ECLI:NL:GHARL:2026:1421

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
200.355.590/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:156 BWArt. 1:157 BWArt. 1:160 BWArt. 1:401 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep partneralimentatie: behoefte, draagkracht en terugbetaling teveel betaalde alimentatie

Partijen zijn in 1998 gehuwd en in 2020 gescheiden. De man is verplicht partneralimentatie te betalen aan de vrouw, die geen verdiencapaciteit meer heeft vanwege arbeidsongeschiktheid. De rechtbank had de alimentatie verhoogd, maar de man ging in hoger beroep tegen de hoogte en duur van de alimentatie en vorderde terugbetaling van teveel betaalde bedragen.

Het hof bevestigt dat de behoefte van de vrouw niet hoeft te worden bijgesteld ondanks gewijzigde woonlasten, omdat zij huur blijft betalen. De vrouw is arbeidsongeschikt verklaard door het UWV en heeft geen verdiencapaciteit. De man kon onvoldoende aantonen dat de vrouw haar behoefte zelf kan voorzien of dat haar vermogen daartoe toereikend is.

De man verzocht om limitering van de alimentatie wegens vermeend wangedrag van de vrouw en het wegvallen van de lotsverbondenheid, maar het hof oordeelt dat dit onvoldoende is onderbouwd en dat de alimentatieverplichting niet op die gronden kan worden beëindigd.

De draagkracht van de man is berekend op basis van zijn inkomen, rekening houdend met ziektewetuitkering en schulden. De man kan de alimentatie dragen, maar de hoogte wordt aangepast naar lagere bedragen dan de rechtbank had vastgesteld. Het hof veroordeelt de vrouw tot terugbetaling van € 9.587,50 teveel ontvangen alimentatie, vermeerderd met wettelijke rente, met een termijn van veertien dagen voor nakoming.

Uitkomst: Het hof wijzigt de partneralimentatie en veroordeelt de vrouw tot terugbetaling van € 9.587,50 teveel betaalde alimentatie met wettelijke rente.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.355.590/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 196563)
beschikking van 10 maart 2026
in de zaak van
[verzoeker](de man),
die woont in [woonplaats1] ,
verzoeker in hoger beroep,
advocaat: mr. A. van der Pol te Leeuwarden,
en
[verweerster](de vrouw),
die woont in [woonplaats2] ,
verweerster in hoger beroep,
advocaat: mr. A.A.M. Kroon-Jongbloed te Groningen.

1.De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 18 april 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.De procedure in hoger beroep

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 3 juni 2025;
- een journaalbericht namens de man van 24 juli 2025 met bijlage(n);
- het verweerschrift met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de man van 5 december 2025 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de man van 5 januari 2026 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de vrouw van 5 januari 2026 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de man van 12 januari 2026 met bijlage(n).
2.2.
De mondelinge behandeling heeft op 15 januari 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn partijen en hun advocaten. De advocaten van partijen hebben ter zitting het woord gevoerd mede aan de hand van de door hen overgelegde pleitnota.
De vrouw heeft bezwaar gemaakt tegen de late indiening van de producties 23 en 24 die volgens haar eerder in het geding gebracht hadden kunnen worden. De vrouw heeft gevraagd de stukken buiten beschouwing te laten. Het hof heeft dat verzoek afgewezen, omdat de indieningstermijn van 10 dagen voor de zitting niet is overschreden, de vrouw de stukken al kende, ze niet omvangrijk zijn, de vrouw de stukken met haar advocaat heeft kunnen bespreken en zij daar ter zitting op kan reageren. De vrouw is aldus niet zodanig in haar procesbelang geschaad dat de producties buiten beschouwing dienen te blijven.

3.De feiten

3.1.
Partijen zijn [in] 1998 gehuwd. Zij zijn de ouders van twee meerderjarige kinderen. Het huwelijk van partijen is [in] 2020 ontbonden door echtscheiding.
3.2.
Het hof heeft bij beschikking van 11 mei 2021 onder meer bepaald dat de man vanaf 1 februari 2022 € 928,- bruto per maand als bijdrage in de kosten van levensonderhoud (hierna: partneralimentatie) aan de vrouw dient te voldoen. Geïndexeerd bedraagt de partneralimentatie in 2024 € 1.069,56 bruto per maand.

4.De procedure bij de rechtbank

4.1.
De man heeft op 11 september 2024 een verzoek ingediend om de beschikking van het hof van 11 mei 2021 op dat punt te wijzigen
.De vrouw heeft op 6 november 2024 een zelfstandig verzoek tot wijziging van die beschikking ingediend.
4.2.
Bij de - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - bestreden beschikking heeft de rechtbank de in de beschikking van het hof van 11 mei 2021 bepaalde partneralimentatie gewijzigd en bepaald dat die vanaf 5 november 2024 € 2.183,- bruto per maand bedraagt en vanaf 1 januari 2025 € 2.325,- bruto per maand.

