ECLI:NL:GHARL:2026:121

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
25/434
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:29 AwbArt. 8:31 AwbArt. 8:42 AwbArt. 8:119 AwbArt. 28, lid 5, Algemene wet inzake rijksbelastingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek beperkte kennisneming persoonsgegevens in belastingzaak

Belanghebbende verzocht om herziening van een eerdere uitspraak van het Hof inzake proceskostenvergoeding in een belastingzaak. De Inspecteur had bijlagen met persoonsgegevens van belastingambtenaren en derden ingediend, waarbij hij beperkte kennisneming verzocht op grond van artikel 8:29 Awb Pro.

Het Hof beoordeelde of het verzoek tot beperkte kennisneming gerechtvaardigd was. De persoonsgegevens van derden en individuele ambtenaren werden afgewogen tegen het belang van belanghebbende bij kennisneming. Het Hof oordeelde dat het privacybelang van betrokkenen zwaarder woog dan het belang van belanghebbende bij volledige inzage.

De namen van belastingambtenaren moeten worden geanonimiseerd met aanduidingen NN en een nummer, terwijl telefoonnummers en mailadressen volledig worden geanonimiseerd. Het verzoek tot beperkte kennisneming werd daarmee toegewezen, en de Inspecteur kreeg gelegenheid om binnen twee weken te reageren op de gevolgen van deze beslissing.

Uitkomst: Het verzoek tot beperkte kennisneming van persoonsgegevens wordt toegewezen met anonimisering van namen van belastingambtenaren.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 25/434
uitspraakdatum: 6 januari 2026
Tussenuitspraak van de derde enkelvoudige belastingkamer (geheimhoudingskamer)
op het verzoek van
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)
om herziening als bedoeld in artikel 8:119 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van de uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer van dit hof van 12 juli 2022, nummer BK-ARN 21/00806, ECLI:NL:GHARL:2022:5908, in het geding tussen belanghebbende en
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Kantoor Utrecht(hierna: de Inspecteur)
betreffende een verzoek om beperkte kennisneming in de zin van artikel 8:29 Awb Pro.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende is op grond van artikel 52a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) een informatiebeschikking gegeven.
1.2.
De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar voornoemde informatiebeschikking gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft belanghebbende ten dele in het gelijk gesteld.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Het Hof heeft in zijn uitspraak van 12 juli 2022 de uitspraken van de Rechtbank en de Inspecteur vernietigd, de informatiebeschikking vernietigd, en vergoedingen voor proceskosten en griffierecht toegekend van respectievelijk € 1.897,50 en € 134. Deze hofuitspraak is onherroepelijk geworden.
1.5.
Belanghebbende heeft op 25 februari 2025 verzocht de uitspraak van het Hof van 12 juli 2022 te herzien wat betreft de beslissing over de proceskostenvergoeding.
1.6.
De Inspecteur heeft op 8 mei 2025 gereageerd op het herzieningsverzoek van belanghebbende. Bij deze reactie heeft de Inspecteur bijlagen gevoegd. Met betrekking tot de persoonsgegevens in de bijlagen 2, 3, 6 en 12 heeft de Inspecteur verzocht om beperkte kennisneming als bedoeld in artikel 8:29 Awb Pro.
1.7.
Belanghebbende heeft op 19 juni 2025 in de herzieningsprocedure een conclusie van repliek ingediend. Bij brief van 24 juni 2025 heeft belanghebbende in de 8:29-procedure gereageerd op het verzoek van de Inspecteur tot beperkte kennisneming.
1.8.
De Inspecteur heeft op 12 september 2025 in de herzieningsprocedure een conclusie van dupliek ingediend.
1.9.
In de 8:29-procedure heeft de Inspecteur op 15 september 2025 en 15 oktober 2025 nadere stukken ingediend.
1.10.
Belanghebbende heeft in de 8:29-procedure op 6 en 23 oktober 2025 en op 14 november 2025 nadere stukken ingediend.
1.11.
Het Hof heeft partijen gevraagd of zij ter zitting willen worden gehoord. Partijen hebben daarop niet gereageerd. Het Hof heeft vervolgens bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

