ECLI:NL:GHARL:2026:1326

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
24/82
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen naheffingsaanslag BPM en kostenvergoeding bezwaar

Belanghebbende kocht een gebruikte Ford Explorer SUV uit Duitsland en deed BPM-aangifte. De Inspecteur legde een naheffingsaanslag van €15.384 op, die na bezwaar werd verminderd tot €13.094 met een kostenvergoeding van €538. De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar kende wel immateriële schade en proceskosten toe.

In hoger beroep is overeengekomen de naheffingsaanslag te verminderen tot €3.218. Het Hof oordeelt dat de kostenvergoeding bezwaar onherroepelijk is vastgesteld en niet in hoger beroep kan worden aangevochten. Wel kent het Hof een immateriële schadevergoeding van €500 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.

Daarnaast veroordeelt het Hof de Inspecteur tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten van in totaal €3.632. De uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, behalve de beslissingen over immateriële schade, proceskosten en griffierecht. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard.

Uitkomst: De naheffingsaanslag BPM wordt verminderd tot €3.218 en belanghebbende krijgt immateriële schadevergoeding en proceskosten toegekend.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 24/82
uitspraakdatum: 3 maart 2026
Uitspraak van de tiende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[vestigingsplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank) van 14 december 2023, nummer LEE 22/2035 in het geding tussen belanghebbende en
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen/Team auto bpm(hierna: de Inspecteur)
en
de Staat der Nederlanden(Minister van Justitie en Veiligheid; hierna: de Staat)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd van € 15.384.
1.2.
Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft in zijn uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag verminderd tot € 13.094. Daarbij heeft hij belanghebbende voorts een kostenvergoeding toegekend.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak inzake de naheffingsaanslag beroep ingesteld. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een nader stuk ingediend.
1.5.
Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 11 februari 2026. Namens belanghebbende is mr. S.M. Bothof verschenen. Namens de Inspecteur zijn mr. [naam1] en mr. [naam2] verschenen.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende heeft een uit Duitsland afkomstige – oorspronkelijk voor de Amerikaanse markt geproduceerde – gebruikte personenauto van het merk Ford (Explorer SUV; hierna: de auto) gekocht. De datum van eerste toelating van de auto is 4 april 2019.
2.2.
De auto is op 5 februari 2021 door de RDW gekeurd. Belanghebbende heeft op 16 februari 2021 voor de auto aangifte BPM gedaan naar een verschuldigd bedrag van € 9.778 (er is € 9.775 betaald). Wat betreft de afschrijving heeft belanghebbende daarbij de taxatiemethode toegepast.
2.3.
Belanghebbende heeft de auto op verzoek van de Inspecteur op 23 februari 2021 getoond bij Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ). DRZ heeft op basis van het onderzoek met dagtekening 25 februari 2021 een rapport opgesteld.
2.4.
De Inspecteur heeft op basis van voornoemd DRZ-rapport de onderhavige naheffingsaanslag BPM ten bedrage van € 15.384 aan belanghebbende opgelegd.
2.5.
Belanghebbende heeft op 7 mei 2021 bezwaar tegen de naheffingsaanslag aangetekend. In zijn uitspraak op bezwaar van 29 maart 2022 heeft de Inspecteur het bezwaar (ten dele) gegrond verklaard en de naheffingsaanslag verminderd tot € 13.094. Voorts heeft de Inspecteur belanghebbende een kostenvergoeding toegekend van € 538 (2 punten x € 269).
2.6.
De Rechtbank heeft het door belanghebbende ingestelde beroep in haar uitspraak van 14 december 2023 ongegrond verklaard. Wel heeft de Rechtbank belanghebbende – ten laste van de Staat en de Inspecteur – vergoedingen van immateriële schade, proceskosten en het griffierecht toegekend.
2.7.
Belanghebbende heeft op 28 december 2023 hoger beroep tegen de uitspraak van de Rechtbank aangetekend.

3.Geschil

In geschil is de hoogte van de naheffingsaanslag. Voorts betoogt belanghebbende dat de Inspecteur bij het toekennen van de kostenvergoeding voor bezwaar ten onrechte is uitgegaan van de ‘lage’ puntwaarde van € 269. Belanghebbende heeft tot slot aanspraak gemaakt op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.