5.De omvang van het geschil

5.1.
De man is met vier grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking . De grieven zien op de behoefte van de vrouw, de limitering van de alimentatieverplichting, zijn draagkracht en de behoeftigheid van de vrouw.
De man verzoekt het hof om de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende, te bepalen dat:
I. de partneralimentatie met ingang van de datum van indiening van het inleidend verzoek dan wel een datum die het hof juist acht op nihil wordt gesteld dan wel een lager bedrag dat het hof juist acht;
II. de vrouw te veroordelen om hetgeen hij ter uitvoering van de bestreden beschikking respectievelijk de uitspraak van het hof van 11 mei 2021 heeft voldaan onder aftrek wat hij volgens de in deze procedure te wijzen beschikking dient te voldoen, aan hem terug te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot de dag van terugbetaling.
5.2.
De vrouw voert verweer en verzoekt het hof de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, dan wel het hoger beroep ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

6.De motivering van de beslissing

Inleiding
6.1.
Tussen partijen is in hoger beroep niet in geschil dat de partneralimentatie met ingang van 5 november 2024 opnieuw beoordeeld moet worden. De rechtbank heeft de gewijzigde partneralimentatie per die datum laten ingaan, en daar zijn geen grieven tegen gericht.
6.1.
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad [1] gelden met betrekking tot de door de rechter te bepalen ingangsdatum van een (gewijzigde) onderhoudsverplichting en een eventuele terugbetalingsverplichting de volgende regels:
(i) De rechter die beslist op een verzoek tot wijziging van een eerder vastgestelde bijdrage in het levensonderhoud, zal in het algemeen behoedzaam gebruik moeten maken van zijn bevoegdheid de wijziging te laten ingaan op een vóór zijn uitspraak gelegen datum, met name indien dit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de onderhoudsgerechtigde in verband met een daardoor in het leven geroepen verplichting tot terugbetaling van wat in de daaraan voorafgaande periode in feite is betaald of verhaald.
(ii) Deze behoedzaamheid geldt ook voor de rechter in hoger beroep die met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum een zodanige wijziging brengt in de door de rechter in eerste aanleg vastgestelde of gewijzigde bijdrage dat zij kan leiden tot de hiervoor bedoelde ingrijpende gevolgen.
(iii) Deze behoedzaamheid brengt mee dat de rechter naar aanleiding van wat partijen hebben aangevoerd, zal moeten beoordelen of, en in hoeverre, in redelijkheid van de onderhoudsgerechtigde terugbetaling kan worden verlangd van wat in overeenstemming met diens behoefte aan levensonderhoud reeds is uitgegeven, en dat de rechter, indien dit naar zijn oordeel het geval is, van zijn beoordeling rekenschap zal moeten geven in de motivering.
In deze regels (i)-(iii) ligt besloten dat de rechter die een onderhoudsverplichting verlaagt met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum, steeds aan de hand van wat in de procedure is gebleken, zal moeten beoordelen in hoeverre een daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting in redelijkheid kan worden aanvaard. Hij is daarom bij die beoordeling niet afhankelijk van een door de onderhoudsgerechtigde gevoerd, op die terugbetaling betrekking hebbend verweer.
6.1.
In het kader van de invulling van de op dit punt van de rechter verlangde behoedzaamheid, zal het hof hierna eerst de hoogte van een eventueel door de man verschuldigde onderhoudsbijdrage vaststellen. Mocht de onderhoudsbijdrage op een lager bedrag uitkomen dat het door de rechtbank vastgestelde bedrag, dan zal het hof vervolgens nader ingaan op de ingangsdatum van de gewijzigde onderhoudsverplichting en op een eventuele terugbetalingsverplichting.
6.1.
De man lijkt er in zijn beroepschrift bewaren tegen te hebben dat de rechtbank binnen de lijnen is gebleven van (wettelijke) regelingen en heersende leer en heeft hij het hof gevraagd daarbuiten te gaan, maar ter zitting heeft de man dat expliciet teruggenomen.
De man heeft op grond van de wet een onderhoudsplicht jegens de vrouw (artikel 1:156 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW)). Het hof zal, net als de rechtbank, voor de vaststelling van de omvang van de onderhoudsplicht uitgaan van de methodiek uit het Rapport Alimentatie-normen van de Expertgroep Alimentatienormen.
De behoefte van de vrouw (grief I)
6.1.
Het hof heeft bij beschikking van 11 mei 2021 de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw vastgesteld op € 2.555,- netto per maand in 2020 en € 2.632,- netto per maand in 2021. Geïndexeerd naar 2024 is dat € 2.944,75 netto per maand en geïndexeerd naar 2025 is dat € 3.136,15 netto per maand.
6.1.
De man voert aan dat de behoefte van de vrouw bijgesteld moet worden, omdat zij geen huur betaalt, dan wel een veel lagere huur dan de forfaitaire woonlast.
