Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:1633

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
200.331.022
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Richtlijn 93/13/EEGArt. 6:231 BWArt. 6:233 BWArt. 237 RvArt. 347 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gerechtshof vernietigt vonnis rechtbank wegens oneerlijk kostenbeding in geldleningsovereenkomst

In hoger beroep heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het vonnis van de rechtbank Gelderland vernietigd, met uitzondering van de afwijzing van de reconventionele vordering van appellant. De zaak betreft een geldleningsovereenkomst uit 2011 met een kostenbeding in de notariële akte. Het hof heeft vastgesteld dat appellant als verkoper en geïntimeerde als consument in de zin van Richtlijn 93/13/EEG moeten worden aangemerkt.

Het hof heeft ambtshalve onderzocht of het kostenbeding oneerlijk is en oordeelt dat dit het geval is. Het beding legt alle kosten van de geldlening en hypotheekverlening bij de consument, zonder transparantie en met een ruime formulering die de consument niet in staat stelt de financiële gevolgen te overzien. Dit leidt tot een aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen partijen in strijd met de goede trouw.

De vordering van appellant tot betaling van de kosten strandt daardoor ook in hoger beroep. Het hof wijst de eiswijziging wegens strijd met de twee-conclusieregel af en bepaalt dat iedere partij zijn eigen kosten draagt. De geldleningsovereenkomst blijft in stand zonder dat geïntimeerde aan het kostenbeding is gebonden.

Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en wijst de vordering tot betaling van kosten af wegens een oneerlijk kostenbeding.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM -LEEUWARDEN
locatie Arnhem , afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.331.022
zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem 397321
arrest van 17 maart 2026
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats]
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de rechtbank optrad als gedaagde in conventie, eiser in reconventie
hierna: [appellant]
advocaat: mr. E.F.E. van Essen
tegen
[geïntimeerde]
die woont in [woonplaats]
en bij de rechtbank optrad als eiser in conventie, verweerder in reconventie
hierna: [geïntimeerde]
advocaat: mr. M.P.H. van Maanen Winters

1.Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 12 augustus 2025 hier over. Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de akte van [appellant] van 9 september 2025;
  • de akte van [geïntimeerde] van 9 september 2025.
1.2.
Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.