4.Beoordeling van het geschil

Naheffingsaanslag
4.1.
Partijen zijn ter zitting van het Hof in het kader van een compromis overeengekomen dat de naheffingsaanslag moet worden verminderd tot € 3.218. Het Hof zal dienovereenkomstig beslissen.
Kostenvergoeding bezwaar
4.2.
Belanghebbende heeft (voor het eerst) in hoger beroep gesteld dat, gelet op HR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060, de Inspecteur bij het toekennen van de kostenvergoeding voor bezwaar ten onrechte een puntwaarde van € 269 heeft gehanteerd.
4.3.
Belanghebbende heeft de door de Inspecteur in de uitspraak op bezwaar toegekende kostenvergoeding in beroep bij de Rechtbank niet bestreden. Haar grieven zagen louter op de naheffingsaanslag. Dit betekent dat de beslissing van de Inspecteur inzake de kostenvergoeding in bezwaar met diens uitspraak op bezwaar onherroepelijk is komen vast te staan. Alsdan kan die beslissing niet voor het eerst in hoger beroep tot voorwerp van het geschil worden gemaakt (vgl. HR 25 april 2025 ECLI:NL:HR:2025:673 en HR 21 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:419). Anders dan belanghebbende betoogt, brengt een beroep tegen de uitspraak op bezwaar inzake de naheffingsaanslag niet ‘automatisch’ mee dat daarmee ook beroep is ingesteld tegen de beslissing inzake de kostenvergoeding voor het bezwaar.
Vergoeding immateriële schade
4.4.
Belanghebbende heeft in hoger beroep aanspraak gemaakt op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Die aanspraak is terecht, aangezien de tweejaarstermijn is overschreden met minder dan zes maanden. Dit betekent dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van immateriële schade van € 500, te vergoeden door de Staat.
Slotsom
4.5.
Uit het hiervoor overwogene volgt dat het hoger beroep van belanghebbende gegrond is.

5.Griffierecht en proceskosten

5.1.
Omdat het hoger beroep gegrond is, ziet het Hof aanleiding de Inspecteur te gelasten aan belanghebbende het door haar voor het hoger beroep betaalde griffierecht van € 548 te vergoeden. De Rechtbank heeft reeds beslist dat het voor het beroep betaalde griffierecht van € 365 aan belanghebbende moet worden vergoed. Het Hof laat die beslissing in stand.
5.2.
Het Hof ziet voorts aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De beslissing van de Inspecteur inzake de kosten van het bezwaar wordt door het Hof in stand gelaten (zie r.o. 4.3.).
5.3.
Het Hof stelt de kosten ter zake van in beroep en hoger beroep beroepsmatig verleende rechtsbijstand overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht en berekend naar de tarieven van 2026 vast op € 1.868 voor de kosten in beroep (2 punten (beroepschrift, bijwonen zitting) x wegingsfactor 1 x € 934) en op € 1.868 voor de kosten in hoger beroep (2 punten (hogerberoepschrift, bijwonen zitting) x wegingsfactor 1 x € 934), ofwel in totaal op € 3.736. In dit geval – bij een gegrond (hoger) beroep – worden geen afzonderlijke punten toegekend in het kader van de vergoeding van immateriële schade. Omdat de Staat geen hoger beroep heeft ingesteld (en daardoor niet in een betere positie kan komen te verkeren), laat het Hof de beslissing van de Rechtbank inzake de vergoeding van proceskosten aan belanghebbende door de Staat ten bedrage van € 104,63 in stand. Dit bedrag komt in mindering op het bedrag van € 3.736, zodat de Inspecteur in totaal (aanvullend en afgerond) een bedrag van € 3.632 aan belanghebbende dient te vergoeden.

6.Beslissing

Het Hof:
  • vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen omtrent de vergoeding van immateriële schade, de veroordeling van de Staat in de proceskosten en de vergoeding van het griffierecht,
  • verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond,
  • vernietigt de uitspraak van de Inspecteur,
  • vermindert de naheffingsaanslag tot € 3.218,
  • veroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 500,
  • veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van in totaal € 3.632, en
  • gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het voor het hoger beroep betaalde griffierecht vergoedt van € 548.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, lid van de tiende enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van dr. J.W.J. de Kort als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026.
De griffier, De raadsheer,
(J.W.J. de Kort) (R. den Ouden)
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.