ECLI:NL:HR:2022:639
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep tegen tussenbeslissing inzake navorderingsaanslag
Belanghebbende kreeg een navorderingsaanslag opgelegd over het jaar 2011, welke na bezwaar werd gehandhaafd door de Inspecteur. Belanghebbende stelde beroep in bij het gerechtshof, waarbij de Inspecteur zich beroept op gewichtige redenen om bepaalde stukken afgeschermd te houden. De geheimhoudingskamer van het hof oordeelde dat deze beperking gerechtvaardigd was, waardoor een geschoonde versie van de stukken werd overgelegd.
Het cassatieberoep richt zich tegen deze beslissing van het hof inzake de kennisneming van stukken. De Hoge Raad overweegt dat op grond van artikel 28, lid 5, AWR een cassatieberoep tegen een dergelijke tussenbeslissing niet zelfstandig ontvankelijk is, maar alleen gelijktijdig met het beroep tegen de einduitspraak kan worden ingesteld.
Belanghebbende verwees naar een arrest uit 1999 waarin uitzonderingen werden gemaakt, maar de Hoge Raad volgt dit niet. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep niet-ontvankelijk en ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Het arrest is gewezen door de vijf raadsheren onder voorzitterschap van de vice-president en is op 22 april 2022 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het cassatieberoep tegen de tussenbeslissing van het hof wordt niet-ontvankelijk verklaard.