2.De verdere beoordeling van het geschil

De resterende beslispunten
2.1.
[geïntimeerde] vordert in deze procedure (in conventie) een – negatieve – verklaring voor recht dat de geldleningsovereenkomst zoals vermeld in de notariële akte van 11 augustus 2011 (hierna: de notariële akte) en het daaraan verbonden hypotheekrecht niet bestaan c.q. nietig zijn. Het hof heeft in het tussenarrest van 12 augustus 2025 vastgesteld dat moet worden aangenomen dat [geïntimeerde] overeenkomstig zijn verklaring in de notariële akte een bedrag van € 40.000,- ter leen heeft ontvangen van [appellant] en dat op grond van die verklaring het hypotheekrecht rechtsgeldig is gevestigd. Daarnaast heeft het hof vastgesteld dat de door [geïntimeerde] (subsidiair) gevorderde verklaring voor recht dat [appellant] het recht heeft verwerkt nakoming te vorderen van de geldlening en/of over te gaan tot tenuitvoerlegging van het recht van hypotheek niet voor toewijzing in aanmerking komt. Ook de door [geïntimeerde] gevorderde schadevergoeding komt niet voor toewijzing in aanmerking. Dit betekent dat de beslissing van de rechtbank tot toewijzing van de vorderingen van [geïntimeerde] in conventie in deze procedure in hoger beroep zal worden vernietigd.
2.2.
[appellant] heeft, na vermeerdering van eis, op grond van het in de notariële akte opgenomen kostenbeding (in reconventie) gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 53.456,26, verhoogd met rente en kosten.
2.3.
Het kostenbeding waarop [appellant] zijn vordering baseert (hierna: het kostenbeding) luidt als volgt:
“ (…) De kosten van deze akte, van de verlening en vestiging van deze hypotheek en het pandrecht, alsmede alle kosten waartoe deze geldlening met hypotheekverlening aanleiding geeft of in de toekomst mocht geven, daaronder begrepen die, welke schuldeiser zal nodig oordelen te maken tot behoud en ter uitoefening van zijn rechten alsook de kosten van de doorhaling der hypothecaire inschrijving komen ten laste van schuldenaar(…)”.
2.4.
Het hof heeft in het tussenarrest van 12 augustus 2025 overwogen dat het ambtshalve moet onderzoeken of de in de notariële akte opgenomen overeenkomst valt onder het bereik van Richtlijn 93/13 EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de Richtlijn) [1] en, als dit het geval is, of het in de overeenkomst opgenomen kostenbeding als een oneerlijk beding in de zin van de Richtlijn moet worden aangemerkt. [2] Het hof heeft daarvoor reden gezien omdat [appellant] heeft verklaard dat hij, samen met zijn inmiddels overleden echtgenote, naast de aan [geïntimeerde] verstrekte lening ook geldleningen heeft verstrekt aan andere klanten en relaties. [appellant] heeft dit aangegeven en heeft in zijn verklaring ook onderbouwd hoe hij over de contante middelen beschikte die hij heeft verstrekt aan [geïntimeerde] . Partijen hebben zich in hun aktes van 9 september 2025 uitgelaten over de toepasselijkheid van de Richtlijn en de transparantie van het kostenbeding. Daarbij zijn zij ook ingegaan op de consequenties voor de (reconventionele) vordering van [appellant] .
2.5.
Het hof zal beslissen dat de in de notariële akte opgenomen overeenkomst valt onder het bereik van de Richtlijn en dat het kostenbeding moet worden aangemerkt als een oneerlijk beding in de zin van de Richtlijn. Dit betekent dat de (reconventionele) vordering van [appellant] ook in hoger beroep strandt. Hieruit volgt dat in het midden kan blijven of de eiswijziging die hiervoor is vermeld onder 2.2 toelaatbaar is op grond van de twee-conclusieregel. Het hof licht hierna toe hoe het tot zijn oordeel komt.
De beoordeling van de resterende beslispunten
2.6.
De in de notariële akte opgenomen overeenkomst (hierna: de overeenkomst) valt onder het bereik van de Richtlijn als [appellant] daarbij geldt als ‘verkoper’ en [geïntimeerde] geldt als ‘consument’ in de zin van de Richtlijn (artikel 2 aanhef Pro en onder b en c van de Richtlijn).
[appellant] is ‘verkoper’
2.7.
Onder ‘verkoper’ in de zin van de Richtlijn wordt verstaan iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die bij de onder de Richtlijn vallende overeenkomsten handelt in het kader van zijn publiekrechtelijke of privaatrechtelijke beroepsactiviteit. Voor de vaststelling daarvan moet rekening worden gehouden met verschillende (niet-uitputtende en niet-uitsluitende) criteria, waaronder (i) het aantal, de hoeveelheid en regelmaat van de betrokken transacties, (ii) de omzet, (iii) of de ‘verkoop’ op georganiseerde wijze plaatsvindt, (iv) of het aanbod is geconcentreerd op een beperkt aantal producten, en (v) of de verkoper met betrekking tot de aangeboden goederen of diensten beschikt over informatie en vaardigheden waarover de consument niet beschikt, waardoor hij zich in een gunstiger positie bevindt dan de consument.
2.8.