De man wijst er op dat de behoefte van de vrouw een geschilpunt is geweest in een eerdere procedure tussen partijen waarop het hof in de beschikking van 11 mei 2021 al heeft beslist. Die beschikking is in kracht van gewijsde gegaan. Aan beslissingen in die beschikking komt – zoals de man terecht opmerkt – gezag van gewijsde toe, maar dat gezag is betrekkelijk. Artikel 1:401 BW Pro brengt mee dat dit gezag in zoverre wordt beperkt dat een dergelijke beslissing kan worden gewijzigd of ingetrokken als de uitspraak door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven (te weten: behoefte en draagkracht) te voldoen (lid 1), of daaraan nooit heeft beantwoord doordat bij de uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan (lid 4).
Hoewel dus niet uitgesloten is dat een door de rechter reeds vastgestelde behoefte later wordt aangepast, ziet het hof – anders dan de man – daartoe thans geen aanleiding. Anders dan de man stelt, is het hof met de rechtbank van oordeel dat de vrouw door het overleggen van de transactieoverzichten van de huurbetalingen voldoende heeft laten zien dat ze al voor het inleidend verzoek huur betaalde en ook nadien nog steeds huur betaalt en dat de huurtoeslag vanaf 2025 nihil is geworden (als gevolg van haar inkomen en gestegen partneralimentatie).
De wooncomponent maakt daarom nog steeds onderdeel uit van de behoefte van de vrouw. De behoefte van de vrouw vereist dan ook geen correctie op dat punt. Dat met een te hoog bedrag rekening is gehouden, is onvoldoende onderbouwd. Het hof is van oordeel dat de grief van de man faalt.
De behoeftigheid van de vrouw (grief IV)
6.1.
De man stelt de behoeftigheid van de vrouw ter discussie. Van behoeftigheid is sprake als de vrouw niet voldoende inkomsten heeft om volledig in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien en die inkomsten ook niet redelijkerwijs kan verwerven. De man stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte de aanvullende behoefte van de vrouw op een bedrag van € 2.183,- bruto per maand heeft bepaald. De man meent dat de vrouw in staat is daarin zelf te voorzien. De vrouw bestrijdt dat gemotiveerd.
6.1.
De man heeft zijn twijfels bij het traject van het UWV dat heeft geleid tot de arbeidsongeschiktheidsverklaring van de vrouw. Het hof is van oordeel dat de vrouw met de door haar ingebrachte stukken voldoende heeft aangetoond dat zij door het UWV is gekeurd per september 2023 en dat toen is vastgesteld dat de vrouw geen (theoretische) verdiencapaciteit heeft en zij (daarom) 80-100% arbeidsongeschikt is verklaard. Het UWV is bij uitstek de instantie die de arbeidsongeschiktheid beoordeelt. Het UWV heeft dat medio 2025 opnieuw getoetst en bij brief van 30 juli 2025 bericht dat daarin niets is veranderd. De man heeft daartegen onvoldoende ingebracht. De twijfel van de man, alsook de aangevoerde omstandigheden dat de vrouw visite heeft gehad op haar verjaardag, een afscheidsfeest heeft bezocht, haar dochter naar Schiphol heeft gebracht, heeft geholpen met een verhuizing en in een pretpark of dierentuin is geweest, zijn daarvoor niet voldoende.
De man heeft naar voren gebracht dat de vrouw voor dat zij is afgekeurd onvoldoende heeft gesolliciteerd en niet heeft voldaan aan haar inspanningsverplichting. Zelfs als dat zo zou zijn, doet dat niet af aan het feit dat de vrouw al voor 5 november 2024 geen verdiencapaciteit meer had. Het hof gaat daarom uit van de verdiencapaciteit zoals het UWV die heeft vastgesteld.
6.1.
De man stelt verder dat de vrouw nog vermogen heeft waarmee ze in haar behoefte kan voorzien, omdat ze uit de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden € 47.500,- heeft ontvangen en dat vermogen rendeert. De vrouw bestrijdt dat gemotiveerd.
Het hof heeft in de beschikking van 11 mei 2021 reeds overwogen dat de vrouw niet op haar vermogen uit de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden hoeft in te teren en dat van een (substantieel) forfaitair rendement van het vermogen geen sprake zal zijn. Er is geen reden aangevoerd of gebleken om daar nu anders over te denken.
6.1.
De man brengt ook naar voren dat de vrouw kennelijk heeft kunnen rondkomen van de partneralimentatie zoals die was en dat zij gewend is geraakt aan een lager welstandsniveau, omdat zij niet om verhoging van de partneralimentatie heeft gevraagd toen haar inkomen verminderde, maar pas nadat hij zijn inleidend verzoek heeft ingediend. Ook heeft zij haar kinderen financieel kunnen ondersteunen.
Het enkele tijdsverloop en het feit dat de vrouw (noodgedwongen) rond heeft moeten en kunnen komen van het bedrag dat zij in aanvulling op haar uitkering van de man heeft ontvangen, brengen naar het oordeel van het hof niet mee dat de behoefte en/of de aanvullende behoefte van de vrouw is afgenomen. Dat geldt ook voor het feit dat de vrouw ervoor gekozen heeft geld aan de kinderen te geven.
