Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:1416

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
9 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
200.358.564
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:610 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen arbeidsovereenkomst bij schijnconstructie ondanks schriftelijke overeenkomst

Verzoekster en verweerder2 hadden een affectieve relatie en een schriftelijke arbeidsovereenkomst gesloten waarbij verzoekster als verkoopmedewerkster 37 uur per week zou werken. Na de relatiebreuk vorderde verzoekster loon en vergoedingen, terwijl verweerders stelden dat sprake was van een schijnconstructie zonder arbeidsverplichting.

De kantonrechter verklaarde dat er geen arbeidsovereenkomst bestond en wees de overige vorderingen af. Verzoekster ging in hoger beroep om deze verklaring te laten vernietigen en haar loonvorderingen alsnog toe te kennen.

Het hof oordeelde dat de Haviltex-maatstaf leidend is voor de uitleg van de overeenkomst en dat de wettelijke criteria voor een arbeidsovereenkomst (arbeidsverplichting, loon en gezagsverhouding) ontbraken. Verklaringen van voormalige werknemers en appverkeer toonden slechts incidentele werkzaamheden en betrokkenheid, geen verplichting tot arbeid.

Daarmee was er geen arbeidsovereenkomst en faalden de loonvorderingen. Het hoger beroep werd verworpen en verzoekster werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Het hof bevestigt dat er geen arbeidsovereenkomst bestond en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.358.564
zaaknummer rechtbank 11622287
beschikking van 9 maart 2026
in de zaak van
[verzoekster]
die woont in [woonplaats1] ,
hierna: [verzoekster] ,
advocaat: mr. S. Goedvriend te Bemmel,
tegen

1.[verweerder1] B.V.,

die is gevestigd in [plaats1] ,
2. [verweerder2],
die woont in [woonplaats2] ,
hierna [verweerder1] en [verweerder2] ,
advocaat: mr. E.J. Bijl te Deventer.

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

[verzoekster] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn, op
5 juni 2025 heeft gegeven (hierna: de bestreden beschikking). Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • het beroepschrift
  • het verweerschrift
  • het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 7 januari 2026 is gehouden
  • bericht van de advocaat van [verzoekster] dat partijen nadien geen overeenstemming hebben bereikt
  • brief van de advocaat van [verweerder1] en [verweerder2] met de bij verweerschrift aangekondigde productie 8.
Voor zover het beroep gericht is tegen de beschikking van de beschikking van 20 maart 2025 van de Rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, is het niet ontvankelijk omdat daar geen grieven tegen zijn gericht.

2.De kern van de zaak

2.1.
[verzoekster] en [verweerder2] hadden een affectieve relatie en hebben tot 10 december 2024 samengewoond. Op 1 januari 2021 hebben [verzoekster] en [verweerder2] , in zijn hoedanigheid van directeur en grootaandeelhouder van [verweerder1] , een overeenkomst getekend waarin is opgenomen dat [verzoekster] op 28 juni 2020 bij [verweerder1] in dienst is getreden voor bepaalde tijd in de functie van verkoopmedewerkster voor 37 uur per week en dat deze arbeidsovereenkomst per 1 januari 2021 wordt omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. [verzoekster] maakt na de relatiebreuk aanspraak op loon. Volgens [verweerder2] en [verweerder1] heeft zij geen recht op loon omdat sprake was van een schijnconstructie; de werkelijke overeenkomst hield in dat [verweerder2] geld zou geven aan [verzoekster] , vanwege hun affectieve relatie, en dat dit om ‘fiscale redenen’ in de vorm van een arbeidsovereenkomst was gegoten.
2.2.
[verweerder1] en [verweerder2] hebben de kantonrechter verzocht om voor recht te verklaren dat tussen partijen geen arbeidsovereenkomst is gesloten en de overeenkomst per 10 december 2024 te ontbinden, dan wel – als wel sprake is van een arbeidsovereenkomst – deze te ontbinden zonder toekenning van een transitievergoeding en te bepalen dat [verzoekster] geen recht heeft op loon vanaf 10 december 2024.
[verzoekster] heeft verweer gevoerd en de kantonrechter op haar beurt voorwaardelijk – als de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden – verzocht om doorbetaling van loon over december 2024 tot aan de datum waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd, vermeerderd met wettelijke rente en wettelijke verhoging, en om toekenning van de transitievergoeding en een billijke vergoeding.
2.3.
De kantonrechter heeft enkel de verzochte verklaring voor recht, dat er geen arbeidsovereenkomst is tussen partijen, toegewezen en de overige verzoeken over en weer afgewezen. De bedoeling van het hoger beroep van [verzoekster] is dat de verklaring voor recht alsnog wordt afgewezen en haar verzoeken alsnog worden toegewezen. In hoger beroep heeft zij haar verzoeken verder ingevuld, de loonvordering alsnog onvoorwaardelijk ingesteld en aanvullend verzocht om hoofdelijke veroordeling van [verweerder1] en [verweerder2] .
2.4.
Het hof laat de beschikking van de kantonrechter in stand en wijst ook de gewijzigde verzoeken van [verzoekster] af.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