In het kader van de overeenkomst moet [appellant] in relatie tot [geïntimeerde] worden aangemerkt als ‘verkoper’ in de zin van de Richtlijn. Hierbij neemt het hof het volgende in overweging. [appellant] heeft in deze procedure verklaard dat hij, samen met zijn inmiddels overleden echtgenote, naast de geldlening die hij in 2011 heeft verstrekt aan [geïntimeerde] , in de jaren 2004 tot en met 2009 ten minste acht geldleningen heeft verstrekt aan relaties van hun (toenmalige) bedrijven [naam1] B.V. (hierna: [naam1] ) en [naam2] B.V (hierna: [naam2] ) voor een totale hoofdsom van (ten minste) € 140.000,-. [appellant] heeft toegelicht dat hij de geldleningen heeft verstrekt aan horecaondernemers als tussenoplossing totdat deze ondernemers een financiering hadden afgesloten bij een bank of brouwerij. Verder blijkt uit het door [appellant] overgelegde uittreksel uit het handelsregister dat de toenmalige bedrijfsactiviteiten van [naam1] , naast de exploitatie van amusements- en speelautomaten, onder meer, bestonden uit het verstrekken van geldleningen aan derden.
2.9.
Het hof volgt [appellant] niet in zijn stellingname dat bij het verstrekken van deze leningen geen sprake is geweest van een duurzame, georganiseerde bedrijfs- of beroepsactiviteit. Uit zijn hiervoor aangehaalde verklaring en uit het uittreksel uit het handelsregister blijkt dat [appellant] de geldleningen heeft verstrekt als onderdeel van zijn bedrijfsactiviteiten. Daarbij is het niet van wezenlijk belang dat de leningen die [appellant] heeft verstrekt verschillende doelen hebben gediend voor de inleners. Voor de toepasselijkheid van de Richtlijn is evenmin bepalend of [appellant] al dan niet een winstoogmerk heeft gehad voor dit specifieke onderdeel van zijn bedrijfsactiviteiten.
2.10.
Daar komt bij dat [appellant] bij het aangaan van de lening over aanmerkelijk meer kennis van - en ervaring met hypothecaire geldleningen beschikte dan [geïntimeerde] en [geïntimeerde] in dit opzicht in een zwakkere positie verkeerde dan [appellant] . Dit volgt, onder meer, uit de verklaring van [appellant] dat hij een financieel-administratieve opleiding heeft gevolgd en sinds 1974 werkzaam is geweest in de accountancy-praktijk. Ook heeft [appellant] een eigen administratiekantoor geëxploiteerd via [naam2] .
2.11.
Het betoog van [appellant] dat hij de lening aan [geïntimeerde] heeft verstrekt uit privé-middelen leidt niet tot een ander oordeel. Dit betoog valt zonder nadere toelichting, die [appellant] niet heeft gegeven, niet te rijmen met de verklaring van [appellant] dat hij de contante geldlening aan [geïntimeerde] heeft verstrekt vanuit de door hem ontvangen contante aflossingen van de andere leningen die hij heeft verstrekt in het kader van zijn bedrijfsactiviteiten. Bovendien, als al van een lening uit privé-middelen zou worden uitgegaan, zou die omstandigheid tegenover alle hiervoor genoemde omstandigheden onvoldoende gewicht in de schaal leggen om een ander oordeel te rechtvaardigen.
[geïntimeerde] is ‘consument’
2.12.
Onder ‘consument’ in de zin van de Richtlijn wordt verstaan iedere natuurlijke persoon die handelt voor doeleinden die buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit vallen.
2.13.
In het kader van de overeenkomst moet [geïntimeerde] in relatie tot [appellant] worden aangemerkt als ‘consument’ in de zin van de Richtlijn. Hierbij neemt het hof het volgende in overweging. [appellant] heeft zelf verklaard dat het bedrag dat hij heeft uitgeleend aan [geïntimeerde] een (box drie-)lening aan [geïntimeerde] in privé betrof. Daar komt bij dat ter zekerheid van de geldlening een recht van hypotheek is gevestigd op de privéwoning van [geïntimeerde] . Het hof volgt [appellant] niet in zijn betoog dat, indien komt vast te staan dat [appellant] wel professioneel optrad, [geïntimeerde] dat ook deed omdat [geïntimeerde] een bedrijf had dat in financiële problemen verkeerde. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat [appellant] heeft verklaard dat hij bij het aangaan van de lening en ook daarna niet aan [geïntimeerde] heeft gevraagd waarom [geïntimeerde] het geld wilde lenen en dat de overeenkomst naar de stellingen van [geïntimeerde] tot doel had om (in het licht van het te verwachten faillissement) verhaal op zijn privéwoning te vermijden.
Geen afzonderlijke onderhandeling over kostenbeding
2.14.
Om onder het bereik van de Richtlijn te vallen, is vereist dat over het kostenbeding niet afzonderlijk is onderhandeld door [appellant] en [geïntimeerde] (artikel 2 aanhef Pro en onder a in combinatie met artikel 3 lid 1 van Pro de Richtlijn). [appellant] heeft ten aanzien van het in de overeenkomst opgenomen kostenbeding aangevoerd dat een dergelijk beding gebruikelijk is in notariële geldleningen. Volgens [appellant] is de notariële akte vooraf aan [geïntimeerde] ter beschikking gesteld en is deze vooral op de belangrijke onderdelen door de notaris voorgelezen. Vervolgens is de akte zonder voorbehoud ondertekend, aldus [appellant] . [geïntimeerde] heeft op zijn beurt verklaard dat hij de notariële akte niet goed heeft gelezen maar gewoon heeft ondertekend. Het hof stelt op grond van deze verklaringen van [appellant] en [geïntimeerde] vast dat partijen niet afzonderlijk hebben onderhandeld over het kostenbeding.
