ECLI:NL:GHARL:2026:149

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
200.356.023/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging ouderlijk gezag en informele rechtsingang in gezagskwesties

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 13 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep over de beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder over haar minderjarige kind, [belanghebbende1]. De moeder had in hoger beroep beroep aangetekend tegen een beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, die op 14 maart 2025 had besloten het gezag van de moeder te beëindigen en de vader met het gezag te belasten. De moeder stelde dat de rechtbank ten onrechte had overwogen dat [belanghebbende1] gebruik had gemaakt van een informele rechtsingang. Het hof oordeelde dat de rechtbank de wens van [belanghebbende1] om alleen met de vader gezag te hebben, niet had kunnen opvatten als een verzoek om een informele rechtsingang. Het hof concludeerde dat de moeder ontvankelijk was in haar verzoek, ondanks dat [belanghebbende1] inmiddels meerderjarig was geworden. Het hof vernietigde de beschikking van de rechtbank, omdat deze niet in overeenstemming was met de wet en onvoldoende onderbouwd was. Het hof benadrukte dat de rechtbank de wettelijke kaders niet had gerespecteerd en dat de beslissing onevenredig ingreep in de gezinssituatie. De uitspraak van het hof bevestigt het belang van rechtsbescherming en de noodzaak om wettelijke procedures correct te volgen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden, afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.356.023/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 241772)
beschikking van 13 januari 2026
in de zaak van:
[verzoekster1](de moeder),
die woont in [woonplaats1] ,
advocaat: mr. S.M. Wolfert te Leek.
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:
[belanghebbende1]( [belanghebbende1] ),
die woont in [woonplaats2] (Groningen)
[belanghebbende2](de vader),
die woont in [woonplaats2] (Groningen).
In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:
de raad voor de kinderbescherming(de raad)
regio Noord Nederland, locatie Groningen.

1.De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 14 maart 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.De procedure in hoger beroep

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 13 juni 2025;
- een journaalbericht namens de moeder van 10 juli 2025 met bijlage(n).
2.2.
De mondelinge behandeling heeft op 27 november 2025 plaatsgevonden. Verschenen zijn de moeder met haar advocaat en een vertegenwoordiger namens de raad. Ter zitting heeft de advocaat van de moeder mede het woord gevoerd aan de hand van een pleitnota, die zij heeft overgelegd.

3.De feiten

3.1.
De vader en de moeder zijn de ouders van [belanghebbende1] , geboren [in1] 2007.
3.2.
Na het eindigen van de affectieve relatie tussen de ouders woonde [belanghebbende1] bij de vader.
3.3.
De moeder oefende alleen het ouderlijk gezag uit over [belanghebbende1] . Tussen 24 januari 2022 en 28 mei 2025 stond [belanghebbende1] onder toezicht van de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis Groningen en verbleef hij op basis van een machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader.
3.4.
Op 9 december 2024 heeft de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, het verzoek van de vader om hem alleen of samen met de moeder met het gezag over [belanghebbende1] te belasten, afgewezen. De vader heeft van deze beslissing geen hoger beroep ingesteld.
3.5.
Op 16 januari 2025 heeft de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [belanghebbende1] verlengd. In het kader van die procedure heeft de kinderrechter met [belanghebbende1] gesproken en uit dat gesprek opgemaakt dat [belanghebbende1] graag wilde dat voortaan alleen de vader gezag over hem heeft.
De kinderrechter heeft de wens van [belanghebbende1] in het kader van een informele rechtsingang op een mondelinge behandeling op 14 maart 2025 met de ouders besproken en vervolgens de bestreden beschikking gegeven.

4.De omvang van het geschil

4.1.
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover hier van belang,(ambtshalve) het ouderlijk gezag van de moeder over [belanghebbende1] beëindigd en de vader met het gezag over [belanghebbende1] belast.
4.2.
De moeder is met vier grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Grief I stelt dat ten onrechte is overwogen dat [belanghebbende1] gebruik heeft gemaakt van een informele rechtsingang, grief II stelt dat het in het kader van een informele rechtsingang niet mogelijk is het gezag van de ene ouder te beëindigen en de andere ouder te belasten met het eenhoofdig gezag, grief III voert aan dat er voor het beëindigen van het gezag van de moeder geen aanleiding was en grief IV ziet op de samenhang tussen de jeugdbeschermingsmaatregelen en het gezag over [belanghebbende1] . De moeder vraagt de bestreden beschikking te vernietigen en daarmee haar gezag over [belanghebbende1] te herstellen.

