ECLI:NL:GHARL:2026:1471

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
200.364.266
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 351 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schorsing uitvoerbaarverklaring lijfsdwang bij Iraanse Mubarat-echtscheiding

Partijen zijn in 2019 in Iran getrouwd en hun huwelijk is in juni 2025 ontbonden via een echtscheidingsbeschikking. De man werd door de voorzieningenrechter veroordeeld om mee te werken aan de Iraanse religieuze Mubarat-echtscheiding, met een dwangsom bij weigering. De man ging in hoger beroep en weigerde medewerking.

De vrouw vorderde vervolgens bij de voorzieningenrechter toestemming om de veroordeling bij lijfsdwang ten uitvoer te leggen, wat werd toegewezen met een maximale gijzeling van zes maanden. De man stelde in hoger beroep een incidentele vordering tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring van deze lijfsdwang in.

Het hof oordeelde dat de man onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zijn psychische en financiële belangen zwaarder wegen dan het belang van de vrouw bij onmiddellijke uitvoering. Er was geen sprake van een kennelijke misslag of nieuwe feiten die schorsing rechtvaardigen. De vordering tot schorsing werd afgewezen en de man werd veroordeeld in de proceskosten van de vrouw. De hoofdzaak wordt voortgezet zonder verdere beslissing.

Uitkomst: De vordering tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring van lijfsdwang wordt afgewezen en de man wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.364.266
zaaknummer rechtbank Overijssel 341441
arrest in het incident in kort geding van 10 maart 2026
in de zaak van
[appellant] (de man)
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. D. Rezaie
en
[geïntimeerde] (de vrouw)
die woont op een bij het hof bekend adres
advocaat: mr. A. Hashem Jawaheri

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

De man heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, (hierna: de voorzieningenrechter) op 29 december 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep met de memorie van grieven en een incident
  • de memorie van antwoord in de hoofdzaak en in het incident.

2.De kern van de zaak

2.1.
Partijen zijn in 2019 in Iran getrouwd. Het huwelijk van partijen is op 17 juni 2025 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 17 februari 2025 in de registers van de burgerlijke stand. Bij vonnis van 4 november 2025 heeft de voorzieningenrechter de man veroordeeld om binnen veertien dagen na betekening van dat vonnis zijn volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan het tot stand komen van de Iraanse religieuze Mubarat-echtscheiding zoals beschreven in dat vonnis, dit op verbeurte aan de vrouw van een dwangsom van € 500,- per dag of dagdeel dat de man weigert aan deze veroordeling te voldoen met een maximum van € 10.000,-. Deze beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De man is in hoger beroep gegaan tegen dat vonnis en heeft niet voldaan aan de veroordeling tot medewerking aan de Iraanse religieuze Mubarat-echtscheiding.
2.2.
De vrouw heeft in onderhavige (tweede) procedure bij de voorzieningenrechter in kort geding - voor zover hier van belang - gevorderd de tenuitvoerlegging van het vonnis van 4 november 2025 bij lijfsdwang toe te staan zolang de man niet voldoet aan de veroordeling zijn volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan het tot stand komen van de Iraanse religieuze Mubarat-echtscheiding.
2.3.
Bij vonnis van 29 december 2025 heeft de voorzieningenrechter - voor zover hier van belang - de vrouw verlof verleend om, zo de man niet binnen vier weken na betekening van dat vonnis heeft voldaan aan de bij vonnis van 4 november 2025 jegens hem uitgesproken veroordeling tot medewerking aan de Iraanse Mubarat-echtscheiding, deze veroordeling ten uitvoer te leggen door middel van lijfsdwang en deswege de man in gijzeling te doen stellen totdat de man aan deze veroordeling heeft voldaan, met dien verstande dat de gijzeling maximaal zes maanden zal duren. Deze beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
2.4.
De man heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 29 december 2025. In dit incident vordert de man schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de toegewezen vordering ten aanzien van de lijfsdwang op grond van artikel 351 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