Het kostenbeding is geen kernbeding
2.15.
Tenslotte is het van belang om vast te stellen of het kostenbeding moet worden aangemerkt als een ‘kernbeding’ van de overeenkomst. De beoordeling van het mogelijk oneerlijke karakter van bedingen heeft geen betrekking op een kernbeding, dat wil zeggen de bepaling van het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst (artikel 4 lid 2 van Pro de Richtlijn). In dit geval zijn het verstrekken van de geldlening en het stellen van hypothecaire zekerheid de kernbedingen van de overeenkomst. Het kostenbeding is in dat opzicht een bijkomend beding en geldt niet als een kernbeding.
2.16.
Het voorgaande brengt mee dat het kostenbeding valt onder het bereik van de Richtlijn. Uit deze vaststelling volgt eveneens dat het kostenbeding geldt als een algemene voorwaarde in de zin van artikel 6:231 onder Pro a Burgerlijk Wetboek (BW).
Het toetsingskader van het kostenbeding
2.17.
De Richtlijn is geïmplementeerd in artikel 6:233 BW Pro. Een richtlijnconforme uitleg brengt mee dat het hof op grond van artikel 6:233 BW Pro is gehouden ambtshalve te onderzoeken of een beding oneerlijk is in de zin van de Richtlijn. [3] Op grond van artikel 3 lid 1 van Pro de Richtlijn wordt een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, als oneerlijk beschouwd als het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort.
2.18.
Bij de beoordeling van het oneerlijke karakter van een contractueel beding moet worden uitgegaan van het moment waarop de betrokken overeenkomst is gesloten, rekening houdend met alle omstandigheden waarvan de wederpartij van de consument op dat moment kennis kon hebben en die gevolgen konden hebben voor de latere uitvoering van die overeenkomst. Daarbij moet worden nagegaan wat het cumulatieve effect is van alle bedingen van de betrokken overeenkomst, ongeacht of de schuldeiser daadwerkelijk de volledige nakoming ervan nastreeft. Om te bepalen of een beding geen ‘aanzienlijke verstoring van het evenwicht’ tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen veroorzaakt, moet met name rekening worden gehouden met de toepasselijke regels van het nationale recht wanneer partijen op dit punt geen regeling hebben getroffen. Met betrekking tot de vraag in welke omstandigheden een aanzienlijke verstoring van het evenwicht ‘in strijd met de goede trouw’ wordt veroorzaakt, dient de nationale rechter na te gaan of de verkoper redelijkerwijs ervan kon uitgaan dat de consument een dergelijk beding zou aanvaarden indien daarover op een eerlijke en billijke manier afzonderlijk was onderhandeld. [4]
Het kostenbeding is een oneerlijk beding in de zin van de Richtlijn
2.19.
Het kostenbeding, dat er, onder meer, toe strekt dat [geïntimeerde] alle gerechtelijke kosten van [appellant] moet betalen als hij tekortschiet in de nakoming van zijn verplichtingen op grond van de overeenkomst, moet worden aangemerkt als een oneerlijk beding. [5] Daarbij neemt het hof in aanmerking dat het kostenbeding de positie aantast waarin [geïntimeerde] zonder dat beding zou hebben verkeerd, doordat het de begrenzing wegneemt die ligt besloten in het wettelijk stelsel van de proceskostenveroordeling zoals neergelegd in artikel 237 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Een aanzienlijke verstoring van het evenwicht kan al volgen uit het feit dat de rechtspositie van de consument in voldoende ernstige mate wordt aangetast, beperkt of belemmerd. [6] In dit geval wordt de rechtspositie die [geïntimeerde] op grond van het nationale recht zou hebben gehad naar het oordeel van het hof door het kostenbeding in zo ernstige mate aangetast, dat die omstandigheid op zichzelf al het oordeel rechtvaardigt dat het kostenbeding oneerlijk is.
2.20.
Daarbij komt nog dat het kostenbeding zo ruim is geformuleerd dat het een gemiddelde, normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende consument niet in staat stelt om alle financiële consequenties in te schatten die voor hem daaruit voortvloeien. Volgens het beding zijn onder de door de consument te vergoeden kosten immers begrepen
‘alle kosten waartoe deze geldlening met hypotheekverlening aanleiding geeft of in de toekomst mocht geven, daaronder begrepen die, welke schuldeiser zal nodig oordelen te maken tot behoud en ter uitoefening van zijn rechten.’Ook dit gebrek aan transparantie ondersteunt het oordeel dat sprake is van een oneerlijk beding. Bovendien is niet gesteld of gebleken dat [appellant] er redelijkerwijs van kon uitgaan dat [geïntimeerde] het beding zou hebben aanvaard als daarover op eerlijke en billijke manier afzonderlijk was onderhandeld. [7]
