Art. 4:204 BWArt. 4:1167 BWArt. 4:203 BWArt. 4:7 lid 1 onder c BWArt. 4:184 lid 2 BW
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Benoeming vereffenaar in nalatenschap bij verstoorde verhoudingen tussen erfgenamen
In deze zaak is de moeder in 2023 overleden, waarbij haar zoon en dochter haar enige erfgenamen zijn die de nalatenschap zuiver hebben aanvaard. De vader was eerder overleden en had een horizontale ouderlijke boedelverdeling (OBV) gemaakt. De dochter en haar echtgenoot hebben een onroerende zaak samen met de ouders verkregen, met een verblijvingsbeding dat na overlijden van een deelgenoot in werking kan treden.
De dochter en haar echtgenoot verzochten de rechtbank om een vereffenaar te benoemen, maar dit verzoek werd afgewezen. In hoger beroep stelde het hof vast dat de dochter en haar echtgenoot schuldeisers zijn van de nalatenschap vanwege de OBV en het verblijvingsbeding. Door de verstoorde relatie tussen de erfgenamen is de nalatenschap onbeheerd, waardoor de benoeming van een vereffenaar noodzakelijk is.
Het hof oordeelde dat de dochter als erfgename belanghebbende is in de zin van artikel 4:204 lid 1 onderPro a BW en dat de benoeming van een vereffenaar gerechtvaardigd is. De kosten van rechtsbijstand van de dochter en haar echtgenoot worden niet als vereffeningskosten aangemerkt, maar kunnen als vordering bij de vereffenaar worden ingediend. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en benoemde een vereffenaar, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het hof benoemt een vereffenaar in de nalatenschap en erkent de dochter als belanghebbende en samen met haar echtgenoot als schuldeisers, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.360.073
(zaaknummer rechtbank Gelderland 450258)
beschikking van 3 maart 2026
inzake
1.[verzoekster1] (de dochter)
2. [verzoeker2] (de schoonzoon)
die wonen in [woonplaats1] , gemeente [plaats5] advocaat: mr. J.J.H. Post
en
[verweerder] (de zoon)
die woont in [woonplaats2] , gemeente [gemeentenaam]
advocaat: mr. H.C.J. Coumou
1.Het verloop van de procedure in hoger beroep
1.1.
De dochter en de schoonzoon hebben hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen de beschikking die de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen op 14 augustus 2025 heeft gegeven (hierna: de bestreden beschikking). Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
het beroepschrift
het verweerschrift
de andere stukken (bijlage 5-8 van de dochter en de schoonzoon en bijlage 1 van de zoon)
1.2.
Op 17 februari 2026 is de mondelinge behandeling in deze zaak gehouden. Daarbij waren partijen met hun advocaat aanwezig.
2.De kern van de zaak
2.1.
[in] 2023 is de moeder van de dochter en de zoon (erflaatster) overleden met achterlating van de dochter en de zoon als haar enige erfgenamen. Zij hebben haar nalatenschap zuiver aanvaard. De vader van de dochter en de zoon is al eerder, in 2018, overleden. Hij heeft erflaatster en zijn twee kinderen als enige erfgenamen achtergelaten en tussen hen een zogeheten horizontale ouderlijke boedelverdeling (OBV) gemaakt (artikel 4:1167 vanPro het Oud Burgerlijk Wetboek).
2.2.
De dochter heeft samen met haar echtgenoot (de schoonzoon) en haar ouders in 1996 een onroerende zaak ( [straat1] [huisnummer] in [plaats1] ) verkregen, de ouders voor 4/10e deel en de dochter en de schoonzoon voor 6/10e deel. In de notariële akte van levering waarin zij optraden als de comparanten sub 2.a, b, c en d hebben zij het volgende afgesproken:
VERBLIJVINGSBEDING
a. Ingeval van overlijden van de comparanten sub 2.a, b, c en d (…) zal het aandeel van de betreffende deelgenoot in het gekochte van rechtswege in eigendom verblijven aan de
overige deelgenoten van het gekochte; ingeval van overlijden échter onder de opschortende voorwaarde dat die overige deelgenoten aan de erfgenamen of rechtverkrijgenden van de betreffende deelgenoot binnen twee maanden na bedoeld overlijden bij aangetekend schrijven mededelen, dat zij de inwerkingtreding van dit verblijvingsbeding verlangen.
