Belanghebbende kreeg op 2 juni 2021 een naheffingsaanslag opgelegd in de belasting van personenauto's en motorrijwielen, inclusief belastingrente. Een beroepsmatig optredende rechtsbijstandverlener maakte bezwaar namens belanghebbende. De Inspecteur kende bij uitspraak op bezwaar een vergoeding toe voor de kosten van rechtsbijstand, vastgesteld op basis van de toen geldende waarde per punt van €269.
Belanghebbende stelde beroep in tegen de naheffingsaanslag en de beschikking belastingrente, zonder klachten over de vergoeding van rechtsbijstandskosten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar het hof verklaarde het hoger beroep gegrond en verminderde de aanslag. Het hof liet de vergoeding voor rechtsbijstand bij bezwaar ongewijzigd.
In cassatie klaagde belanghebbende dat de vergoeding te laag was vastgesteld, verwijzend naar een nieuw arrest van de Hoge Raad waarin een hogere waarde per punt (€624) werd gehanteerd. De Hoge Raad oordeelde dat het hof niet ambtshalve hoefde te toetsen of de juiste waarde per punt was toegepast, omdat belanghebbende daarover niet had geklaagd in eerdere procedures. Het cassatieberoep werd ongegrond verklaard.