6.1.
De behoefte van de vrouw is per 2024 geïndexeerd naar € 2.944,75 netto per maand. Uit de jaaropgave 2024 volgt een inkomen van € 1.502,- netto per maand. Haar aanvullende behoefte is daarom in 2024 € 1.443,- netto per maand, zijnde € 2.809,- bruto per maand.
6.1.
De behoefte van de vrouw is in 2025 € 3.136,15 netto per maand. Uit de specificaties van januari, april en juni 2025 volgt een inkomen van € 1.927,70 bruto per maand. Dat is € 1.592,- netto per maand. Haar aanvullende behoefte is daarom in 2025 € 1.544,- netto per maand, zijnde € 2.961,- bruto per maand.
De limitering (grief II)
6.1.
De man heeft verzocht om de partneralimentatie te limiteren tot vijf jaren, waarbij hij erop wijst dat de vrouw al voor de ontbinding van het huwelijk een voorlopige partneralimentatie heeft ontvangen. Ter zitting heeft hij daartoe aangevoerd dat de lotsverbondenheid tussen hen is verbroken. Subsidiair heeft de man gevraagd om de partneralimentatie op nihil stellen omdat er sprake is van wangedrag van de vrouw.
6.1.
Het hof stelt het volgende voorop. Mits de periode van twaalf jaren niet wordt overschreden, kan de rechter op verzoek van een van de echtgenoten de uitkering toekennen voor een bepaalde termijn, al of niet in de vorm van een geleidelijke vermindering tot nihil. Dat zal in het algemeen redelijk zijn wanneer verwacht mag worden dat (meestal) de vrouw na het einde van de alimentatie op voor haar passende wijze in haar eigen levensonderhoud zal kunnen voorzien door te gaan werken. De Hoge Raad heeft aan rechterlijke uitspraken die praktisch een einde maken aan het recht op levensonderhoud van de vrouw strenge eisen gesteld ter zake van de stelplicht van de alimentatieplichtige en aan de motivering van de rechter. [2]
6.1.
Het hof overweegt dat door het aangaan van een huwelijk lotsverbondenheid ontstaat op grond van artikel 1:81 BW Pro. Die door het huwelijk in het leven geroepen lotsverbondenheid geldt weliswaar als een grondslag voor het ontstaan van de alimentatieverplichting, maar het voortduren van die verplichting berust niet op het voortduren van de lotsverbondenheid. De onderhoudsverplichting na het huwelijk wordt bestreken door artikel 1:157 BW Pro. Daaruit vloeit voort dat de rechter - buiten het in de wet geregelde geval van artikel 1:160 BW Pro - een lopende onderhoudsverplichting slechts kan doen eindigen wegens andere omstandigheden dan ontbrekende draagkracht of behoefte op de grond dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om van de gewezen echtgenoot nog langer een bijdrage in het levensonderhoud te verlangen. Het wegvallen of afnemen van de lotsverbondenheid kan daarom – anders dan de man wil – geen grond zijn voor het beëindigen van de alimentatieverplichting, ook niet in samenhang met andere omstandigheden. [3]
6.1.
In zijn brief van 5 januari 2026 schrijft de man dat er sprake is van dusdanig wangedrag en/of grievend gedrag van de vrouw dat betaling van partneralimentatie niet van hem kan worden gevergd. Hij geeft aan dat uit de ingebrachte berichten blijkt dat de vrouw fysiek geweld tegen hem gebruikte en dat zij de kinderen onder druk zet, zoals ook de man. Hij heeft - zo schrijft de man in zijn brief van 12 januari 2026 - steeds de dreiging gevoeld van het openbaar maken van bepaalde filmpjes waar hij zich erg voor schaamt. Als gevolg hiervan heeft hij psychische problemen die uiteindelijk resulteren in fysieke problemen en in zijn ziek zijn. De man geeft aan in behandeling te zijn voor trauma’s en voor hartklachten.
Het hof overweegt dat de enkele constatering van wangedrag of grievend gedrag tegenover de onderhoudsplichtige van degene die alimentatie verzoekt, onvoldoende is om te concluderen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de vrouw nog een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud van de man verlangt. In het algemeen geldt dat bij de beoordeling of een zodanige situatie zich voordoet terughoudendheid dient te worden betracht, mede gelet op het onherroepelijke karakter van een beëindiging dan wel matiging van de onderhoudsverplichting. Daar komt bij dat in echtscheidingssituaties de emoties tussen partijen soms hoog kunnen oplopen. Niet iedere vorm van wangedrag of grievend gedrag is daarom aanleiding om de onderhoudsverplichting te matigen of beëindigen. Het is aan de alimentatieplichtige om feiten en omstandigheden te stellen die tot dat oordeel kunnen leiden. Daar is de man niet in geslaagd. De vrouw ontkent de door de man gestelde gedragingen. Dat de vrouw de man meer dan eens heeft geslagen en geschopt, anderszins fysiek geweld tegen de man heeft gebruikt of de man heeft uitgescholden, volgt niet uit de stukken. Evenmin blijkt daaruit de dreiging voor wat betreft de filmpjes of ander gedrag dat als (structureel) wangedrag kan worden bestempeld. Wat de man heeft aangevoerd is mogelijk door hem als grievend ervaren, maar is onvoldoende om tot de conclusie te leiden dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de vrouw van de man nog een bijdrage in haar levensonderhoud verlangt.