De deelgenoten zijn in de sub a bedoelde gevallen verplicht om aan de betreffende deelgenoot of diens erfgenamen of rechtverkrijgenden binnen drie maanden, nadat het aandeel in het gekochte aan eerstgenoemde is verbleven, uit te keren de waarde van het aandeel zoals deze waarde hiervoor onder het kopje “voorkeursrecht tot koop” sub 1.a. is bepaald.
2.3.
Na het overlijden van vader hebben de drie andere deelgenoten niet (tijdig) de inwerkingtreding van het verblijvingsbeding ingeroepen. Vanaf dat overlijden is erflaatster (alleen) gerechtigd tot het 4/10e onverdeeld aandeel dat daarvoor behoorde tot de huwelijksgemeenschap van erflaatster en vader.
2.4.
De dochter en de schoonzoon hebben de rechtbank op voet van artikel 4:204 BWPro verzocht een vereffenaar te benoemen. De rechtbank heeft dat verzoek afgewezen. De bedoeling van het hoger beroep van de dochter en de schoonzoon is dat het afgewezen verzoek alsnog wordt toegewezen.
2.5.
Het hof laat de beschikking van de rechtbank niet in stand en zal een vereffenaar benoemen in de nalatenschap van erflaatster.
3.De toelichting op de beslissing van het hof
3.1.
In artikel 4:204 lid 1 vanPro het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat de rechtbank, als een nalatenschap niet onder voorrecht van boedelbeschrijving is aanvaard, een vereffenaar kan benoemen. Dat kan:
a. op verzoek van een belanghebbende of van het openbaar ministerie, wanneer er geen erfgenamen zijn, wanneer het niet bekend is of er erfgenamen zijn, of wanneer de nalatenschap niet door een executeur wordt beheerd en de erfgenamen die bekend zijn haar geheel of ten dele onbeheerd laten;
b. op verzoek van een schuldeiser van de nalatenschap, wanneer tot een verdeling van de nalatenschap wordt overgegaan voordat de opeisbare schulden daarvan zijn voldaan, of wanneer voor hem het gevaar bestaat dat hij niet ten volle of niet binnen redelijke tijd zal worden voldaan, hetzij omdat de nalatenschap niet toereikend is of niet behoorlijk beheerd en afgewikkeld wordt, hetzij omdat een schuldeiser zich op de goederen van de nalatenschap gaat verhalen;
c. op verzoek van een of meer andere schuldeisers van een erfgenaam, wanneer hun belangen door een gedraging van de erfgenamen of van de executeur ernstig worden geschaad.
3.2.
De dochter en de schoonzoon hebben vier bezwaren (grieven) tegen de beslissing van de rechtbank. De eerste twee grieven komen erop neer dat de rechtbank de dochter ten onrechte niet heeft aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 4:204 lid 1 onderPro a BW en de dochter en de schoonzoon ten onrechte ook niet heeft aangemerkt als schuldeiser in de zin van artikel 4:204 lid 1 onderPro b BW. De derde grief is dat de rechtbank, ook als zij wel waren aangemerkt als belanghebbende of schuldeiser, geen taak ziet voor een vereffenaar in deze procedure. De vierde grief houdt in dat de rechtbank ten onrechte de voorgedragen vereffenaar niet heeft benoemd en de zoon niet heeft veroordeeld de proceskosten van de dochter en de schoonzoon te vergoeden.
3.3.
De eerste vraag is of de dochter en de schoonzoon belanghebbende in de zin van letter a of schuldeiser in de zin van letter b zijn. Het hof zal zich eerst richten op letter b en op de vraag of de benoeming van een vereffenaar noodzakelijk is.
Zijn de dochter en de schoonzoon schuldeisers van de nalatenschap?
3.4.
