ECLI:NL:HR:2022:639

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 april 2022
Publicatiedatum
21 april 2022
Zaaknummer
21/02075
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:29 AwbArt. 28, lid 1, letter a, AWRArt. 28, lid 5, AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep tegen tussenbeslissing inzake navorderingsaanslag

Belanghebbende kreeg een navorderingsaanslag opgelegd over het jaar 2011, welke na bezwaar werd gehandhaafd door de Inspecteur. Belanghebbende stelde beroep in bij het gerechtshof, waarbij de Inspecteur zich beroept op gewichtige redenen om bepaalde stukken afgeschermd te houden. De geheimhoudingskamer van het hof oordeelde dat deze beperking gerechtvaardigd was, waardoor een geschoonde versie van de stukken werd overgelegd.

Het cassatieberoep richt zich tegen deze beslissing van het hof inzake de kennisneming van stukken. De Hoge Raad overweegt dat op grond van artikel 28, lid 5, AWR een cassatieberoep tegen een dergelijke tussenbeslissing niet zelfstandig ontvankelijk is, maar alleen gelijktijdig met het beroep tegen de einduitspraak kan worden ingesteld.

Belanghebbende verwees naar een arrest uit 1999 waarin uitzonderingen werden gemaakt, maar de Hoge Raad volgt dit niet. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep niet-ontvankelijk en ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Het arrest is gewezen door de vijf raadsheren onder voorzitterschap van de vice-president en is op 22 april 2022 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het cassatieberoep tegen de tussenbeslissing van het hof wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer21/02075
Datum22 april 2022
ARREST
in de zaak van
[X] , domicilie gekozen hebbend te [Z] , (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de beslissing van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 april 2021, nr. 20/00569 [1] , als bedoeld in artikel 8:29, lid 3, Awb.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door M. Hendriks en J. Berns, heeft tegen de beslissing van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft de zaak mondeling doen toelichten door M. Hendriks en J. Berns voornoemd, advocaten te Nijmegen.
De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 16 maart 2022 geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep in cassatie. [2]
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

2.1
Aan belanghebbende is over het jaar 2011 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur de navorderingsaanslag gehandhaafd.
2.2
Belanghebbende heeft tegen de navorderingsaanslag beroep ingesteld. De Inspecteur heeft zich met betrekking tot bepaalde op de zaak betrekking hebbende stukken beroepen op gewichtige redenen in de zin van artikel 8:29, lid 1, Awb die meebrengen dat uitsluitend de rechter kennis zal mogen nemen van die stukken. De geheimhoudingskamer van de Rechtbank heeft beperkte kennisneming van bepaalde stukken gerechtvaardigd geacht. Daarop heeft de Rechtbank uitspraak gedaan.
2.3
De geheimhoudingskamer van het Hof heeft beslist dat de door de Inspecteur aangebrachte beperking van de kennisneming is gerechtvaardigd. Die beperking hield in dat de Inspecteur een geschoonde versie van de stukken heeft overgelegd, aangevuld met enkele ongeschoonde stukken overeenkomstig de beslissing van de geheimhoudingskamer van de Rechtbank.
2.4
Het beroep in cassatie is gericht tegen de hiervoor in 2.3 genoemde beslissing. Deze krachtens artikel 8:29, lid 3, Awb gegeven beslissing van het Hof is niet een uitspraak waartegen op grond van artikel 28, lid 1, letter a, AWR beroep in cassatie kan worden ingesteld. Tegen een dergelijke beslissing van een gerechtshof staat beroep in cassatie open, maar dat beroep kan slechts tegelijkertijd met het beroep in cassatie tegen de einduitspraak van het gerechtshof worden ingesteld (artikel 28, lid 5, AWR).
2.5
Belanghebbende betoogt dat het beroep in cassatie niettemin ontvankelijk is vanwege het arrest van de Hoge Raad van 22 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2824, NJ 1999/243. Daarin heeft de Hoge Raad overwogen dat, ingeval een wettelijke regeling geen hogere voorziening tegen een rechterlijke beslissing toelaat, tegen een dergelijke beslissing niettemin kan worden opgekomen indien de rechter die regeling ten onrechte niet heeft toegepast, buiten het toepassingsgebied ervan is getreden, of zodanige essentiële vormen niet in acht heeft genomen dat niet kan worden gesproken van een eerlijke en onpartijdige behandeling.
2.6
Dit betoog kan niet worden gevolgd. Tegen een op grond van artikel 8:29, lid 3, Awb door een gerechtshof genomen beslissing staat immers volgens artikel 28, lid 5, AWR een hogere voorziening open, zij het eerst nadat door het gerechtshof een einduitspraak is gedaan als bedoeld in artikel 28, lid 1, letter a, AWR. [3]
2.7
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, moet het beroep in cassatie niet-ontvankelijk worden verklaard.

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra, J. Wortel, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en J.A.R. van Eijsden, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2022.

Voetnoten

3.Vgl. HR 10 augustus 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0582, rechtsoverweging 3.2, en HR 28 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0598, rechtsoverweging 4.5.