De grieven van de man die op de lotsverbondenheid en op grievend gedrag zien, falen daarom.
6.1.
Voor zover de man stelt dat de vrouw gewend is geraakt aan een lager welvaartsniveau, is dat ontoereikend om over te gaan tot limitering van de partneralimentatie, gelet op genoemde strenge eisen daaraan. Enkel tijdsverloop en het feit dat de vrouw (noodgedwongen) rond heeft moeten komen van het bedrag dat zij in aanvulling op haar WIA-uitkering van de man heeft ontvangen of het feit dat zij haar kinderen geld heeft gegeven, brengen - zoals al is overwogen - niet mee dat de vrouw geen aanvullende behoefte meer heeft en/of zal hebben en dat de alimentatietermijn verkort dient te worden.
Het door de man genoemde feit dat de vrouw voor de ontbinding van het huwelijk al een voorlopige partneralimentatie heeft ontvangen rechtvaardigt evenmin verkorting van de alimentatietermijn.
6.1.
De man heeft in dit kader ook nog de verdiencapaciteit van de vrouw (uit werk en uit vermogen) naar voren gebracht, maar het hof is anders dan de man, van oordeel dat de vrouw geen verdiencapaciteit heeft. Reeds daarom kan niet worden verwacht dat de vrouw na het einde van de limiteringstermijn op voor haar passende wijze in haar eigen levensonderhoud zal kunnen voorzien door te werken. Of de vrouw herstelt en zo ja, in hoeverre en per wanneer, en of ze dan voldoende kan verdienen om in haar behoefte te voorzien is overigens geheel niet duidelijk, laat staan voldoende zeker om nu al limitering van de partneralimentatie te rechtvaardigen.
6.1.
Het door de man naar voren gebrachte gebrek aan draagkracht is evenmin grond voor limitering. Wel kan het tot een lagere partneralimentatie leiden. De vraag of en in hoeverre de man de partneralimentatie (nog) kan dragen, beoordeelt het hof hierna bij de draagkracht van de man.
De draagkracht van de man (grief III)
* Het inkomen
6.1.
Partijen zijn het niet eens over de draagkracht van de man. De man maakt bezwaar tegen het oordeel van de rechtbank dat zijn inkomen niet gecorrigeerd moet worden in verband met een incidentele nabetaling. Uit de stukken blijkt dat die nabetaling loon betreft over een periode in 2020, 2021 en 2022. Volgens de man moet het inkomen dan ook aan die jaren worden toegerekend.
Het hof is van oordeel dat de nabetaling moet worden meegenomen in het jaar dat de man dit heeft genoten, omdat dit bedrag in dat jaarzijn draagkracht heeft bepaald. Het hof gaat daarom voor de periode vanaf 5 november 2024uit van het hele inkomen zoals genoemd op de jaaropgave 2024, te weten € 99.282,- bruto per jaar.
6.1.
Het hof zal in de periode vanaf 1 januari 2025 uitgaan van het loon van € 6.815,- bruto per maand dat de man heeft gesteld en dat blijkt uit de ingebrachte salarisspecificaties. Dat is inclusief vakantietoeslag, afgerond € 88.321,- bruto per jaar. Weliswaar verwijt de vrouw de man dat hij nog geen jaaropgave 2025 in het geding heeft gebracht, maar het is gebruikelijk dat die zo kort na de jaarwisseling nog niet beschikbaar is, nog daargelaten dat zij die van zichzelf ook niet heeft ingebracht. Het hof zal verder rekening houden met de premies die uit de ingebrachte salarisspecificaties blijken.
6.1.
De man heeft aangegeven dat hij sinds 27 maart 2025 in de ziektewet zit. De vrouw betwijfelt of de man echt ziek is. Uit de salarisspecificaties vanaf april 2025 en de stukken van de arbodiensten maakt het hof op dat de man wel ziek is. De vrouw heeft er terecht op gewezen dat de ziekmelding niet direct leidt tot een lager inkomen. De man heeft zijn draagkracht opnieuw berekend in de periode dat hij 10% gekort wordt op zijn inkomen. De man stelt dat dit met ingang van 1 april 2025 is geweest. Eerst uit de ingebrachte salarisspecificatie van november 2025 blijkt dat de man in verband met ziekte 90% van zijn salaris ontvangt. Specificaties waaruit blijkt dat de man ook al eerder slechts 90% van zijn loon is gaan ontvangen, zijn niet in het geding gebracht. Het hof zal daarom een ‘knip’ maken per 1 november 2025 en vanaf dan uitgaan van 90% van het salaris.
6.1.
Ter zitting heeft de man aangegeven dat een inkomenswijziging naar 80% van het loon op handen is. Dat zal eerst per april 2026 aan de orde zijn, omdat hij dan een jaar in de ziektewet zit. Het is op dit moment onzeker hoe de gezondheidssituatie van de man tegen die tijd zal zijn en wat zijn inkomen dan zal zijn. Het hof zal daarom geen nieuwe draagkrachtberekening voor de periode vanaf april 2026 maken.
*
De woonlasten
6.1.
De vrouw heeft ter zitting van het hof naar voren gebracht dat de helft van het woonbudget van de man aan zijn partner moet worden toegerekend, zodat zijn werkelijke woonlasten aanmerkelijk lager zijn.