5.De motivering van de beslissing

Ontvankelijkheid: voldoende belang
5.1.
Het hof dient allereerst de vraag te beantwoorden of de moeder kan worden ontvangen in haar verzoek in hoger beroep. Het door de moeder met het hoger beroep beoogde doel om haar gezag over [belanghebbende1] te herstellen, kan niet meer worden bereikt, omdat [belanghebbende1] inmiddels meerderjarig is. Het (eenhoofdig) gezag van de moeder over [belanghebbende1] zou ruim vijf maanden na de bestreden beschikking ook zonder de uitspraak van de rechtbank door zijn meerderjarigheid van rechtswege zijn geëindigd. Ook voor de periode gelegen tussen de bestreden beschikking en [belanghebbende1] achttiende verjaardag bestaat voor de moeder geen belang bij een herstel van haar gezag, omdat eventueel door de vader genomen (eenhoofdige) gezagsbeslissingen niet ongedaan gemaakt kunnen worden. Het hof volgt de moeder niet in haar standpunt dat haar belang is gelegen in een rechtmatigheidstoets, naar analogie van de toets zoals deze in jeugdbeschermingszaken wel wordt aangelegd. In die zaken is volgens vaste jurisprudentie ruimte voor toetsing van de rechtmatigheid van een beslissing om het gezinsleven te beschermen tegen onterecht ingrijpen van overheidswege, ook wanneer de maatregel al is afgelopen, of wel is opgelegd maar niet uitgevoerd. De hier aan de orde zijnde situatie, waarin in het kader van een informele rechtsingang het ouderlijk gezag wordt gewijzigd, is daarmee niet vergelijkbaar.
5.2.
Naar het oordeel van het hof heeft de moeder in deze zaak desalniettemin voldoende belang bij een inhoudelijke behandeling en beslissing. De keuzes die de rechtbank heeft gemaakt en de genomen beslissingen zijn, zowel procedureel als inhoudelijk, voor het hof niet begrijpelijk en onvoldoende onderbouwd. Het hof ziet daarin voldoende aanleiding de beschikking inhoudelijk te beoordelen. Rechtzoekenden moeten kunnen vertrouwen op de rechtsbescherming die wet- en regelgeving biedt en moeten gehoord worden wanneer zij deze bescherming niet genieten omdat wettelijke kaders niet juist zijn toegepast. Daarom is de moeder ontvankelijk in haar verzoek in hoger beroep.
5.3.
Het hof zal de bestreden beschikking om meerdere redenen vernietigen.
Informele rechtsingang
5.4.
De rechtbank heeft, kort gezegd, een mondelinge uitspraak van [belanghebbende1] ter gelegenheid van een gesprek over jeugdbeschermingsmaatregelen opgevat als de wens een informele rechtsingang te benutten en een ambtshalve beslissing te verkrijgen, om te komen tot een gezamenlijk gezag voor beide ouders dan wel eenhoofdig gezag van zijn vader. De rechtbank is vervolgens, in eigen woorden, voorbij gegaan aan het feit dat de informele rechtsingang als bedoeld in artikel 1:251a lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) een beslissing zoals [belanghebbende1] die wenst niet mogelijk maakt. De rechtbank stelt daarbij de wet terzijde te schuiven omdat zij het belangrijk vindt uit te gaan van wat [belanghebbende1] zelf wil en nodig vindt, en dat [belanghebbende1] weet dat hij door de rechtbank wordt gehoord. De rechtbank verwijst hiervoor naar verschillende internationale standaarden en richtlijnen. De keuze voor het eenhoofdig gezag, waarbij het gezag van de moeder werd beëindigd en de vader alleen met het gezag over [belanghebbende1] werd belast, heeft de rechtbank gemaakt omdat zij van mening was dat het toekennen van gezamenlijk gezag zou neerkomen op een inhoudsloze beslissing omdat het voor de ouders onmogelijk lijkt om met de ander te communiceren en afspraken te maken.
5.5.
Het hof zal de bestreden beschikking vooreerst vernietigen omdat de rechtbank ten onrechte heeft gemeend dat de in deze zaak door [belanghebbende1] geuite wens over het gezag aanleiding kan zijn voor een behandeling en beslissing in het kader van een informele rechtsingang. De door de rechtbank genoemde standaarden en richtlijnen, zoals het IVRK [1] , artikel 8 EVRM [2] en de Guidelines on Child Friendly Justice, bieden geen rechtstreeks recht van een minderjarige op een zelfstandige toegang tot een rechter, maar zien enkel op het recht gehoord te worden. Dat is iets anders. Bij het horen van een bijna meerderjarig kind dat zich uitspreekt met bepaalde wensen of verzoeken, ligt het op de weg van de rechtbank de nuances van het recht toe te lichten, uit te leggen welke mogelijkheden er zijn en waarom bepaalde verzoeken wel, of juist niet, in behandeling genomen kunnen worden, en daarbij het wettelijk kader niet uit het oog te verliezen.
5.6.
De rechtbank heeft dit laatste nagelaten. Het door de rechtbank aangehaalde artikel 1:251a lid 4 BW ziet op een eigen rechtsingang voor minderjarigen over wie het gezamenlijk gezag van hun voorheen getrouwde ouders na de scheiding van rechtswege in stand is gebleven. Het artikel heeft daarmee betrekking op een andere situatie dan in deze zaak. De bepaling is ontstaan om kinderen in deze bijzondere situatie de mogelijkheid te geven zich uit te spreken over de door hen gewenste gezagssituatie, waar dit voorheen vanzelf gebeurde omdat een gezagsbeslissing standaard werd genomen in de echtscheidingsprocedure. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van deze bepaling volgt dat niet is beoogd deze van toepassing te laten zijn in situaties zoals deze, waarin de ouders van [belanghebbende1] nooit getrouwd zijn geweest en nooit gezamenlijk het gezag hebben gehad. De rechtbank heeft dit miskend.