De dochter en de schoonzoon zijn als schuldeisers aan te merken als zij, zoals zij stellen, een vordering hebben op de nalatenschap van erflaatster. De rechter moet bij een beslissing op grond van artikel 4:204 BWPro onderzoeken of summierlijk blijkt van feiten en omstandigheden die het bestaan van de vordering van de dochter en de schoonzoon aantonen. Het gestelde moet na een kort en eenvoudig onderzoek voldoende komen vast te staan. Als aan het vaststellen van het bestaan van een vorderingsrecht in het kader van artikel 4:204 lid 2 enPro 3 BW zwaardere eisen zouden worden gesteld, dreigt het gevaar dat de vereffening op de lange baan wordt geschoven en de risico’s die in artikel 4:204 lid 2 enPro 3 BW zijn genoemd en die de benoeming van een vereffenaar nodig maken zich verwezenlijken. Ditzelfde (beperkte) beoordelingskader geldt ook voor de beoordeling van de gegrondheid van verweren tegen het bestaan van de vordering.
3.5.
Vaststaat dat in elk geval de dochter schuldeiser is van de nalatenschap. Door de OBV die haar vader heeft gemaakt, heeft zij een vordering op erflaatster verkregen ter grootte van haar erfdeel in de nalatenschap van haar vader. De vraag is vervolgens of de dochter en de schoonzoon ook een vordering op de nalatenschap hebben in verband met het verblijvingsbeding?
3.6.
De dochter en de schoonzoon hebben een aangetekende brief overgelegd die zij op 11 augustus 2023 aan de zoon hebben gestuurd. In die brief staat:
“Wij zijn woensdag 9 augustus jongsleden, bij de notaris in [plaats5] geweest.
Wij geven door middel van deze Aangetekende brief aan dat wij gebruik zullen gaan maken van het Voorkeursrecht tot aankoop van het Verblijvingsbeding van de woning [straat1] [huisnummer2] , zoals bepaald is in de Aankoopakte van [datum] 1996 (…).
Wij hebben dit al eerder kenbaar gemaakt via de mail van 26 juni 2023.”
3.7.
De zoon heeft in een brief van 22 september 2023 aan de notaris zijn reactie hierop gegeven. Hij schrijft:
“AANGETEKENDE BRIEF
Op zaterdag 12-8-2023 heb ik van de fam. [naam1] (uw cliënt) een aangetekend schrijven ontvangen (zie productie 1) waarin zij met verwijzing naar het gestelde in een mail van 26-6-2023 drie dagen na de uitvaart van mijn moeder (zie productie 2) "gebruik zullen maken van het voorkeursrecht tot aankoop van het verblijvingsbeding van de woning [straat1] [huisnummer2] , zoals bepaald is in de Aankoopakte van [datum] 1996 (…).”
De zoon somt vervolgens acht ‘essentialia’ op die in de brief van de dochter en de schoonzoon ontbreken en concludeert:
“Gelet op bovenstaande voldoet de aangetekende brief van de familie [naam1] niet aan de vereisten (essentialia) om mij als erfgenaam te informeren over een gewenste aankoop van het onroerend goed gedeelte uit mijn erfdeel. De aangetekende brief leidt tot meer vragen dan duidelijkheid.”
3.8.
Het hof is van oordeel dat uit de brief van de dochter en de schoonzoon van 11 augustus 2023 blijkt dat zij binnen twee maanden na het overlijden van erflaatster bij aangetekend schrijven aan de rechtverkrijgenden van erflaatster hebben meegedeeld dat zij de inwerkingtreding van het verblijvingsbeding verlangen. Dit feit is voldoende om in het kader van een kort en eenvoudig onderzoek van het hof het bestaan van een vordering van de dochter en schoonzoon aan te tonen. Het hof gaat aan het verweer van de zoon voorbij. Uit de tekst in de brief van de dochter en de schoonzoon van 11 augustus 2023 kan zonder moeite worden afgeleid dat zij de inwerkingtreding inroepen van het verblijvingsbeding dat is gemaakt voor de onroerende zaak die in 1996 is verkregen door de dochter samen met haar ouders en haar echtgenoot. Destijds is afgesproken dat voor de inwerkingtreding een tijdige mededeling aan de rechtverkrijgenden van een overleden deelgenoot nodig is; andere eisen, die de zoon in zijn reactie noemt, zoals een taxatie of een ‘stichtingskostenberekening’, zijn destijds niet overeengekomen.
