ECLI:NL:GHARL:2026:1275

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
200.340.232/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 187 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Benoeming van deskundigen voor onderzoek naar brandoorzaak in pand met cv-ketel

In deze civiele procedure tussen Bosch Thermotechniek B.V. en Vastgoed Onstwedde B.V. staat centraal of de brand in het pand van Onstwedde is ontstaan door een gebrek in een door Bosch geleverde cv-ketel. Na een eerder deskundigenonderzoek blijft onduidelijkheid bestaan over de oorzaak van de brand, waarop het hof besluit tot benoeming van twee nieuwe deskundigen: een op het gebied van cv-ketels en een op het gebied van brandonderzoek.

Het hof formuleert een uitgebreide lijst van vragen voor de deskundigen, waaronder de vraag of de cv-ketel actief was voor verwarming of alleen in warmhoudstand, de locatie van de primaire brandhaard, de aanwezigheid van een hennepkwekerij en een tweede elektrische verdeelinstallatie, en het brandverloop in de technische ruimte. Partijen hebben zich over de vraagstelling uitgelaten, maar het hof handhaaft grotendeels de voorgestelde vragen met enkele herformuleringen.

De deskundigen moeten hun concept-rapport eerst aan partijen voorleggen, waarna zij een definitief rapport opstellen met verwerking van reacties. Het hof legt het voorschot op de kosten van het deskundigenonderzoek vast op circa €60.000, te betalen door Onstwedde, die tevens de bewijslast draagt. Het hof houdt verdere beslissingen aan en stelt een termijn voor het indienen van het deskundigenbericht en reacties van partijen.

Uitkomst: Het hof benoemt twee deskundigen voor nader onderzoek en legt het voorschot op de kosten bij Onstwedde, met verdere beslissingen aangehouden.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.340.232/01
zaaknummer rechtbank Overijssel 257639
arrest van 3 maart 2026
in de zaak van
Bosch Thermotechniek B.V. (Bosch)
die is gevestigd in Deventer
advocaat: mr. H. Lebbing
en
Vastgoed Onstwedde B.V. (Onstwedde)
die is gevestigd in Dokkum
advocaat: mr. M. van Kempen

1.Het verdere verloop van de procedure bij het hof

1.1
Naar aanleiding van het arrest van 14 oktober 2025 hebben partijen de volgende processtukken ingediend:
- een akte uitlating deskundigenbericht van Bosch;
- een akte uitlaten deskundigenrapportage tevens overlegging producties van Onstwedde;
- een antwoorde partijen na tussenarrest van Bosch;
- een antwoordakte uitlaten deskundigenbericht van Onstwedde.
1.2
Vervolgens heeft het hof een datum vastgesteld voor dit arrest.