Uit de aanbevelingen in het Rapport Alimentatienormen volgt dat als er een tekort aan draagkracht is om in de behoefte te voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van een onderhoudsplichtige duurzaam aanmerkelijk lager zijn dan het woonbudget, bijvoorbeeld omdat deze samenwoont, er reden kan zijn om met een bedrag lager dan het woonbudget te rekenen. Het ligt op de weg van de onderhoudsplichtige om in dat geval inzicht te geven in de eigen werkelijke woonlasten.
Het hof zal de stelling van de vrouw evenwel als te laat en in strijd met de goede procesorde passeren, omdat de vrouw deze pas ter zitting in hoger beroep naar voren heeft gebracht en de man daartegen bezwaar heeft gemaakt. Het betreft geen omstandigheid die nieuw is of nog onbekend was. De man heeft in dit stadium van de procedure onvoldoende gelegenheid om nog op deze nieuwe stelling van de vrouw te reageren en inzicht te kunnen geven in zijn werkelijke woonlasten.
Het hof zal dan ook rekenen met het hele woonbudget.
*
De schulden
6.1.
De man wil een bedrag van € 1.094,- per maand ten laste van zijn draagkrachtloos inkomen brengen in verband met de aflossing op schulden. De vrouw betwist het bestaan van de door de man gestelde schulden. Indien de schulden wel bestaan, stelt de vrouw dat deze vermijdbaar en/of verwijtbaar zijn en om die reden niet moeten worden meegenomen.
6.1.
Volgens de aanbeveling in het Rapport Alimentatienormen kan met extra lasten, zoals schulden, rekening worden gehouden door het draagkrachtloos inkomen daarmee te verhogen. Voorwaarde is dat de schulden niet als vermijdbaar en verwijtbaar zijn te beschouwen. Anders dan de vrouw stelt, is geen voorwaarde dat de man de schuld (al) aflost. Een vermijdbare last is een last waarvan de betaler zich geheel of gedeeltelijk kan bevrijden. Daar wordt geen rekening mee gehouden bij het bepalen van de draagkracht.
Een verwijtbare last is een last die de onderhoudsplichtige met het oog op zijn onderhoudsverplichting niet had mogen laten ontstaan of die hij niet mag laten voortbestaan. Die lasten dient hij uit de vrije ruimte te voldoen.
6.1.
De man heeft een schuld aan de Belastingdienst voor de inkomstenbelasting over 2023, zo volgt uit de stukken. Het hof zal deze schuld evenwel niet meenemen omdat de man niet onderbouwd heeft dat de schuld noodzakelijk was. Het hof houdt het er daarom voor dat deze schuld vermijdbaar en/of verwijtbaar is en dat de aflossingen in redelijkheid niet op de draagkracht van de man in mindering dienen te worden gebracht. De man dient deze schuld uit zijn vrije ruimte te voldoen.
6.1.
De man heeft daarnaast een schuld in verband met de reparatie van zijn auto opgevoerd. Die schuld en de aflossing van € 84,- per maand blijken uit de stukken. Het hof merkt deze schuld aan als niet-verwijtbaar en niet-vermijdbaar en zal deze om redenen van doelmatigheid meenemen in de berekening van de draagkracht over de periode vanaf 1 november 2025.
6.1.
De man stelt verder dat rekening moet worden gehouden met de advocaatkosten die hij voor deze procedure maakt. Hij heeft ter onderbouwing van deze kosten facturen van zijn advocaat en een overzicht van betalingen overgelegd. Met kosten voor bijstand van een advocaat kan op grond van het rapport Alimentatienormen rekening worden gehouden door het draagkrachtloos inkomen daarmee te verhogen, mits deze kosten niet als vermijdbaar en verwijtbaar zijn te beschouwen. Naar het oordeel van het hof zijn de advocaatkosten niet als vermijdbaar en verwijtbaar te beschouwen. Het hof vindt het redelijk om rekening te houden met de advocaatkosten die de man maakt door het draagkrachtloos inkomen te verhogen met een bedrag van € 125,- per maand met ingang van 1 januari 2025. Voor het meerdere mag van de man worden verwacht dat hij zijn vrije ruimte aanspreekt.
6.1.
De overige schulden betreffen leningen voor levensonderhoud en één voor achterstallige partneralimentatie. De man heeft leenovereenkomsten in het geding gebracht en afschriften waaruit kan worden opgemaakt dat er bedragen aan de man zijn overgemaakt, maar naar het oordeel van het hof is onvoldoende onderbouwd dat er sprake is van leningen die hij moet terugbetalen. De ‘leningen’ zijn van familieleden van de man of zijn partner. Niet onderbouwd is waar de man het voor nodig had. De man zegt weliswaar dat deze ter bestrijding van kosten van de huishouding zijn aangegaan, maar dat blijkt nergens uit. De man heeft geen aflossingen in het geding gebracht die kunnen ondersteunen dat de man daadwerkelijk een terugbetalingsverplichting heeft.
