Uitspraak
1.Het verloop van de procedure in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep met de memorie van grieven en een incident
- de memorie van antwoord in de hoofdzaak en in het incident.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Partijen zijn in 2019 in Iran getrouwd en hun huwelijk is in juni 2025 ontbonden via een echtscheidingsbeschikking. De man werd door de voorzieningenrechter veroordeeld om mee te werken aan de Iraanse religieuze Mubarat-echtscheiding, met een dwangsom bij weigering. De man ging in hoger beroep en weigerde medewerking.
De vrouw vorderde vervolgens bij de voorzieningenrechter toestemming om de veroordeling bij lijfsdwang ten uitvoer te leggen, wat werd toegewezen met een maximale gijzeling van zes maanden. De man stelde in hoger beroep een incidentele vordering tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring van deze lijfsdwang in.
Het hof oordeelde dat de man onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zijn psychische en financiële belangen zwaarder wegen dan het belang van de vrouw bij onmiddellijke uitvoering. Er was geen sprake van een kennelijke misslag of nieuwe feiten die schorsing rechtvaardigen. De vordering tot schorsing werd afgewezen en de man werd veroordeeld in de proceskosten van de vrouw. De hoofdzaak wordt voortgezet zonder verdere beslissing.
Uitkomst: De vordering tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring van lijfsdwang wordt afgewezen en de man wordt veroordeeld in de proceskosten.