2.De toelichting op de beslissing van het hof

Het tussenarrest van 14 oktober 2025
2.1
In het tussenarrest van 14 oktober 2025 [1] heeft het hof overwogen dat het nog niet tot een eindoordeel kan komen over de centrale vraag die partijen verdeeld houdt, de vraag of de brand in het pand van Onstwedde is ontstaan als gevolg van een gebrek in een door Bosch in het verkeer gebrachte cv-ketel.
Het hof heeft overwogen dat ook na het in opdracht van de rechtbank uitgevoerde deskundigenonderzoek nog steeds onduidelijkheid bestaat en dat het behoefte heeft aan een nieuw deskundigenonderzoek. Dat onderzoek moet worden uitgevoerd door twee deskundigen, een op het gebied van cv-ketels en een op het gebied van het onderzoek naar branden en brandoorzaken. Verder heeft het hof een aantal vragen voor de te benoemen deskundigen geformuleerd.
2.2
Het hof heeft partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het aantal en de persoon van de deskundigen, over de aan de deskundigen te stellen vragen en over de vraag wie het voorschot op de kosten van de deskundigen dient te dragen. Partijen hebben in hun aktes van die gelegenheid gebruik gemaakt.
De te stellen vragen
2.3
In het tussenarrest heeft het hof overwogen dat het te verrichten deskundigenonderzoek in elk geval betrekking zal moeten hebben op de volgende vragen (die nu door het hof genummerd zijn):
1. Is het aannemelijk dat de cv-ketel de avond van de brand niet alleen is geactiveerd voor de warmhoudstand, maar ook voor de verwarming van het pand?2. Wat is de meest aannemelijke plaats van de primaire brandhaard?3. Is aannemelijk dat in het pand (op de verdieping) ten tijde van de brand een (actieve dan wel ontmantelde) hennepkwekerij aanwezig was?4. Indien dat het geval is, wat betekent dat voor de oorzaak van de brand? Maakt het verschil of de hennepkwekerij ten tijde van de brand nog intact was? Is een verband aannemelijk tussen de hennepkwekerij en de tweede elektrische verdeelinstallatie ?5. Indien de meest aannemelijke plaats de technische ruimte is, hoe zag het brandverloop in de technische ruimte eruit?6. Is aannemelijk dat de brand in de Topline cv-ketel is ontstaan? Zo ja, waar was de brandhaard in de ketel en hoe was het brandverloop?
2.4
Partijen hebben kritiek op deze vraagstelling. Ze vinden de vragen te sturend of te overbodig en/of stellen aanvullende vragen voor. Het hof zal de kritiek van partijen bespreken.
2.5
Volgens Bosch was de ketel op de avond van de brand alleen geactiveerd voor de warmhoudstand. Bij die stand kunnen volgens Bosch, onder verwijzing naar een onderzoek van partijdeskundige Efectis, bij een openstaande branderklem, doorgebogen warmtewisselaar of gedraaide branderpakking niet zodanig kritische temperaturen worden bereikt dat brand in de cv-ketel is ontstaan. In het tussenarrest (rov. 5.17) heeft het hof overwogen dat er gelet op het onderzoek van Efectis niet vanuit kan worden gegaan dat de conclusie van de door de rechtbank benoemde deskundige juist is, dat ook bij de warmhoudstand op de door deze deskundige aangegeven wijze brand is ontstaan. Daarom is het relevant of de ketel op de avond van de brand alleen op de warmhoudstand heeft gestaan of ook actief is geweest voor het verwarmen van het gebouw. Tegen die achtergrond heeft het hof
vraag 1geformuleerd.
2.6
Het hof is het niet met Bosch eens dat de vraag te ‘gesloten’ is geformuleerd. Het gaat om een afgebakende kwestie. Het hof zal de vraag wel iets herformuleren, waardoor de deskundige meer vrijheid heeft om zich uit te laten over de mate van aannemelijkheid. Uiteraard geldt voor deze vraag, net als voor de andere vragen, dat van de deskundigen gevraagd wordt om te motiveren op welke feiten hun antwoord is gebaseerd.
2.7
Het hof zal de deskundige niet de door Onstwedde voorgestelde vragen over de werking van de brander en de temperatuur van de gassen bij activering ten behoeve van de warmhoudstand en verwarming voorleggen. De reden daarvan is dat het hof al heeft geoordeeld dat indien sprake is geweest van een cv-ketel op de warmhoudstand er niet van kan worden uitgegaan dat de brand op de door de rechtbankdeskundige aangegeven wijze is ontstaan. Als het hof de door Onstwedde voorgestelde vragen zou formuleren, zou het terugkomen op dat oordeel. Daar ziet het hof geen reden voor.
Indien de deskundige van oordeel zou zijn dat het voor de kans op het ontstaan van brand in de cv-ketel niet uitmaakt of de ketel alleen op de warmhoudstand staat of ook gebruikt wordt voor verwarming, staat het de deskundige vrij dat te melden in het kader van de slotvraag.
2.8
Het hof ziet geen reden om
vraag 2drastisch aan te passen of uit te breiden, zoals partijen voorstellen. Uiteraard zal de deskundige in het kader van zijn onderzoek naar de meest aannemelijke plaats van de brandhaard ook de andere door partijen genoemde mogelijke plaatsen betrekken en daarbij ook betrekken wat is vastgelegd over de bevindingen van de brandweer en van getuigen. Het hof zal wel in de vraag tot uitdrukking brengen dat de deskundige de ruimte heeft om zijn antwoord te nuanceren, bijvoorbeeld door aan te geven dat er ook (minder aannemelijke maar niet onmogelijke) alternatieve scenario’s zijn.
2.9
Het hof is het niet met Onstwedde eens dat
de vragen 3 en 4overbodig zijn. De aanwezigheid van een hennepkwekerij leidt in zijn algemeenheid tot een verhoogd brandgevaar. Als een hennepkwekerij aanwezig is, is dat een relevante omstandigheid bij een onderzoek naar de oorzaak van de brand en de plaats van de brandhaard. Onstwedde heeft gelijk dat eerst moet worden vastgesteld of inderdaad sprake is van een tweede elektrische installatie. Het hof zal de deskundige daar een afzonderlijke vraag over stellen.
2.1