Voor zover de schulden wel bestaan, heeft de man naar het oordeel van het hof niet aangetoond dat deze als niet vermijdbare en niet verwijtbare schulden zijn te beschouwen en dat deze buiten gebruikelijke bestedingen binnen zijn draagkrachtloos inkomen vallen. De kosten van levensonderhoud maken immers deel uit van de bijstandsnorm die als last meegerekend wordt bij de berekening van de draagkracht. Dat de man genoodzaakt was om (daarvoor) geld te lenen kan het hof overigens niet opmaken uit het aangevoerde feit dat de man een aantal malen rood heeft gestaan zoals hij met een aantal bankafschriften heeft willen aantonen, dan wel uit zijn opsomming van zijn lasten en die van zijn partner.
Voor zover een schuld zou zijn gemaakt ter betaling van achterstallige alimentatie moet dat overigens voor rekening en risico van de man blijven; de man had rekening kunnen en moeten houden met maandelijkse betaling van de alimentatie waarvoor hij draagkracht had. Voor zover dit zijn draagkracht wel overschreden heeft, zal het hof bepalen dat de vrouw dat moet terugbetalen zoals het hof verderop in deze beschikking zal bespreken.
6.1.
De man heeft aangegeven dat hij niet kan rondkomen. Voor zover de man daarmee een beroep heeft willen doen op de aanvaardbaarheidstoets, had het op zijn weg gelegen om voldoende concreet te stellen en te onderbouwen dat hij van zijn inkomen na vermindering van de lasten minder dan 95% van de voor hem geldende bijstandsnorm overhoudt
.Omdat de man heeft nagelaten voldoende inzage te geven in zijn - huidige - financiële situatie kan een beroep op de aanvaardbaarheidstoets niet slagen. De man heeft weliswaar een lijst met lasten in het geding gebracht, maar die bedragen worden niet onderbouwd met onderliggende stukken. Daarmee heeft de man ten aanzien van de aanvaardbaarheidstoets niet aan zijn stelplicht voldaan.
De berekeningen
6.1.
Het hof heeft berekeningen van de behoefte en draagkracht gemaakt en een inkomensvergelijking. Deze berekeningen zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.
6.1.
Het voorgaande brengt mee dat het hof de draagkracht van de man voor partneralimentatie in de periode met ingang van 5 november 2024 berekent op € 2.192,- bruto per maand.
In de periode van 1 januari 2025 tot 1 november 2025 berekent het hof de draagkracht van de man op € 1.729,- bruto per maand.
In de periode met ingang van 1 november 2025 berekent het hof de draagkracht van de man op € 1.436,- bruto per maand. Vermeerderd met de wettelijke indexering per 1 januari 2026 is dit € 1.502,- bruto per maand.
Deze bedragen zijn steeds inclusief fiscaal voordeel. De partneralimentatie is namelijk voor de man fiscaal aftrekbaar, waardoor hij fiscaal voordeel heeft en netto feitelijk minder betaalt dan voornoemde bruto bedragen.
De hiervoor door het hof vastgestelde aanvullende behoefte van de vrouw is in de genoemde periodes steeds hoger dat de hier berekende draagkracht van de man. Daarom mag in beginsel van de man worden verwacht dat hij met zijn gehele draagkracht bijdraagt in de kosten van levensonderhoud van de vrouw.
6.1.
Omdat het niet de bedoeling is dat de vrouw bij toekenning van een aldus berekende partneralimentatie in een betere financiële positie komt dan de man en zij meer vrij te besteden overhoudt, ziet het hof aanleiding een inkomensvergelijking te maken. Uit de berekening blijkt dat de vrouw bij een partneralimentatie van € 2.192,- bruto per maand in de periode met ingang van 5 november 2024 niet meer vrij te besteden overhoudt dan de man, zodat dit geen reden is deze alimentatie te matigen. Dat geldt ook voor de partneralimentatie van € 1.729,- bruto per maand in de periode van 1 januari 2025 tot 1 november 2025 en die van € 1.436,- bruto per maand in de periode met ingang van 1 november 2025.
De partneralimentatie kan daarom in genoemde perioden steeds vastgesteld worden op de berekende draagkracht van de man.
Terugbetaling van de teveel betaalde partneralimentatie
6.1.
De onder 6.33. en 6.34 genoemde partneralimentatie is per saldo lager dan de partneralimentatie die de rechtbank in de bestreden beschikking aan de man heeft opgelegd. Dit kan voor de vrouw ingrijpende gevolgen hebben in verband met een eventuele verplichting tot terugbetaling. De hof zal daarom hierna met inachtneming van de daarvoor aangewezen behoedzaamheid (zie rov. 6.2) een oordeel geven over de ingangsdatum van de gewijzigde onderhoudsbijdrage en de door de man verlangde veroordeling van de vrouw tot terugbetalingen van wat hij teveel heeft betaald.
6.1.
De vraag die aan het hof voorligt is in hoeverre in redelijkheid van de vrouw kan worden verlangd dat zij het teveel betaalde terugbetaalt. Bij de beoordeling dient de rechter ook het belang van de man om terug te krijgen wat te veel is betaald, in aanmerking te nemen. Verder kunnen van belang zijn: de omvang van de terugbetalingsverplichting, de omvang van de inkomsten en de vermogenspositie van de vrouw, de vraag of sprake was van een aanvankelijk te hoog vastgestelde behoefte van de vrouw dan wel een aanvankelijk te hoog vastgestelde draagkracht van de man, de vraag in hoeverre voorzienbaar was en de vrouw er rekening mee heeft kunnen houden dat de alimentatie zou worden verlaagd en de vraag of en in hoeverre de vrouw de aan alimentatie ontvangen bedragen al heeft verbruikt (in overeenstemming met haar behoefte aan levensonderhoud).