2.Feiten

2.1.
Het Hof heeft in zijn uitspraak van 12 juli 2022 de door de Inspecteur gegeven informatiebeschikking vernietigd en een forfaitaire proceskostenvergoeding van € 1.897,50 toegekend. Daarbij heeft het Hof geen aanleiding gezien voor een vergoeding van de werkelijke proceskosten. Het dossier bevat namelijk geen enkel aanknopingspunt voor de conclusies dat de Inspecteur ‘tegen-beter-weten-in’ heeft gehandeld dan wel in verregaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld, aldus het Hof.
2.2.
Belanghebbende heeft op 25 februari 2025 verzocht de uitspraak van het Hof van 12 juli 2022 te herzien wat betreft de beslissing over de proceskostenvergoeding. Belanghebbende heeft in dat verband aangevoerd dat nadien uit stukken is gebleken dat de Inspecteur destijds een onvolledig dossier heeft ingebracht, dat belanghebbende daardoor op ernstige wijze is benadeeld, dat de Inspecteur daarom in verregaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld en dat dit tot een vergoeding van de werkelijke proceskosten zou hebben geleid als het Hof daarmee eerder bekend was geweest.
2.3.
De Inspecteur heeft op 8 mei 2025 gereageerd op het herzieningsverzoek van belanghebbende. Bij deze reactie heeft de Inspecteur bijlagen gevoegd. Met betrekking tot de persoonsgegevens in de bijlagen 2, 3, 6 en 12 heeft de Inspecteur verzocht om beperkte kennisneming als bedoeld in artikel 8:29 Awb Pro. Redengevend voor dit verzoek is dat het daarbij gaat om persoonsgegevens (namen, mailadressen en telefoonnummers) van belastingambtenaren en van derden.

3.Geschil

In geschil is of beperkte kennisneming van de door de Inspecteur weggelakte persoonsgegevens in voornoemde bijlagen gerechtvaardigd is.

4.Beoordeling van het verzoek

4.1.
Uit artikel 8:29, lid 1 Awb volgt dat alleen partijen die verplicht zijn stukken bij de bestuursrechter in te dienen, een verzoek om volledige of beperkte geheimhouding kunnen doen indien daarvoor gewichtige redenen zijn. Op grond van artikel 8:42, lid 1 Awb is de Inspecteur verplicht alle stukken in het geding te brengen die hem ter raadpleging ter beschikking staan of hebben gestaan en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten. [1] Voor deze tussenbeslissing gaat het Hof veronderstellenderwijs ervan uit dat de door de Inspecteur ingebrachte bijlagen, stukken zijn als bedoeld in artikel 8:42, lid 1 Awb.
4.2.
Als een stuk passages bevat die op de zaak betrekking hebben, is dit stuk als geheel een op de zaak betrekking hebbend stuk. De verplichting om dit stuk over te leggen, ziet daardoor niet slechts op de voor de beoordeling van de zaak relevante passages. [2]
4.3.
Gelet op artikel 8:29, lid 3 Awb beslist de rechter of de volledige of beperkte geheimhouding van een stuk gerechtvaardigd is. Deze beslissing vergt een afweging van belangen. Enerzijds speelt hierbij het belang dat partijen gelijkelijk beschikken over de voor de procedure relevante informatie. Daartegenover staat dat de kennisneming door partijen van bepaalde gegevens het algemeen belang, het belang van één of meer partijen en/of het belang van derden onevenredig kan schaden. [3]
4.4.
Bij de beoordeling van een verzoek om beperkte kennisneming speelt de betekenis van het stuk voor het oordeel van de rechter in de hoofdzaak en de procespositie van partijen een belangrijke rol. Verder is daarbij van belang of de partij aan wie kennisneming van een stuk wordt onthouden door de beperkte kennisneming wezenlijk in zijn procesvoering wordt belemmerd. [4]
4.5.
Anders dan de Inspecteur betoogt, kan het beroep op beperkte kennisneming niet worden gegrond op de geheimhoudingsplicht van artikel 67 Algemene Pro wet inzake rijksbelastingen. De geheimhoudingsplicht geldt namelijk niet indien enig wettelijk voorschrift, zoals artikel 8:42 Awb Pro, tot bekendmaking verplicht.
4.6.
De geheimhoudingskamer zal hierna beoordelen in hoeverre op grond van artikel 8:29 Awb Pro beperking van de kennisneming van bepaalde gegevens in de bijlagen zoals genoemd in 2.3, gerechtvaardigd is.
Privacy van derden
4.7.
De Inspecteur heeft in de bijlagen 2, 3 en 6 in totaal drie namen weggelakt van medewerkers van organisaties en instellingen waarbij de Inspecteur een derdenonderzoek heeft ingesteld.
4.8.
De geheimhoudingskamer acht het aannemelijk dat kennisneming van de persoonsgegevens van derden zal leiden tot aantasting van het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de betrokken personen. Dit belang weegt in dit geval zwaarder dan het belang dat belanghebbende in het onderhavige geschil kennis kan nemen van deze gegevens. Naar het oordeel van de geheimhoudingskamer zijn deze gegevens niet van belang voor een goede beoordeling door de hoofdkamer van het herzieningsverzoek. Belanghebbende wordt door de beperkte kennisneming dan ook niet wezenlijk in zijn procesvoering belemmerd. De geheimhoudingskamer acht daarom het verzoek tot beperkte kennisneming van de persoonsgegevens van derden gerechtvaardigd.
Privacy van individuele ambtenaren
4.9.
De Inspecteur heeft in de bijlagen 2 en 12 van in totaal vijf belastingambtenaren de namen, telefoonnummers en mailadressen weggelakt.
4.10.
De geheimhoudingskamer acht het aannemelijk dat kennisneming van de persoonsgegevens van deze belastingambtenaren zal leiden tot aantasting van het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de betrokken personen. Dit belang weegt in dit geval zwaarder dan het belang dat belanghebbende in het onderhavige geschil kennis kan nemen van deze gegevens. Daarbij neemt de geheimhoudingskamer in aanmerking dat de Inspecteur heeft gewezen op het procesverloop waaruit onder meer blijkt dat de relatie tussen partijen zodanig was geëscaleerd dat team Escala is ingezet, op de ervaring bij de Belastingdienst dat belanghebbende met diverse individuele belastingambtenaren contact heeft gezocht om informatie te verkrijgen, en op het feit dat de desbetreffende belastingambtenaren een ondergeschikte rol hebben gespeeld in het dossier van belanghebbende.
4.11.
De geheimhoudingskamer is van oordeel dat de belangen van belanghebbende voldoende zijn gewaarborgd indien de in de bijlagen 2 en 12 genoemde belastingambtenaren op een zodanig individualiseerbare wijze worden aangeduid - met de letters NN en een nummer - dat zij op zich met deze aanduiding kunnen worden aangewezen. Het Hof zal de Inspecteur dan ook gelasten om de namen van de genoemde belastingambtenaren te vervangen door de aanduiding NN en een nummer. De telefoonnummers en mailadressen mogen in het geheel worden geanonimiseerd.
4.12.
De geheimhoudingskamer stelt de Inspecteur in de gelegenheid om binnen twee weken na dagtekening van deze tussenuitspraak het Hof schriftelijk te berichten welke gevolgen hij verbindt aan voorwaardelijke toewijzing van het verzoek tot beperkte kennisneming. Indien de Inspecteur instemt met de in deze tussenuitspraak vervatte beslissing, verzoekt het Hof de Inspecteur van de bijlagen 2 en 12 een versie te verstrekken die strookt met deze beslissing en die aan belanghebbende kan worden verstrekt. Wanneer de Inspecteur daarmee niet instemt, wordt hij erop gewezen dat de hoofdkamer die deze zaken inhoudelijk zal gaan behandelen daaruit de gevolgtrekkingen kan maken die haar geraden voorkomen (artikel 8:31 Awb Pro).