3.9.
De conclusie is dan ook dat de dochter en de schoonzoon schuldeiser van de nalatenschap zijn. Tot de nalatenschap behoort de schuld van erflaatster aan haar dochter in verband met de OBV. Tot de nalatenschap behoort ook de schuld/verplichting tot medewerking aan de toedeling aan de dochter en de schoonzoon van de onroerende zaak aan de [straat1] [huisnummer] in [plaats1] .
Is benoeming van een vereffenaar noodzakelijk?
3.10.
Voor de benoeming van een vereffenaar is dat nog niet voldoende. Ook is nodig dat zich een of meer van de omstandigheden voordoen die zijn genoemd in letter b. Het hof is van oordeel dat dit het geval is. Gebleken is dat het gevaar bestaat dat de erfgenamen niet binnen een redelijke tijd zullen voldoen aan de betaling van de schuld uit de OBV en de verplichting tot levering van het 4/10e onverdeeld aandeel in de onroerende zaak aan dochter en de schoonzoon, omdat de nalatenschap niet behoorlijk beheerd en afgewikkeld wordt. Een blik in het dossier leert dat de verhoudingen tussen de twee erfgenamen al sinds het overlijden van erflaatster hopeloos verstoord zijn en dat er geen enkele vorm van samenwerking is. De twee erfgenamen moeten de nalatenschap samen beheren en samen afwikkelen, maar dat lukt vanwege die verstoorde verhouding helemaal niet en er is geen enkel concreet vooruitzicht dat dit beter zal worden. Zo lukt het de erfgenamen niet op brieven van de bank te reageren.
3.11.
Aan de voorwaarden voor de benoeming van een vereffenaar is dan ook voldaan. De vraag die nog resteert is of die benoeming ook noodzakelijk is. De zoon vindt van niet. Hij wijst erop dat benoeming van een vereffenaar niet nodig is, omdat het debat over het verblijvingsbeding thuishoort in een verdelingsprocedure en de inzet van een professioneel vereffenaar veel geld kost. Het hof volgt dat standpunt niet en vindt de benoeming wel noodzakelijk. Dat een vereffenaar geld kost is vanzelfsprekend, maar de oplossing van de zoon (een verdelingsprocedure) kost wellicht nog meer geld. Aan de zoon is op de zitting bij het hof gevraagd wat hij met ‘een verdelingsprocedure’ bedoelt. Daarop heeft hij een tweeledig antwoord gegeven: (1) de verdeling van de nalatenschap van erflaatster en (2) de verdeling in verband met het verblijvingsbeding. De zoon gaat kennelijk ervan uit dat een verdeling in onderling overleg niet tot de mogelijkheden behoort en dat de rechter zal worden gevraagd de verdeling vast te stellen of de wijze van verdeling te gelasten. Bij verdeling (1) zijn alleen de dochter en de zoon als deelgenoten betrokken, de schoonzoon niet. In die verdeling kan hoogstens worden gevraagd het 4/10e aandeel van erflaatster te verdelen, maar kan niet worden afgedwongen dat de erfgenamen ten opzichte van de dochter en de schoonzoon (als schuldeisers) meewerken aan de uitvoering van het verblijvingsbeding. Dat biedt dus geen soelaas. Bij verdeling (2) gaat het alleen om de uitvoering van het verblijvingsbeding. De zoon kan die procedure beginnen en als deelgenoot ten behoeve van de nalatenschap (artikel 3:171 BWPro) aan de rechter vragen de verdeling van de onroerende zaak vast te stellen of de wijze van verdeling daarvan te gelasten. Ook de dochter en de schoonzoon zouden die procedure kunnen beginnen, maar dan moeten ze wel hun rechtsvorderingen instellen tegen de gezamenlijke erfgenamen. Noch de zoon noch de dochter en de schoonzoon zijn zo’n procedure begonnen of hebben aangekondigd dat op korte termijn te gaan doen. Een verdelingsprocedure is dan ook in dit geval geen alternatief voor de benoeming van een vereffenaar.