5.7.
Voor de situatie waarin de ouders van [belanghebbende1] zich bevinden biedt artikel 1:253c BW de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de mogelijkheid om de rechtbank te verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten. In onderhavige zaak heeft de vader de rechtbank eerder al verzocht om hem alleen, of samen met de moeder, met het ouderlijk gezag te belasten. De rechtbank heeft dit verzoek bij beschikking van 9 december 2024 afgewezen, omdat het niet in het belang van [belanghebbende1] was om de vader alleen met het gezag te belasten, en de problematiek tussen de ouders zodanig was dat zij niet in staat waren om met elkaar te communiceren en om samen beslissingen te nemen, zonder dat [belanghebbende1] daarmee klem of verloren zou raken tussen zijn ouders. De vader heeft van deze beslissing geen hoger beroep ingesteld.
5.8.
Het hof verwijst in dit kader nog naar zijn uitspraak van 10 maart 2015. [3] In de Memorie van Toelichting op het wetsvoorstel tot Wijziging van enige bepalingen van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het geregistreerd partnerschap, de geslachtsnaam en het verkrijgen van gezamenlijk gezag (vergaderjaar 2003-2004, 29353, nr. 3) staat vermeld dat uit de wetsgeschiedenis van artikel 1:253c BW volgt dat het verzoek zoals bedoeld in dat artikel onder de oude situatie van beide ouders afkomstig moest zijn. De Memorie van Toelichting vermeldt verder dat het wenselijk is dat het verzoek tot gezamenlijk gezag ook door één ouder kan worden gedaan. Anders dan in de toelichting op artikel 1:251a BW, wordt in de toelichting op artikel 1:253c BW geen melding gemaakt van de mogelijkheid dat een dergelijk verzoek ook door een minderjarige kan worden gedaan of kan worden geëntameerd, ook niet bij wijze van informele rechtsingang. Het hof leidt uit het voorgaande af dat daaruit niet blijkt van de bedoeling van de wetgever om de in artikel 1:251a lid 4 BW aan de minderjarige gegeven mogelijkheid tot een informele rechtsingang in het geval van ontbinding van het huwelijk door echtscheiding, ook te geven aan de minderjarige in de situaties als bedoeld in artikel 1:253c lid 1 BW.
Grond voor wijziging
5.9.
Voorts bestaat aanleiding voor vernietiging in verband met het volgende. De rechtbank ziet er (ook) aan voorbij dat na het nemen van een beslissing omtrent een gezagsgeschil als genomen in de beschikking van 9 december 2024 artikel 1:253o BW van toepassing is. Beslissingen waarbij een ouder alleen met het gezag is belast, kunnen op verzoek van de ouders of een van hen door de rechtbank alleen worden gewijzigd op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De onderhavige beslissing van de rechtbank doorkruist dat wettelijk systeem: de rechtbank gaat over tot wijziging van de gezagssituatie zonder dat vastgesteld is dat zich een wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan of uitgegaan is van onjuiste of onvolledige gegevens, althans de rechtbank stelt ter zake van deze wijzigingsgronden niets vast. Overigens ziet het hof gelet op de tekst en de systematiek van de wet ook geen ruimte voor analoge toepassing van de informele rechtsingang vervat in artikel 1:251a lid 4 BW op de situatie als bedoeld in artikel 1:253o BW [4] .
5.10.
Zoals door de rechtbank, in lijn met het advies van de raad, is overwogen in de beschikking van 9 december 2024 zou het in stand laten van het gezag van de moeder in ieder geval betekenen dat zij nog een ingang zou hebben voor contact met [belanghebbende1] . Het dan een paar weken later alsnog via de door de rechtbank gevolgde ingang voor [belanghebbende1] volledig beëindigen van het gezag van de moeder, enkele maanden voor het volwassen worden van [belanghebbende1] , grijpt naar het oordeel van het hof onevenredig hard in op een complexe gezinssituatie, met name als maatregel richting de moeder. Het was niet te verwachten dat er in de laatste maanden van [belanghebbende1] minderjarigheid nog zodanig veel of grote gezagsbeslissingen genomen zouden hoeven worden dat het beëindigen van het gezag van de moeder daarmee in verhouding staat, zeker nu er geen sprake is van handelen of nalaten van de moeder waardoor een dergelijke maatregel nodig zou zijn.

6.De slotsom

Omdat [belanghebbende1] wens niet tot een ambtshalve beslissing in het kader van een informele rechtsingang kon leiden, kan het hof volstaan met het vernietigen van de bestreden beschikking.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 14 maart 2025;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, mr. J.G. Knot en mr. P.B. Kamminga, bijgestaan door mr. M.C. Eisses als griffier, en is op 13 januari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Verdrag inzake de rechten van het kind.
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
4.Zie ook Hoge Raad 4 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2241, r.o. 3.4.5.