3.De toelichting op de beslissing van het hof

3.1.
Het hof zal de vordering van de man afwijzen en licht hierna toe hoe tot dat oordeel is gekomen. Het hof is op dezelfde gronden als de rechtbank van oordeel dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en dat het Nederlands recht van toepassing is.
Juridisch kader
3.2.
De uitspraak is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat de uitspraak kan worden uitgevoerd, ook als daartegen hoger beroep is ingesteld. Het hof kan de uitvoerbaarheid schorsen als het belang van de veroordeelde partij om de situatie te houden zoals die nu is, zwaarder weegt dan het belang van de andere partij om de uitspraak meteen te kunnen uitvoeren. Het hof gaat uit van de overwegingen en beslissingen van het vonnis van de voorzieningenrechter en kijkt voor zijn beslissing niet naar de kans van slagen van het hoger beroep. Het hof kan wel in zijn oordeelsvorming betrekken of de beslissing van de rechtbank op een duidelijke fout of vergissing (een ‘kennelijke misslag’) berust. [1]
3.3.
De voorzieningenrechter heeft de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad, anders dan de vrouw betoogt, niet gemotiveerd. In het vonnis van 29 december 2025 gaat de voorzieningenrechter onder 5.5. in op het voor het kort geding vereiste spoedeisend belang. Onder 5.6. zet de voorzieningenrechter het toetsingskader voor een vordering tot het toestaan van de tenuitvoerlegging bij lijfsdwang van vonnissen uiteen en de overwegingen onder 5.7. tot en met 5.11. betreffen de toepassing van dat kader op de voorliggende zaak. Een afzonderlijke motivering van de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis ontbreekt echter in dit vonnis. Dat maakt dat in het kader van dit incident een belangenafweging moet plaatsvinden, zonder de beperking dat alleen feiten en omstandigheden een rol kunnen spelen waarmee de voorzieningenrechter geen rekening heeft kunnen houden.
3.4.
Voor zover de man zijn incidentele vordering baseert op inhoudelijke bezwaren tegen de veroordeling om mee te werken aan de Iraanse religieuze Mubarat-echtscheiding, geldt dat dit buiten de grenzen van dit incident valt. Op wat partijen in dat kader hebben gesteld, zal het hof in dit incident dan ook niet nader ingaan.
Inhoudelijk oordeel
3.5.
De man stelt dat hij last heeft van een psychische aandoening en dat het in gijzeling nemen van hem ernstige negatieve gevolgen zal hebben voor zijn psychische gemoedstoestand. Ook zal de man in dat geval zijn inkomsten in de vorm van een IVA-uitkering verliezen en zijn lopende vaste (woon)lasten niet langer kunnen dragen, zodat hij zijn huurwoning zal verliezen en schulden zal opbouwen. De man heeft als gevolg van zijn psychische problematiek geen arbeidsperspectief en zal het wegvallen van zijn inkomsten in de toekomst dan ook niet kunnen repareren, waardoor hij in blijvende financiële nood zal komen te verkeren, aldus de man.
3.6.
De vrouw voert daartegen het verweer dat de man zijn standpunten met betrekking tot het verslechteren van zijn psychische gemoedstoestand en het geraken in blijvende financiële nood niet nader heeft onderbouwd. Op de website van het UWV is te lezen dat de man opnieuw een IVA-uitkering zal kunnen aanvragen wanneer hij uit detentie komt en ten aanzien van de huurbetaling zijn er mogelijkheden voor de man om hulp te krijgen. De man heeft geen redelijk belang bij zijn weigering om mee te werken aan de totstandkoming van de Iraanse religieuze echtscheiding. Voor haar belang bij de uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis van 29 december 2025 verwijst de vrouw naar wat de voorzieningenrechter in kader van de motivering van het spoedeisend belang, de toepassing van lijfsdwang en in het vonnis van 4 november 2025 over haar belang bij een Iraanse religieuze echtscheiding heeft overwogen.
3.7.
Het hof overweegt als volgt. Het is aan de man om te onderbouwen dat zijn belang bij schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad zwaarder weegt dan het belang van de vrouw bij handhaving daarvan. Naar het oordeel van het hof heeft de man in dat kader niet aannemelijk gemaakt dat hij, zoals hij stelt, bij het uitblijven van de gevorderde schorsing te maken zal krijgen met onomkeerbare psychische en financiële gevolgen. Zoals de vrouw terecht aanvoert heeft de man dit niet nader onderbouwd. Daar komt bij dat het voor het hof duidelijk is dat de man niet wenst mee te werken aan de bij het vonnis van 4 november 2025 tegen hem uitgesproken veroordeling, terwijl de vrouw, gelet op de ernstige mate waarin zij belemmerd wordt door het voortbestaan van het Iraanse religieuze huwelijk met de man, belang heeft bij een Iraanse religieuze echtscheiding zonder verdere vertraging.
3.8.
In het licht van het voorgaande weegt het belang van de vrouw bij uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis zwaarder dan het belang van de man bij schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis totdat op het hoger beroep is beslist. Verder is niet gesteld of gebleken dat sprake is van een kennelijke misslag in het vonnis of van nieuwe feiten en omstandigheden die een schorsing rechtvaardigen. De vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis zal dan ook worden afgewezen.
De conclusie
3.9.
Het hof wijst de incidentele vordering af. De vrouw vraagt het hof om de man te veroordelen in de kosten van het incident. Het hof ziet in de niet-meewerkende houding van de man en het feit dat hij in dit incident in het ongelijk wordt gesteld aanleiding om de man te veroordelen in de door de vrouw gemaakte kosten in dit indient. De door de man aan de vrouw te betalen proceskosten stelt het hof vast op € 1.290,- voor salaris van de advocaat overeenkomstig het liquidatietarief (1 punt x appeltarief II).
3.10.
De hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich volgens het roljournaal bevindt. Verder houdt het hof iedere beslissing aan.

4.De beslissing

Het hof:
in het incident
4.1.
wijst de vordering van de man tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring af;
4.2.
veroordeelt de man tot betaling aan de vrouw van haar proceskosten in het incident ter hoogte van € 1.290,- aan salaris van de advocaat van de vrouw;
in de hoofdzaak in hoger beroep
4.3.
bepaalt dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich volgens het roljournaal bevindt;
4.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. R. Prakke-Nieuwenhuizen, S.C.P. Giesen en G.A. Diebels, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026.

Voetnoten

1.HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026