Is de dochter als erfgename belanghebbende in de zin van artikel 4:204 lid 1 onderPro a BW?
3.12.
Resteert nog de vraag of ook letter a hier van toepassing is. De dochter stelt dat zij als erfgename belanghebbende is in de zin van artikel 4:204 lid 1 onderPro a BW. Zij maakt bezwaar tegen het oordeel van de rechtbank dat de wetgever niet heeft beoogd onder het begrip belanghebbende in artikel 4:204 lid 1 onderPro a BW ook de erfgenaam te begrijpen.
3.13.
Artikel 4:204 lid 1 letterPro a BW vermeldt niet wie belanghebbende in de zin van deze bepaling is. Dit moet uit de aard van de procedure en de wetsbepaling zelf worden afgeleid. Daarbij speelt een rol (1) in hoeverre de dochter door de uitkomst van deze procedure zodanig in een eigen belang kan worden getroffen dat zij daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang, of (2) in hoeverre zij anderszins zo nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat in deze procedure wordt behandeld, dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen (de zogeheten tweekringen-leer). [1]
3.14.
De wetsbepaling zelf specificeert niet nader wie belanghebbende is en wie niet. De tekst van de wet sluit ook niet uit dat ook een erfgenaam belanghebbende kan zijn. Uit de omstandigheid dat in artikel 4:203 lid 1 onderPro a BW de erfgenaam uitdrukkelijk is genoemd en in artikel 4:204 lid 1 onderPro a BW niet, kan niet worden afgeleid dat een erfgenaam geen belanghebbende in de zin van die laatste bepaling kan zijn. Daarvoor biedt de tekst van de wet geen aanknopingspunten; ook de wetsgeschiedenis biedt die aanknopingspunten niet.
3.15.
De procedure van artikel 4:204 lid 1 onderPro a BW maakt het (onder andere) mogelijk een vereffenaar te benoemen als de nalatenschap niet wordt beheerd door een executeur en de bekende erfgenamen de nalatenschap geheel of ten dele onbeheerd laten. Dat laatste is hier, zoals is overwogen in 3.10, het geval; vanwege de langdurige en uitzichtloos verstoorde verhouding tussen de erfgenamen is de nalatenschap feitelijk onbeheerd.
3.16.
Wat zijn de belangen van de dochter als erfgename die zuiver heeft aanvaard bij de benoeming van een vereffenaar en een wettelijke vereffening? Met de vereffening zijn allereerst de belangen van schuldeisers van de nalatenschap gemoeid. Hun belang bij de vereffening is dat hun vorderingen zoveel als mogelijk worden voldaan uit de nalatenschap en dat de overige schuldeisers van de erfgenamen zich pas daarna kunnen verhalen. Met de vereffening is ook het belang van beneficiaire erfgenamen gemoeid die er vooral in is gelegen dat zij in beginsel (behalve de situaties van artikel 4:184 lid 2 BWPro) niet verplicht zijn schulden van de nalatenschap ten laste van hun overige vermogen te voldoen. Ten slotte is met de vereffening ook het belang van erfgenamen die zuiver hebben aanvaard gemoeid. De afwikkeling van een nalatenschap, die vooral bestaat in de betaling van schulden, de inning van vorderingen en de verdeling daarvan, is in beginsel overgelaten aan de (zuiver aanvaard hebbende) erfgenamen zelf. Hun belang is dat de nalatenschap ordentelijk wordt afgewikkeld en dat de schulden daarvan worden voldaan zodat zij (in het geval er meer erfgenamen zijn) daarna kunnen overgaan tot verdeling van de nalatenschap of als de nalatenschap negatief is weten welke schulden ten laste van hun overige vermogen komen. Dat is uiteraard ook een belang van beneficiaire erfgenamen. Dat betekent dat ook erfgenamen die zuiver hebben aanvaard belang kunnen hebben bij de benoeming van een vereffenaar en een vereffening van de nalatenschap als de nalatenschap niet door een executeur wordt beheerd en de erfgenamen die bekend zijn haar geheel of ten dele onbeheerd laten.