6.1.
Omdat de omvang van het eventueel terug te betalen bedrag een van de factoren is die daarvoor van belang is, zal het hof dat bedrag hierna berekenen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de man ter zitting onbetwist heeft gesteld bij te zijn met de betaling van de onderhoudsbijdrage aan de vrouw, conform de bestreden beschikking. Over 2024 moet de man (€ 2.192,- - € 2.183,-) € 9,- bruto per maand bijbetalen en dat is in totaal ([1+ 5/30e] * € 9,- = € 10,50, maar over de periode van 1 januari 2025 tot 1 november 2025 heeft de man (€ 2.325,- - € 1.729,-) € 596,- bruto per maand * 10 maanden = € 5.960,- teveel betaald en over de periode van 1 november 2025 tot 1 januari 2026 (€ 2.325,- - € 1.436,-) € 889,- bruto per maand * 2 maanden = € 1.778,- teveel. In januari en februari 2026 heeft de man, ervan uitgaande dat hij ook de indexering per 1 januari 2026 heeft betaald, (€ 2.432,- - € 1.502,-) € 930,- per maand oftewel € 1.860,- teveel betaald. Tezamen heeft de man aldus € 9.587,50 teveel betaald.
6.1.
In dit geval is het naar het oordeel van het hof redelijk dat van de vrouw verlangd wordt het te veel ontvangene aan de man terug te betalen. De door de man betaalde bedragen zijn lager dan de behoefte van de vrouw geweest. In zoverre is het uitgangspunt voor deze beoordeling dat wat zij heeft ontvangen door haar in overeenstemming met de behoefte is uitgegeven. Daar staat tegenover dat wat de man heeft betaald zijn draagkracht oversteeg, en dat hij schulden is aangegaan om aan zijn verplichtingen te kunnen voldoen. De vrouw kon en moest bovendien rekening houden met de verzochte mogelijke wijziging van de partneralimentatie en de daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting. De vrouw heeft niet gesteld en uit de stukken of wat in de procedure is aangevoerd is ook overigens niet gebleken dat zij dat niet kan terugbetalen. De vrouw heeft weliswaar informatie over haar uitkering, zorgkosten, huur en de zorg- en huurtoeslag overgelegd maar geen aangifte inkomstenbelasting of andere gegevens over haar (nog resterende) vermogen/financiële situatie. De door het hof berekende hoogte van het teveel betaalde bedrag leidt het hof niet tot een ander oordeel. De vrouw heeft overigens de door de rechtbank bepaalde ingangsdatum voor de gewijzigde onderhoudsbijdrage en het verzoek van de man tot terugbetaling ook niet weersproken.
6.1.
Omdat het hof van oordeel is dat terugbetaling in redelijkheid van de vrouw kan worden verlangd, zal het hof voor de gewijzigde partneralimentatie dezelfde ingangsdatum hanteren als de rechtbank, te weten 5 november 2024, waartegen door partijen geen grieven zijn aangevoerd. Het hof zal de vrouw verder veroordelen tot terugbetaling van een bedrag van € 9.587,50, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na datum van deze beschikking in hoger beroep, nu de terugbetalingsverplichting pas ontstaat door deze beschikking en de vrouw dus nog niet in verzuim was. De vrouw krijgt daarbij eerst nog een termijn van veertien dagen voor nakoming.

7.De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigen en beslissen als volgt.

8.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 18 april 2025, en opnieuw beschikkende:
wijzigt de in de beschikking van het hof van 11 mei 2021 bepaalde bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw en bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 5 november 2024 € 2.192,- bruto per maand als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud zal betalen, met ingang van 1 januari 2025 € 1.729,- bruto per maand, met ingang van 1 november 2025 € 1.436,- bruto per maand en met ingang van 1 januari 2026 € 1.502,- bruto per maand, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
bepaalt dat wat de vrouw te veel aan bijdrage in haar levensonderhoud heeft ontvangen vanaf 5 november 2024 aan de man dient terug te betalen en veroordeelt de vrouw om binnen veertien dagen na heden in dat kader tot terugbetaling aan de man een bedrag van € 9.587,50 te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen na heden;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.G. Knot, mr. C. Koopman en mr. M. Kemmers, bijgestaan door mr. E.L.K. Bijma als griffier, en is op 10 maart 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld HR 25 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:1001, rov. 3.5.1; HR 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1081, rov. 3.2.2; HR 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:594, rov. 3.2.1.
2.HR 18 april 1997, NJ 1997/571 en HR 29 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7000.
3.HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:695, rov 3.3.5.