2.21.
De omstandigheid dat het kostenbeding moet worden beoordeeld naar het moment waarop het is tot stand gekomen, brengt mee dat het betoog van [appellant] dat de (latere) (proces)houding van [geïntimeerde] rechtvaardigt dat hij de volledige proceskosten van [appellant] moet voldoen, niet slaagt. Uit het feit dat het hof het kostenbeding ambtshalve dient te toetsen aan de Richtlijn volgt dat het betoog van [appellant] dat een beroep op de Richtlijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, faalt. Datzelfde geldt voor zover [appellant] heeft aangevoerd dat [geïntimeerde] het recht heeft verwerkt om een beroep te doen op de Richtlijn.
Beroep op onrechtmatige gedraging in strijd met twee-conclusieregel
2.22.
[appellant] heeft niet eerder dan in zijn akte van 9 september 2025 aan zijn vordering tevens ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld. Dit is in strijd met de zogenoemde twee-conclusieregel, waarbij als uitgangspunt geldt dat [appellant] zijn eis niet later dan in zijn memorie van grieven mocht aanvullen of wijzigen (artikel 347 lid 1 Rv Pro). Nu zich geen uitzondering voordoet op grond waarvan van dit uitgangspunt dient te worden afgeweken, laat het hof de vordering op grond van de door [appellant] gestelde onrechtmatige gedraging van [geïntimeerde] buiten beschouwing. [8]
Consequenties van oneerlijk kostenbeding
2.23.
De constatering dat het kostenbeding moet worden aangemerkt als een oneerlijk beding, brengt mee dat de overeenkomst in stand blijft zonder dat [geïntimeerde] aan het kostenbeding is gebonden (artikel 6 lid 1 van Pro de Richtlijn).
2.24.
De vaststelling dat sprake is van een oneerlijk kostenbeding brengt mee dat de situatie moet worden hersteld waarin [geïntimeerde] rechtens en feitelijk zou hebben verkeerd zonder het kostenbeding. [9] Aangezien met de Richtlijn wordt beoogd het gebruik van oneerlijke bedingen uit te bannen, mag de rechter daarbij de overeenkomst niet aanvullen door de inhoud van het beding te herzien en terug te vallen op het aanvullende nationale recht. [10]
2.25.
Het hof komt niet toe aan het beantwoorden van de vraag of de oneerlijkheid van het kostenbeding er aan in de weg staat dat [geïntimeerde] op de voet van artikel 237 Rv Pro wordt veroordeeld in de proceskosten. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat hiervoor in rechtsoverweging 2.19 en 2.23 is vastgesteld dat [appellant] in het ongelijk wordt gesteld voor wat betreft zijn (reconventionele) vordering tot vergoeding van de kosten die hij heeft gemaakt in verband met de overeenkomst. In het tussenarrest van 12 augustus 2025 is bepaald dat [geïntimeerde] in het ongelijk wordt gesteld voor wat betreft de door hem (in conventie, primair en subsidiair) gevorderde verklaring voor recht met betrekking tot de door [appellant] verstrekte geldlening en het ter zekerheid van deze geldlening gevestigde recht van hypotheek en de door hem gevorderde schadevergoeding (rechtsoverweging 2.1). Dit betekent dat beide partijen deels in het gelijk en deels in het ongelijk worden gesteld. Het hof zal daarom bepalen dat iedere partij zijn eigen kosten draagt.

3.De beslissing

Het hof:
3.1.
vernietigt het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem van 26 juli 2023, behalve de beslissing onder 3.7 (afwijzing van de reconventionele vordering van [appellant] ) die hierbij wordt bekrachtigd;
3.2.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
3.3.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.J. van der Korst, M.B. Beekhoven van den Boezem en M. Kool, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026.

Voetnoten

1.Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten.
2.HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:691.
3.HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:198 (https://www.inview.nl/document/id8cfcfbc4013240429435557f8c78c7e6), rov. 3.8.3 en HR 13-09-2013, ECLI:NL:HR:2013:691.
4.HR 22 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1830 (https://www.inview.nl/document/id0a13b6bf83b94c4fbf0de530519f29e1), rov. 3.2.1-3.2.3.
5.Vgl. HR 23 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:820, rov. 3.1.6.
6.HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1800.
7.Vgl. HR 23 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:820, rov. 3.1.4.
8.HR 19 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8771, rov. 2.4.1-2.4.5.
9.HvJEU 15 juni 2023, zaak C-520/21, ECLI:EU:C:2023:478 (https://www.inview.nl/document/ida5fb10e8b38d4d4c8f243bf830739523).
10.HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:198, rov. 3.10.1.