5.Beslissing

De geheimhoudingskamer:
  • wijst het verzoek tot beperkte kennisneming toe, met dien verstande dat de namen van de belastingambtenaren in de bijlagen 2 en 12 worden geanonimiseerd door middel van de aanduiding NN en een nummer; en
  • stelt de Inspecteur in de gelegenheid om het Hof binnen twee weken na dagtekening van deze tussenuitspraak schriftelijk te berichten welke gevolgen hij verbindt aan deze tussenuitspraak.
Deze tussenuitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr. G.J. van de Lagemaat als griffier.
De beslissing is op 6 januari 2026 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(G.J. van de Lagemaat) (A.J.H. van Suilen)
Deze tussenuitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze tussenuitspraak kan geen rechtsmiddel worden aangewend. Op grond van artikel 28, lid 5, Algemene wet inzake rijksbelastingen, kan tegen de beslissing in deze tussenuitspraak slechts worden opgekomen tegelijkertijd met het beroep in cassatie tegen de einduitspraak, zijnde de uitspraak waarbij het geding wordt afgedaan (vgl. HR 14 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3489, en HR 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:639).

Voetnoten

1.Vgl. HR 31 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:492, r.o. 3.2.2.
2.HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672, r.o. 3.4.2.
3.ABRvS 25 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:595, r.o. 2; Hof Arnhem-Leeuwarden 30 augustus 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:7514, r.o. 4.11.
4.ABRvS 10 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1367, r.o. 8; Hof Arnhem-Leeuwarden 30 augustus 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:7514, r.o. 4.12.