3.1.
In deze zaak gaat het om de vraag of tussen [verweerder1] en [verzoekster] sprake is van een arbeidsovereenkomst.
3.2.
Voor het antwoord op die vraag moet eerst worden vastgesteld welke rechten en plichten partijen zijn overeengekomen. Voor zover het daarbij aankomt op het uitleggen van de afspraken die partijen hebben gemaakt en bijvoorbeeld hebben vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst, moet dit worden beoordeeld aan de hand van de Haviltex-maatstaf. Kort gezegd houdt dat in dat niet alleen wordt gekeken naar de tekst van een overeenkomst maar ook naar de betekenis die partijen aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en wat zij daarbij van elkaar konden verwachten. Vervolgens moet worden beoordeeld of de overeengekomen rechten en plichten voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst uit artikel 7:610 BW Pro. Dat wil zeggen of sprake is van (1) de verplichting tot het verrichten van arbeid, (2) loon en (3) een gezagsverhouding. Niet van belang is of partijen ook daadwerkelijk de bedoeling hadden de overeenkomst onder de wettelijke regeling van de arbeidsovereenkomst te laten vallen. Of een overeenkomst moet worden aangemerkt als arbeidsovereenkomst, hangt af van alle omstandigheden van het geval in onderling verband bezien. [1]
3.3.
Omdat het [verzoekster] is die zich op de rechtsgevolgen van het bestaan van een arbeidsverhouding beroept (zoals het recht op loon en vergoedingen), is het aan haar om voldoende feiten te stellen en zo nodig te bewijzen die de conclusie kunnen dragen dat sprake is van een arbeidsovereenkomst. [verzoekster] verwijst hoofdzakelijk naar de schriftelijke arbeidsovereenkomst waarin is vastgelegd dat zij zich verbindt om tegen betaling 37 uur per week werkzaamheden te verrichten als verkoopmedewerkster. Deze akte levert tussen partijen weliswaar dwingend bewijs op, maar dit kan met tegenbewijs worden ontkracht. Daarin zijn [verweerder1] en [verweerder2] naar het oordeel van het hof geslaagd. Met de schriftelijke verklaringen van haar (voormalig) werknemers [naam1] en [naam2] is overtuigend in twijfel getrokken dat [verzoekster] verplicht was om enige arbeid als verkoopmedewerkster te verrichten. [naam1] en [naam2] hebben verklaard dat zij nooit hebben gezien dat [verzoekster] werkzaamheden heeft verricht, terwijl [naam2] onbetwist jarenlang de enige winkel van het bedrijf runde en [naam1] de online marketing verzorgde. [verzoekster] heeft daar onvoldoende tegenover gesteld om alsnog een verplichting voor het verrichten van arbeid aan te kunnen nemen. Zij heeft wel appverkeer tussen haar en [verweerder2] overgelegd, maar daaruit valt enkel af te leiden dat [verzoekster] een paar keer op de loods heeft gepast, wel eens met [verweerder2] heeft meegedacht over de inrichting van de winkel en over de marketing. Dit onderstreept juist het incidentele karakter van haar werkzaamheid en daaruit valt geen verplichting tot het verrichten van die werkzaamheden gedurende 37 uur per week af te leiden. Het laat zich veeleer verklaren door betrokkenheid bij het reilen en zeilen van het bedrijf van haar partner. Dat geldt ook voor het vergezellen van [verweerder2] naar beurzen in het buitenland, die, zo heeft [verweerder2] onbetwist gesteld, ook werden gecombineerd met familiebezoeken. Enig aanknopingspunt dat het om structurele werkzaamheden ging, heeft [verzoekster] niet geboden, en al helemaal niet dat zij werkelijk verplicht was die werkzaamheden uit te voeren. Gelet op de overgelegde verklaringen, ook al zijn het schriftelijke verklaringen die niet onder ede zijn afgelegd, had dat wel op haar weg gelegen. Al met al heeft [verzoekster] onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit een arbeidsverplichting kan worden opgemaakt. Aan (verdere) bewijslevering wordt dan niet toegekomen.
3.4.
Alleen al omdat in rechte is komen vast te staan dat de verplichting om arbeid te verrichten ontbrak, is tussen [verweerder1] en [verzoekster] geen arbeidsovereenkomst tot stand gekomen. Dat er tussen [verweerder2] en [verzoekster] geen arbeidsovereenkomst is gesloten, is niet in geschil. Dat bleek overigens pas gaandeweg de procedure bij de kantonrechter. In zoverre had ook [verweerder2] voldoende belang bij de verzochte verklaring voor recht. Deze is dan ook op goede gronden toegewezen. Nu in rechte vaststaat dat er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst, komt ook de grondslag aan de tegenverzoeken van [verzoekster] te ontvallen, zodat die niet toewijsbaar zijn.
3.5.
Het hoger beroep slaagt dus niet. Omdat [verzoekster] in het ongelijk wordt gesteld, wordt zij veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep van [verweerder1] en [verweerder2] . Het salaris advocaat wordt vastgesteld op basis van het liquidatietarief. Het hof ziet geen aanleiding om [verzoekster] , zoals verzocht, in de volledige proceskosten van [verweerder1] en [verweerder2] te veroordelen, nu er geen sprake is van een situatie waarbij [verzoekster] al op voorhand moest begrijpen dat haar hoger beroep geen kans van slagen had. [2] Het hof komt dan ook niet toe aan een beoordeling van de door [verweerder1] en [verweerder2] overgelegde facturen (productie 8).

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
verwerpt het beroep;
4.2.
veroordeelt [verzoekster] tot betaling van de volgende proceskosten van [verweerder1] en [verweerder2] :
€ 827,00 aan griffierecht
€ 2.580,00 aan salaris van de advocaat van [verweerder1] en [verweerder2] (2 procespunten x appeltarief II);
4.3.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag;
4.4.
wijst het meer en anders gevorderde af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.J.P. Heijmans, voorzitter, R. Verkijk en H.M.J. van den Hurk, en is in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2026.

Voetnoten

1.Zie ECLI:NL:HR:2020:1746 (X/Amsterdam) en ECLI:NL:HR:2023:443 (Deliveroo)
2.Vergelijk ECLI:NL:HR:2012:BV7828 (Duka/Achmea)