Het hof zal
vraag 5enigszins herformuleren. De door Bosch gewenste aanvulling is gelet op de aanvulling van vraag 2 overbodig.
2.11
Ook
vraag 6wordt geherformuleerd. Verder zal het hof overeenkomstig de suggestie van Bosch de deskundigen vragen om aan te geven of de aangeleverde dossierstukken volledig en toereikend zijn en of zij op basis daarvan in staat zijn de vragen met een redelijke mate van zekerheid te beantwoorden. En het hof zal, ten slotte, uiteraard ook de gebruikelijke slotvraag stellen.
2.12
Al met al zal het hof de deskundigen de volgende vragen voorleggen:1. In hoeverre vindt u het aannemelijk dat de cv-ketel de avond van de brand niet alleen is geactiveerd voor de warmhoudstand, maar ook voor de verwarming van het pand?Op welke feiten - bijvoorbeeld over de buitentemperatuur ter plaatse - en veronderstellingen - bijvoorbeeld over de gebruikelijke instellingen van de thermostaat - baseert u uw oordeel?2. Wat is de meest aannemelijke plaats van de primaire brandhaard? Acht u het uitgesloten dat er toch een andere primaire brandhaard is? Zo nee, welke alternatieve primaire brandhaarden zijn er? Zou u de mate van aannemelijkheid van de door u genoemde primaire brandhaarden in een percentage kunnen uitdrukken?3. Is aannemelijk dat in het pand (op de verdieping) ten tijde van de brand een (actieve dan wel ontmantelde) hennepkwekerij aanwezig was?Wilt u beschrijven en toelichten op welke feiten en omstandigheden u dit oordeel baseert?4. Is aannemelijk dat in de technische ruimte een tweede elektrische verdeelinstallatie aanwezig was? Zo ja, waar bevond deze installatie zich? En is in dat geval een verband aannemelijk tussen de hennepkwekerij en de tweede elektrische verdeelinstallatie?5. Indien het antwoord op vraag 3 en/of 4 bevestigend luidt, wat betekent dat voor de oorzaak van de brand? Maakt het verschil of de hennepkwekerij ten tijde van de brand nog intact was en of wel of geen sprake is van een tweede elektrische verdeelinstallatie (al dan niet ten dienste van de hennepkwekerij)?
5. Indien de meest aannemelijke plaats van de primaire brandhaard gelegen is in de technische ruimte, wat is dan naar uw oordeel het meest waarschijnlijke brandverloop in de technische ruimte?6. Is het, gelet op de antwoorden op de vorige vragen, aannemelijk dat de brand in de Topline cv-ketel is ontstaan? Zo ja, waar was de brandhaard in de ketel en hoe was het brandverloop?7. Vindt u de aangeleverde dossierstukken volledig en toereikend en kunt u de hiervoor vermelde vragen met een redelijke mate van betrouwbaarheid beantwoorden? Indien uw antwoord ontkennend luidt, wat zijn de gevolgen voor de betrouwbaarheid van de door u gegeven antwoorden?8. Geeft uw onderzoek u aanleiding tot het maken van opmerkingen die naar uw oordeel (mogelijk) van belang zijn voor de beoordeling van het geschil tussen partijen?
2.13
Het hof gaat er vanuit dat de te benoemen deskundige op het gebied van cv-ketels de vragen 1, 7 en 8 beantwoordt, de deskundige op het gebied van het brandonderzoek de vragen 2-5, 7 en 8 en de deskundigen samen vraag 6.
De te benoemen deskundigen2.14 Onstwedde wil dat de door de rechtbank benoemde deskundige opnieuw benoemd zal worden. In het tussenarrest heeft het hof al aangegeven dat en waarom zij hem niet zal herbenoemen. Het hof ziet geen reden op dit oordeel terug te komen. Daar voegt het hof aan toe dat de rechtbankdeskundige zeer stellig is in zijn oordeel en dat het hof inschat dat het ook gezien inhoud en toonzetting van diens rapport voor de rechtbankdeskundige lastig zal zijn om dat oordeel op een objectieve wijze te heroverwegen.
2.15
Partijen zijn het eens over de benoeming van de heer [naam1] van [naam2] tot deskundige op het gebied van het brandonderzoek. [naam1] heeft aangegeven vrij te staan tegenover partijen en een benoeming te zullen aanvaarden.
2.16
Partijen zijn het ook eens over de benoeming van een aan [naam3] verbonden deskundige op het gebied van de cv-ketel. [naam4] van [naam3] heeft aangegeven vrij te staan tegenover partijen en een benoeming te zullen aanvaarden.
2.17
Het hof zal de beide deskundigen benoemen.
Het voorschot op de kosten van het deskundigenonderzoek
2.18
Het hof zal Onstwedde belasten met het voorschot op de kosten van het deskundigenonderzoek. Onstwedde is de eisende partij in deze procedure. Bovendien rust de bewijslast van haar stelling dat de brand is ontstaan als gevolg van een defect in de door Bosch in het verkeer gebrachte cv-ketel op Onstwedde. Dat bewijs is nog niet geleverd, ook niet met het rapport van de rechtbankdeskundige. Dat het voor Onstwedde bezwaarlijk (in elk geval veel bezwaarlijker is dan voor Bosch) om de kosten voor te schieten, is voorstelbaar. Dat gegeven doet echter niet af aan het feit dat volgens de hoofdregel van artikel 187 Rv Pro de eisende partij belast wordt met het voorschot. Die eisende partij is in dit geval ook de partij op wie de bewijslast rust.
2.19
[naam1] heeft aangegeven te verwachten ongeveer 85 uren aan de zaak te moeten besteden. Uitgaande van een uurtarief van € 204,- ex BTW komt het voorschot voor zijn werkzaamheden dan uit op - afgerond - € 21.000,-.
[naam4] verwacht 126 uren aan de zaak te besteden. [naam3] heeft voor deze werkzaamheden een offerte tot een bedrag van € 32.123,- ex BTW uitgebracht, waardoor het voorschot uitkomt op - afgerond - € 39.000,-
2.2
Het hof heeft vooralsnog geen reden om een ander of lager voorschot vast te stellen, nog daargelaten of de deskundigen dan hun benoeming zouden willen aanvaarden. Het hof zal de voorschotten van [naam1] en [naam4] dan ook vaststellen op genoemde bedragen. Indien (een van) partijen zich hiermee niet (kan) kunnen verenigen, zal het hof een nadere beslissing nemen.

