ECLI:NL:GHARL:2026:149
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ouderlijk gezag en informele rechtsingang in gezagskwesties
In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 13 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep over de beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder over haar minderjarige kind, [belanghebbende1]. De moeder had in hoger beroep beroep aangetekend tegen een beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, die op 14 maart 2025 had besloten het gezag van de moeder te beëindigen en de vader met het gezag te belasten. De moeder stelde dat de rechtbank ten onrechte had overwogen dat [belanghebbende1] gebruik had gemaakt van een informele rechtsingang. Het hof oordeelde dat de rechtbank de wens van [belanghebbende1] om alleen met de vader gezag te hebben, niet had kunnen opvatten als een verzoek om een informele rechtsingang. Het hof concludeerde dat de moeder ontvankelijk was in haar verzoek, ondanks dat [belanghebbende1] inmiddels meerderjarig was geworden. Het hof vernietigde de beschikking van de rechtbank, omdat deze niet in overeenstemming was met de wet en onvoldoende onderbouwd was. Het hof benadrukte dat de rechtbank de wettelijke kaders niet had gerespecteerd en dat de beslissing onevenredig ingreep in de gezinssituatie. De uitspraak van het hof bevestigt het belang van rechtsbescherming en de noodzaak om wettelijke procedures correct te volgen.