpunt.
4.7.
Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige grieven aangevoerd. Het hoger beroep is ook in zoverre ongegrond.
SlotsomOp grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5.Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6.Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.B.A. Brummer, voorzitter, mr. P. van der Wal en mr. T. Tanghe, in tegenwoordigheid van mr. H. de Jong als griffier.
De beslissing is op 24 februari 2026 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(H. de Jong) (G.B.A. Brummer)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.