Uitspraak
1.Het verloop van de procedure in hoger beroep
22 november 2023 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep
- de memorie van grieven
- de memorie van antwoord
- de akte nadere onderbouwing grieven
- het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 8 december 2025 is gehouden.
2.De kern van de zaak en de beslissing van het hof
3.De toelichting op de beslissing van het hof
dr. [deskundige1] benoemd in het tussenvonnis van 15 december 2021. De rechtbank heeft het aan deze deskundige overgelaten om te bepalen of een neuropsychologisch onderzoek geïndiceerd is. De deskundige heeft in zijn definitieve rapport kort gezegd geconcludeerd dat op neurologisch en psychiatrisch vakgebied geen sprake is van functieverlies. De deskundige zag geen aanleiding voor een neuropsychologisch onderzoek omdat niet is gebleken van hersenschade. De rechtbank heeft in het eindvonnis de bezwaren van [appellant] tegen het deskundigenbericht beoordeeld en geconcludeerd dat de bezwaren niet voldoende steekhoudend zijn. De rechtbank heeft de conclusies van de deskundige overgenomen en, zoals gezegd, de vordering van ASR toegewezen en de vorderingen van [appellant] afgewezen.
volgens de medisch adviseur die ik heb gesproken” waarna op een heel aantal medisch inhoudelijke punten staat wat deze medisch adviseur van de bevindingen en conclusies van de deskundige vindt en waarom – vanuit medisch perspectief - bepaalde bevindingen en conclusies van de deskundige volgens de medisch adviseur niet kloppen. Het hof verwijst hiervoor naar de punten 20 tot en met 30 van de uitvoerige reactie waarin steeds wordt aangehaald welke vragen en opmerkingen er zijn “volgens de medisch adviseur”. De deskundige heeft vervolgens in zijn definitieve rapport van 4 december 2022 op deze punten gereageerd.
“
De volgende informatie is voor mijn neurologische expertise van belang. Uit het bij een ooggetuige opgetekende proces-verbaal (deze getuige was bij betrokkene tot een ambulancebroeder arriveerde) en uit de op 9-4-2018 door de kinderarts afgenomen anamnese blijkt dat betrokkene na het ongeval niet bewusteloos is geweest en dat hij met het ongeval schaafwonden boven het re oog en op de re wang opliep (…). Vader zegt mij, dat hij op 10 min. na het ongeval ter plaatse was, dat de getuige toen al weg was en zijn zoon toen bewusteloos was. Vervolgens zei vader mij dat hij van de politie zijn zoon wakker moest houden en dat dit lukte.De CT cerebrum 7-4-2008 en MRI hersenen 29-08-2008 (…) hebben geen posttraumatische intracraniële afwijkingen aan het licht gebracht.(…)(p. 18 e.v.)
Beschouwing:Als deskundige ga ik op neurologisch vakgebied uit van de volgende feiten. (…)Betrokkene was 3,8 jaar oud ten tijde van het ongeval d.d. 7-4-2008. Thans is hij 17 jaar oud. Vader vertelt mij tegenstrijdige dingen over het bewustzijn van betrokkene op de plaats van het ongeval (…) vader kwam 10 min. na het ongeval ter plaatse en trof zijn zoon bewusteloos aan; de politie vroeg hem om zijn zoon wakker te houden, wat lukte). In het proces-verbaal 7-4-2008 staat dat de getuige die het ongeval heeft zien gebeuren en daarna zorgde dat betrokkene stil bleef liggen en zijn hoofd vasthield, zei: ”Ik zag dat het kind bij kennis was en ik hoorde hem huilen”.Uit een in het dossier aanwezige politieverklaring blijkt dat de aanrijding plaatsvond om 15.59 u. Uit de brief van 7-4-2008 van SEH Radboud blijkt dat betrokkene daar om 16.47 u arriveerde, volgens trauma-protocol is opgevangen en ABCDE stabiel bleek (dat betekent alert) met een EMV maximaal (dus 15). “De EMV-score wordt bij voorkeur bepaald na stabilisatie van vitale functies tijdens opvang op de SEH.” Uit het verpleegkundig dossier van de SEH blijkt dat om 17.06 er ABCD geen sprake was van afwijkingen (dus alert) en betrokkene zuurstof kreeg via non rebreathing mask, en dat hij om 17:16 u is geïntubeerd. Kinderarts [naam2] schrijft op 9-4-2008 als anamnestische informatie hoe betrokkene er aan toe was na het ongeval: ‘geen bewustzijnsverlies gehad”. In de aanvraag voor de om 17.40 u gemaakte CT cerebraal staat “LTSH categorie 3 i.v.m. hoofdwond en wisselende bewustzijn, contusioneel/somnolent”(naar mag worden aangenomen is deze CT onder verantwoordelijkheid van de SEH-arts aangevraagd, die zelf noteerde ABCD stabiel en EMV maximaal). Ook kan aan “Wisselend bewustzijn en contusioneel/somnolent” niet het gewicht worden toegekend van EMV-beoordelingen (“Bij het afnemen van de EMV is het wel belangrijk om dit gefaseerd en systematisch te doen”.) Tussen het ongeval om 15.59 u en de intubatie om 17:16 u zijn er aansluitend het PV van de getuige en de beoordelingen door professionals. (…)De huidige richtlijn Licht traumatisch hoofd/hersenletsel (LTH) is uit 2010 en baseert zich op [naam3] . [naam4] doet dat ook en legt LTH als volgt uit: “In essentie is LTH geen diagnose, maar geeft het een aantal voorwaarden waaraan LTH moet voldoen. Patiënten met LTH kunnen een ernstige uitkomst hebben, zoals zorgafhankelijk zijn of overlijden. Dit komt gelukkig weinig voor, maar het is belangrijk te realiseren dat de term ‘licht” dus niet slaat op de uitkomst. Volgens de criteria van de WHO (…) mogen patiënten met LTH bijde beoordeling een EMV van 13-15 hebben, met posttraumatisch bewustzijnsverlies van max 30 min. en een posttraumatische anterograde amnesie (PTA) van maximaal 24 u. Daarmee is mijn conclusie dat het ongeval van 7-4-2008 bij betrokkene hoofdtrauma veroorzaakte en niet licht traumatisch hersenletsel.(…)Ik heb de direct na het ongeval na het ongeval gemaakte CT hersenen 7-4-2008 en de MRI hersenen 29-8-2008 samen met een mij bekende neuroradioloog beoordeeld: net als de radiologen die destijds beoordeelden zien wij [in] de beeldvorming geen aanwijzingen tonen voor posttraumatisch hersenletsel. Ook vinden wij dat (met de MRI) de juiste technieken zijn toegepast om mogelijke contusiehaarden of microbloedingen in beeld te krijgen.Omdat er sprake is van hoofdtrauma en adequate beeldvorming geen posttraumatisch hersenletsel toont heeft het geen zin om mw [naam5] te vragen om (met de NVN-standaardvraagstelling) een NPO (neuropsychologisch onderzoek, toev. hof) te doen. Mocht zij immers cognitieve stoornissen vinden, dan zijn die niet terug te voeren op hersenbeschadiging, dus zal met de NVN-richtlijn Functieverlies 2020 geen functieverlies zijn toe te kennen.