3.17.
Het hof komt tot de slotsom dat de dochter als erfgename belanghebbende is en de benoeming van een vereffenaar kan verzoeken in de zin van artikel 4:204 lid 1 onderPro a BW. Uit de aard van de procedure en de wetsbepaling zelf leidt het hof af dat zij door de uitkomst van deze procedure zodanig in een eigen belang (3.16) kan worden getroffen dat zij daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang.
Benoeming vereffenaar.
3.18.
Het hof zal mr. [naam2] , die zich daartoe schriftelijk bereid heeft verklaard, benoemen tot vereffenaar.
Zijn de kosten van rechtsbijstand van de dochter en de schoonzoon vereffeningskosten?
3.19.
De dochter en de schoonzoon vragen de kosten van rechtsbijstand, die met de indiening en behandeling van dit verzoek en dit beroepsschrift tot en met de beschikking met gezag van gewijsde gemoeid zijn, aan te merken als vereffeningskosten en die ten laste te mogen brengen van de nalatenschap van erflater. Het hof zal dat verzoek afwijzen.
3.20.
Vereffeningskosten zijn de kosten die bij de afwikkeling van een nalatenschap noodzakelijkerwijs gemaakt worden met het oog op een ordentelijke vereffening; vereffeningskosten worden bij voorrang voldaan. [2] De kosten van rechtsbijstand van de dochter en de schoonzoon in deze procedure zijn geen vereffeningskosten in de zin van artikel 4:7 lid 1 onderPro c BW; het zijn ook geen pre-vereffeningskosten als bedoeld in de toelichting op artikel 4:209 BWPro in de Handleiding erfrechtprocedures kantonrechter versie 10.0 van september 2024. Het zijn kosten die de dochter en de schoonzoon hebben gemaakt als schuldeisers van de nalatenschap. Zij kunnen deze kosten wel als vordering bij de vereffenaar indienen, als deze vallen binnen het kader van artikel 6:96 lid 2 BWPro. Deze vordering betreft kosten die door een schuldeiser zijn gemaakt ter verkrijging van vereffening buiten faillissement en is bevoorrecht op alle goederen van de nalatenschap (artikel 3:288 onderPro a BW).
De conclusie
3.21.
Het hoger beroep slaagt.
3.22.
Het hof bepaalt dat iedere partij de eigen kosten moet dragen vanwege de aard van de zaak (afwikkeling van een nalatenschap tussen een broer en zus en betrokkenheid van de zus en haar echtgenoot als schuldeisers van die nalatenschap).
4.De beslissing
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
4.1.
vernietigt de bestreden beschikking van de rechtbank Gelderland van 14 augustus 2025 en beslist als volgt;
4.2.
benoemt met ingang van de dag van deze beschikking de heer mr. [naam2] ,
werkzaam bij [naam3] in [plaats2] , [straat2] [huisnummer3]
[postcode] [plaats2]
telefoon [telefoonnummer]
e-mail [mailadres] .nl
tot vereffenaar van de nalatenschap van [erflaatster] , geboren in [plaats3] [in] 1935 en overleden in haar laatste woonplaats [plaats4] [in] 2023;
4.3
draagt de griffier van de rechtbank Gelderland op de benoeming van deze vereffenaar onverwijld in het boedelregister in te schrijven;
4.4.
draagt de vereffenaar op de benoeming bekend te maken in de Staatscourant;
4.5.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt van deze procedure;
4.6.
wijst af wat meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Lieber, J.U.M. van der Werff en S. Kuijpers, bijgestaan door mr. L.J.G. Scheffer-Overbeek als griffier, en is op 3 maart 2026 uitgesproken in het openbaar.