3.De beslissing

Het hof:
3.1
Het hof benoemt tot deskundige:
[naam1] verbonden aan [naam2] , [postbus1] , [postcode1] [plaats1] , [email1] .nl, en
[naam4] , verbonden aan [naam3] B.V., [postbus2] , [postcode2] [plaats2] , [email2] .com
om een onderzoek in te stellen en schriftelijk bericht uit te brengen over de vragen die in 2.12 zijn genoemd.
3.2
Het hof stelt het voorschot van de deskundigen vast op € 21.000,- (inclusief btw) voor [naam1] en op € 39.000,- (inclusief btw) voor [naam4] ,
tenzij partijen binnen 14 dagen na de datum van dit arrest in een brief aan de griffie van het hof laten weten dat zij niet instemmen met dit voorschot. In dat geval zal het hof een nadere beslissing nemen.
3.3
Onstwedde moet het voorschot betalen.
3.4
Pas als de griffier heeft laten weten dat het voorschot is betaald, mogen de deskundigen met het onderzoek beginnen.
3.5
De deskundigen moet schriftelijk antwoorden op de hiervoor geformuleerde vragen.
3.6
Bij de uitvoering van het onderzoek moeten de deskundigen de Leidraad deskundige in civiele zaken volgen die is gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.
3.7
De deskundigen zullen hun concept-rapport eerst naar de advocaten van partijen sturen en zij zullen partijen een redelijke termijn stellen voor een reactie. In hun definitieve rapport zullen de deskundigen ingaan op de reactie van partijen. Als de reactie van partijen reden is om het concept-rapport te wijzigen, geven de deskundigen aan welke wijzigingen zij hebben aangebracht. De deskundigen zullen de reacties van partijen, en hun antwoord daarop, als bijlage toevoegen aan het definitieve rapport.
3.8
Als de deskundigen vragen hebben, kunnen zij die stellen aan mr. H. de Hek (dat is de raadsheer-commissaris).
3.9
De deskundigen moet het deskundigenbericht vóór 1 oktober 2026 sturen naar het hof (postbus 1704, 8901 CA in Leeuwarden).
3.1
Het Landelijke Dienstencentrum voor de Rechtspraak zal aan Onstwedde een factuur sturen voor een voorschot van in totaal € 60.000,-). Dit voorschot moet binnen 4 weken na de datum op de factuur zijn betaald.
3.11
Onstwedde moet aan de deskundigen een kopie van het dossier sturen. De griffier stuurt de deskundigen een kopie van dit arrest.
3.12
Partijen moeten de deskundigen de inlichtingen geven waarom deze vragen.
3.13
Op dinsdag 10 november 2026 kan Onstwedde op het deskundigenbericht reageren. Op dinsdag 22 december 2026 mag Bosch daarop reageren.
3.14
Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. H. de Hek, J.E. Wichers en M.F. Eliens, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
3 maart 2026.